Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY8562

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
16-01-2013
Zaaknummer
201208377/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 mei 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een TT-Institute (Technicians Training Institute) op het perceel De Haar, kavel 12 (gebouw 6, TT-World) te Assen.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.12
Crisis- en herstelwet
Crisis- en herstelwet 1.9
Besluit ruimtelijke ordening
Besluit ruimtelijke ordening 3.1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/82
JOM 2013/99
JM 2013/58 met annotatie van R. van Bommel
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208377/1/A1.

Datum uitspraak: 16 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TT Hotel Vastgoed B.V.,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Assen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een TT-Institute (Technicians Training Institute) op het perceel De Haar, kavel 12 (gebouw 6, TT-World) te Assen.

Tegen dit besluit heeft RE-Z Ontwikkeling namens TT Hotel Vastgoed beroep ingesteld.

[vergunninghouder] heeft een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

TT Hotel Vastgoed en [vergunninghouder] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2012, waar TT Hotel Vastgoed, vertegenwoordigd door E.H. Doornbos, bijgestaan door mr. ing. J.G.H. Meijerink, advocaat te Assen, en het college, vertegenwoordigd door O.B. Coenraads en P.G. Faber, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens zijn verschenen [vergunninghouder], bijgestaan door mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen en ROC Drenthe College, vertegenwoordigd door H.H. Coutinho.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) is afdeling 2 onder meer van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten.

Ingevolge artikel 2.3 van bijlage I is de Chw van toepassing op projecten aangewezen krachtens artikel 2.18.

Ingevolge artikel 2.18 van de Chw is afdeling 2.7 van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aangewezen lokale en (boven)regionale projecten met nationale betekenis.

Ingevolge artikel 9, aanhef en onder a, van het Besluit uitvoering Chw is de FlorijnAs een dergelijk project.

Ingevolge artikel 2.21 wordt ten aanzien van op aanvraag of ambtshalve te nemen besluiten die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van een krachtens artikel 2.18 van die wet aangewezen project toepassing gegeven aan de gemeentelijke coördinatieregeling, bedoeld in paragraaf 3.6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro).

2. Het besluit van 29 mei 2012 is genomen ter uitvoering van het project FlorijnAs. Dit project is aangewezen als een regionaal project met nationale betekenis, als bedoeld in artikel 2.18 van de Chw. Op dit besluit is derhalve de Chw van toepassing. Gelet op artikel 2.21 van de Chw, gelezen in samenhang met de artikelen 3.30, eerste lid, en 8.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wro, is niet de rechtbank, maar de Afdeling bevoegd van het beroep kennis te nemen.

3. [vergunninghouder] betoogt dat RE-Z Ontwikkeling, die het beroep heeft ingesteld, geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Hij voert daartoe aan dat RE-Z Ontwikkeling slechts een afgeleid belang heeft. Hij voert voorts aan dat het belang van RE-Z Ontwikkeling onvoldoende concreet is, nu de realisatie van een hotel slechts een voornemen is zonder begin van uitvoering.

3.1. Vaststaat en niet in geschil is dat RE-Z Ontwikkeling enig bestuurder en enig aandeelhouder is van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RE-Z Participaties B.V., die enig bestuurder en enig aandeelhouder is van TT Hotel Vastgoed. TT Hotel Vastgoed is eigenaar van gronden op het TT-terrein, waarop een hotel zal worden gerealiseerd. Voor de bouw van dit hotel is reeds een bouwvergunning verleend. Van slechts een voornemen, zoals [vergunninghouder] stelt, is dan ook geen sprake. Gelet op het vorenstaande treedt RE-Z Ontwikkeling in feite op als bestuurder van TT Hotel Vastgoed, de eigenaar van de gronden. Deze is belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

4. Anders dan [vergunninghouder] voorts betoogt, zijn geen beroepsgronden betrekking hebbende op de ruimtelijke onderbouwing na afloop van de termijn voor het instellen van beroep, als bedoeld in artikel 1.6a van de Chw, aangevoerd.

5. Het bouwplan voorziet in het oprichten van het TT-Institute op het perceel.

Ingevolge het bestemmingsplan "De Haar West" rust op het perceel de bestemming "Circuit van Drenthe-CVD-".

Ingevolge artikel 5, eerste lid, zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor motor-en autosportcircuit met daarbij behorende voorzieningen en functies zoals pitboxen, tribunes en rijvaardigheids- en behendigheidstrainingen, detailhandel waaronder onder andere showrooms zijn begrepen en kantoren gericht op en/of gerelateerd aan de motor- en autosport uitsluitend voor zover de gronden zijn aangegeven met 'entreegebied', hondensportterrein, modelvliegtuigsport en verkeer en verblijf.

Vaststaat en niet in geschil is dat het bouwplan hiermee in strijd is. Om realisering van het bouwplan mogelijk te maken, heeft het college bij besluit van 29 mei 2012 omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, gelezen in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

6. TT Hotel Vastgoed betoogt dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro), gelezen in samenhang met artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor). Zij voert daartoe aan dat in de ruimtelijke onderbouwing niet is vermeld dat overleg heeft plaatsgehad met bijvoorbeeld de provincie en de betrokken waterschappen, hoe burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding betrokken zijn en ontbreken inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan.

6.1. Ingevolge artikel 5.20 van het Bor zijn, voor zover de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, ten derde, van de wet, de artikelen 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening van toepassing.

Ingevolge artikel 3.1.6 van het Bro gaan een bestemmingsplan, alsmede een ontwerp hiervoor vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd:

a. een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen;

b. een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding;

c. de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 bedoelde overleg;

d. de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3:2 van de Awb verrichte onderzoek;

e. een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken;

f. de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan.

6.2. Voor zover TT Hotel Vastgoed betoogt dat in de ruimtelijke onderbouwing niet is vermeld dat overleg heeft plaatsgehad met bijvoorbeeld de provincie en de betrokken waterschappen, wordt als volgt overwogen.

Ingevolge artikel 1.9 van de Chw vernietigt de administratieve rechter een besluit niet op de grond, dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 19 januari 2011 in zaak nr. 201006426/1/R2 (www.raadvanstate.nl) kan uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel van de Chw (Kamerstukken II 2009/10, 32 127, nr. 3, blz. 49) worden afgeleid dat de wetgever met artikel 1.9 van de Chw de eis heeft willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en de daadwerkelijke (of: achterliggende) reden om een besluit in rechte aan te vechten en dat de bestuursrechter een besluit niet moet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die niet strekt tot bescherming van een belang waarin de eisende partij feitelijk dreigt te worden geschaad.

Daargelaten de vraag of in onderhavig geval de verplichting tot overleg als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro is geschonden, overweegt de Afdeling dat deze bepaling kennelijk niet strekt ter bescherming van de belangen van TT Hotel Vastgoed, zodat artikel 1.9 van de Chw in zoverre aan vernietiging van het bestreden besluit in de weg staat.

6.3. Ten aanzien van het betoog van TT Hotel Vastgoed dat uit de ruimtelijke onderbouwing niet blijkt hoe burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding betrokken zijn, wordt als volgt overwogen.

In hoofdstuk 7 van de ruimtelijke onderbouwing staat dat de deelprojecten van de FlorijnAs in het kader van de terinzagelegging van de ontwerp-Structuurvisie en de plan-MER ter inzage zijn gelegd voor een ieder en voor alle betrokken bestuursorganen. De besluitvorming daarover heeft plaatsgevonden in de gemeenteraad. In dat hoofdstuk wordt tevens vermeld hoe de procedure met betrekking tot de besluitvorming over de ontwikkelingen in het gebied van de FlorijnAs eruit ziet.

In paragraaf 1 van het 'Commentaar op de ingebrachte zienswijze tegen de aanvraag om omgevingsvergunning voor het oprichten van het TT Institute, aan De Haar te Assen' is vermeld dat het ontwerpbesluit met bijbehorende stukken met ingang van 6 april 2012 gedurende een termijn van zes weken ter inzage heeft gelegen en een ieder de mogelijkheid had om gedurende die termijn een zienswijze in te dienen.

In hetgeen TT Hotel Vastgoed heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing en het commentaar op de ingebrachte zienswijze op dit punt ontoereikend zijn en dat in zoverre niet is voldaan aan artikel 3.1.6 van het Bro. Het betoog faalt.

6.4. Voor zover TT Hotel Vastgoed betoogt dat in de ruimtelijke onderbouwing inzichten over de financiële en economische uitvoerbaarheid van het plan ontbreken, wordt als volgt overwogen.

6.5. Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat het bouwplan deels zal worden bekostigd uit een bijdrage van het bedrijfsleven, het Drenthe college en Innovam. Daarnaast zal een deel worden bekostigd uit een subsidie van de provincie Drenthe, de gemeente Assen en de uitvoeringsorganisatie SNN. In het aangevoerde ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op voorhand aan de financiële uitvoerbaarheid niet hoeft te worden getwijfeld. De enkele stelling van TT Hotel Vastgoed ter zitting dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat zij op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat het project geen doorgang zal vinden indien geen financiële steun zou worden verleend, dan wel als eventuele ongeoorloofde staatssteun zal worden teruggevorderd.

6.6. TT Hotel Vastgoed heeft aangevoerd dat in de provincie Groningen het aantal leerlingen dat zich inschrijft voor technische opleidingen daalt, onderwijsinstellingen moeten gaan samenwerken en voor opleidingen in de autobranche voortaan nog maar bij één instelling kan worden ingeschreven en deze instelling, die het opleidings- en kenniscentrum wordt in Noord Nederland, is gelegen binnen een straal van 30 km van het TT-Institute. Volgens TT Hotel Vastgoed moet dan ook aan de economische uitvoerbaarheid van het bouwplan worden getwijfeld.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de economische uitvoerbaarheid niet op voorhand hoeft te worden getwijfeld. Het heeft hierbij in aanmerking genomen dat de door TT Hotel Vastgoed vermelde ontwikkeling met betrekking tot de daling van het aantal inschrijvingen van leerlingen voor opleidingen in de autobranche zich in Groningen voordoet en niet in Drenthe, het TT-Institute in feite een fysieke verplaatsing is van opleidingen die nu ook al in Drenthe plaatsvinden, terwijl in Groningen sprake was van elkaar beconcurrerende onderwijsinstellingen, waardoor een herverdeling van opleidingen onvermijdelijk was. In Drenthe is onverminderd vraag naar goede en praktijkgerichte opleidingen. De jaarlijkse consequente groei in aantal leerlingen voor de opleiding Motorvoertuigen & Tweewielertechniek verklaart de nieuwe ruimtebehoefte. Daarbij komt dat het TT-Institute onderwijs op mbo-niveau aanbiedt en mbo-leerlingen vaak en graag kiezen voor een opleiding in hun eigen regio. Voor leerlingen uit Drenthe is dat dus Drenthe, aldus het college. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college hiermee voldoende gemotiveerd dat op voorhand niet hoeft te worden getwijfeld aan de economische uitvoerbaarheid van het plan. Het betoog faalt.

7. TT Hotel Vastgoed betoogt dat in de ruimtelijke onderbouwing geen deugdelijke verantwoording is opgenomen waaruit valt af te leiden hoe tot de keuze voor de locatie is gekomen. Zij voert daartoe aan dat het TT-Institute niet past op TT World, nu dit een amusementspark is en een andere doelgroep trekt. Volgens haar zorgt de doelgroep van het TT-Institute voor overlast voor de bezoekers van TT World, waaronder de gasten van het TT Hotel.

7.1. Het college heeft in zijn besluit van 29 mei 2012 verwezen naar het 'Commentaar op de ingebrachte zienswijze tegen de aanvraag om omgevingsvergunning voor het oprichten van het TT Institute, aan De Haar te Assen', waarin wordt ingegaan op de ruimtelijke onderbouwing.

In de ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat het TT-Institute opleidingen zal bieden op mbo-niveau en door samenwerking met andere instituten ook opleidingsonderdelen voor vmbo en hbo. De opleidingen centreren zich rondom het vakgebied van de mobiliteitstechniek. Het gebouw heeft zowel een theorie- als praktijkruimte. Specifieke aandacht is er voor service, reparatie en ontwikkeling van een breed scala aan motorvoertuigen. Het bouwplan maakt, aldus de ruimtelijke onderbouwing, deel uit van het concept TT World. TT World behelst een business-, uitgaans- en amusementscentrum met als thema 'racing'. Het centrum kenmerkt zich door een synergie van (motor)sport,- business, businessfaciliteiten, recreatie en amusement, aldus de ruimtelijke onderbouwing. De synergie moet worden bereikt door de ontwikkeling van bedrijfsruimten, leisure-, hotel-, congres- en opleidings- en sportaccommodaties, eventueel aangevuld met kantoren, restaurants, merchandising en aanverwante activiteiten. In de ruimtelijke onderbouwing is voorts vermeld dat hoewel het TT-Institute niet direct tot de categorie 'amusement' behoort, het wel is verbonden met de auto- en motorbranche en daarmee met het TT-Circuit. De onderwijsinstelling zal gebruik maken van het TT-Circuit en het is dan ook wenselijk dat deze een locatie krijgt in de nabijheid van het circuit.

In zijn verweerschrift op het beroep heeft het college voorts verwezen naar de 'Toekomstvisie TT Circuit en omgeving' van februari 2011, opgesteld in samenwerking tussen de provincie Drenthe, de gemeente en een aantal visiepartners. In de Toekomstvisie is onder meer vermeld dat TT Assen een bolwerk is van kennis en innovatie en zich kan ontwikkelen tot het uithangbord van de noordelijke kenniseconomie. De nieuwste technieken ten aanzien van de motorsport, snelle banen, milieu en duurzaamheid, trainingen, coaching en organisatie van grote evenementen zijn hier beschikbaar. Dit betekent dat de aanwezigheid van de TT ook interessant is voor onderwijsinstellingen en kennisinstituten. Deze bouwsteen beoogt een verhoging van de diversiteit en kwaliteit van het aanbod van opleidingen in Assen. Kansrijk initiatief van het Drenthe College & Innovam is het oprichten van een TT Institute, met als ambitie het nationale opleidingsinstituut voor motoren te worden. Het richt zich op verschillende vormen van praktijkonderwijs. Ook voor de beleving op en rond het circuit zou het een verrijking betekenen die 'ander leven in de brouwerij' kan brengen en een verbreding van het imago betekent, aldus de Toekomstvisie.

7.2. Hoewel het bouwplan een andere doelgroep trekt dan TT World en, zoals ook in de ruimtelijke onderbouwing is vermeld, het niet tot de categorie 'amusement' behoort, is naar het oordeel van de Afdeling in de ruimtelijke onderbouwing voldoende gemotiveerd dat het TT-Institute zodanig verbonden is met de auto- en motorbranche en daarmee het TT-Circuit dat, anders dan TT Hotel Vastgoed betoogt, het TT-Institute past binnen het concept TT World. Dit volgt ook uit de door het college in zijn verweerschrift vermelde Toekomstvisie. TT Hotel Vastgoed heeft niet aannemelijk gemaakt dat de scholieren een zodanige overlast zullen veroorzaken voor de bezoekers van TT World dat het college daarom de omgevingsvergunning in redelijkheid niet had kunnen verlenen. De enkele stelling dat er overlast zal zijn, is daartoe niet voldoende. Het betoog van TT Hotel Vastgoed, dat in diverse overlegbijeenkomsten is aangegeven dat een opleidingsinstituut niet wenselijk is, geeft voorts geen aanleiding voor een ander oordeel, nu de uitkomst van die bijeenkomsten betrekking had op de realisatie van een instituut direct aan de zogenoemde leisure promenade en die locatie, die afwijkt van de locatie waar het bouwplan zal worden gerealiseerd, niet wenselijk was.

Gelet op het voorgaande, ziet de Afdeling in hetgeen TT Hotel Vastgoed heeft aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat het college in zoverre niet in redelijkheid omgevingsvergunning kon verlenen voor het bouwplan.

8. Voor zover TT Hotel Vastgoed betoogt dat het college ten onrechte geen voorschriften aan de omgevingsvergunning heeft verbonden die betrekking hebben op de te verwachten geluidsoverlast voor leerlingen van het TT-Institute door activiteiten op het TT-Circuit, nu de geluidsnormen worden overschreden, wordt, onder verwijzing naar overweging 6.2, overwogen dat de hiervoor door haar gestelde geluidsnormen niet kennelijk strekken tot bescherming van haar belangen. Gelet hierop kan hetgeen TT Hotel Vastgoed aanvoert niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Daarom ziet de Afdeling af van een verdere inhoudelijke bespreking van hetgeen terzake is aangevoerd.

9. TT Hotel Vastgoed betoogt dat in de ruimtelijke onderbouwing niet is ingegaan op de geluidhinder die door het TT-Institute wordt veroorzaakt. Zij voert daartoe aan dat de te verrichten opleidingsactiviteiten hinder zullen veroorzaken voor het TT Hotel dat zal worden gerealiseerd in de directe omgeving van het TT-Institute.

9.1. Een hotel kan, hoewel het geen geluidgevoelig object is in de zin van de Wet geluidhinder, worden aangemerkt als een object dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening bescherming tegen geluidhinder behoeft, nu hier regelmatig mensen zullen verblijven en waar blootstelling aan geluid kan leiden tot hinder. Het college heeft, mede onder verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing, voldoende gemotiveerd dat overlast voor de hotelgasten niet dan wel zeer beperkt zal zijn en daarom geen aanleiding bestond de omgevingsvergunning te weigeren. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het TT-Institute op meer dan 50 m van het geplande hotel komt te liggen, tussen het TT-Institute en het hotel andere bebouwing zal worden gerealiseerd en van andere bronnen in directe omgeving, zoals het TT-Circuit, meer geluidseffecten te verwachten zullen zijn. Voor zover TT Hotel Vastgoed betoogt dat de gasten van haar hotel overlast zullen ondervinden van de ontsluiting van het TT-Institute wordt overwogen dat de ontsluiting zal plaatsvinden aan de oostzijde van het TT-Institute en niet aan de zijde waar het hotel zal worden gerealiseerd.

Het betoog faalt.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Pieters

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2013

473.