Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY8551

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
16-01-2013
Zaaknummer
201206149/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juli 2010 heeft het college aan [appellant] vergunning verleend voor het veranderen van de N282 Breda-Tilburg tussen km 9.300 en km 9.400 ten behoeve van het aanleggen en hebben van een ontsluiting van een tankstationterrein aan de Rijksweg 111 te Rijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201206149/1/A3

Datum uitspraak: 16 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rijen, gemeente Gilze en Rijen,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 mei 2012 in zaak nr. 11/808 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2010 heeft het college aan [appellant] vergunning verleend voor het veranderen van de N282 Breda-Tilburg tussen km 9.300 en km 9.400 ten behoeve van het aanleggen en hebben van een ontsluiting van een tankstationterrein aan de Rijksweg 111 te Rijen.

Bij besluit van 20 januari 2011 heeft het college het door de [vennootschap] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, op de bijbehorende tekening de verhoogde middengeleider doorgetrokken tot km 9.42 en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 mei 2012 heeft de rechtbank het door [vennootschap] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 januari 2011 vernietigd en bepaald dat het college binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en [vennootschap] hebben een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 22 juni 2012 heeft het college het door [vennootschap] tegen het besluit van 20 juli 2010 gemaakte bezwaar opnieuw gedeeltelijk gegrond verklaard, op de bijbehorende tekening de verhoogde middengeleider doorgetrokken tot km 9.42 en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

[appellant] en [vennootschap] hebben een reactie op dit besluit ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 november 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. W.A.L.D.I. van Slagmaat, advocaat te Houten, het college, vertegenwoordigd door M.J.A.J. Schoenmaker en ing. J.F.N. Broecks, beiden werkzaam bij de provincie, vergezeld van ing. B.J. Louwers, werkzaam bij Accent adviseurs, en [vennootschap], vertegenwoordigd door P. Bogaers, adviseur, bijgestaan door mr. R.J.G. Ensink, advocaat te 's-Hertogenbosch, zijn verschenen.

    Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

    Ingevolge artikel 2a behouden provincies, gemeenten en waterschappen hun bevoegdheid om bij verordening regels vast te stellen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor zover die regels niet in strijd zijn met de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels en voor zover verkeerstekens krachtens deze wet zich daar niet toe lenen.

    Ingevolge artikel 1 van de Verordening wegen Noord-Brabant 2010 wordt in deze verordening en de daarop rustende bepalingen verstaan onder:

[…]

h. veranderen van de weg: uitvoeren, oprichten, hebben, in stand houden, onderhouden, wijzigen of verwijderen van de weg;

[…]

j. weg: openbare weg waarvan het onderhoud ingevolge artikel 15 van de Wegenwet bij de provincie berust, waarvoor de provincie de belangen ingevolge artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994 beschermt […].

    Ingevolge artikel 4, eerste lid, is het verboden zonder vergunning van het college de weg te veranderen.

    Ingevolge artikel 6 kan het college aan een vergunning als bedoeld in de artikelen 4 en 5 voorschriften en beperkingen verbinden.

2.    Het college heeft [appellant] vergunning verleend voor het veranderen van de N282 ten behoeve van het aanleggen en hebben van een ontsluiting van een tankstationterrein aan de Rijksweg 111 te Rijen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de verkeersveiligheid zich niet tegen verlening van de vergunning verzet, mede gelet op de in het besluit verplicht gestelde maatregelen, waaronder het verhoogd uitvoeren van een fietspad en het aanbrengen van een verhoogde middengeleider en een doorgetrokken streep tussen de rijbanen van de N282.

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit van 20 januari 2011 niet deugdelijk is gemotiveerd, nu daarin niet dan wel onvoldoende is ingegaan op hetgeen [vennootschap] heeft aangevoerd over onder meer het onderscheid in exploitatie tussen het vergunde tankstation en een tankstation aan de Europalaan, de mogelijkheid om ter hoogte van het tankstation onveilige verkeersbewegingen te maken, het tekortschieten van de in het besluit verplicht gestelde maatregelen en de invloed van de verkeersintensiteit ter plaatse op de verkeersveiligheid.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat [vennootschap] in deze zaak geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Haar belang onderscheidt zich niet van het belang van de vele gebruikers van de N282 ter plaatse van het tankstationterrein, aldus [appellant].

4.1.    Dit betoog faalt.

    Het bedrijf van [vennootschap] is gelegen in de onmiddellijke nabijheid van het tankstationterrein. Voorts is niet uitgesloten dat [vennootschap] in de bedrijfsvoering gevolgen ondervindt van de door de ontsluiting van het tankstationterrein gewijzigde situatie ter plaatse.

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte mede naar aanleiding van het door [vennootschap] overgelegde rapport van Drieweg Advies BV van 8 augustus 2011 heeft overwogen dat het college het besluit van 20 januari 2011 op onderdelen onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft ten onrechte de second opinion van Akertech niet gezien als nuancering van het rapport van Drieweg, aldus [appellant]. Voorts heeft zij volgens hem onvoldoende betekenis toegekend aan het door hem overgelegde rapport van april 2011 en een aanvullende notitie van 19 oktober 2011 van Ir. Sj. Stienstra Adviesbureau Stedelijk Verkeer B.V. Verder heeft de rechtbank ten onrechte de mogelijke uitbreiding van bedrijventerrein Haansberg en de mogelijke verbreding van de N282 meegewogen, aldus [appellant].

5.1.    Bij de rechtbank lag het besluit van het college van 20 januari 2011 ter toetsing voor. Gelet op hetgeen [vennootschap] in beroep heeft aangevoerd, diende de rechtbank onder meer te beoordelen of het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het belang van de verkeersveiligheid, de in het besluit opgenomen maatregelen in acht nemend, niet aan verlening van een vergunning voor de ontsluiting van het tankstationterrein in de weg stond.

    [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat Drieweg en Akertech in het geheel niet deskundig zijn ter zake van verkeersveiligheid. Uit de aangevallen uitspraak volgt, anders dan [appellant] stelt, dat de rechtbank heeft onderkend dat Akertech het rapport van Drieweg niet geheel onderschrijft. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geeft geen grond voor het oordeel dat de rechtbank in de rapporten van Drieweg en Akertech ten onrechte concrete aanknopingspunten heeft gevonden voor twijfel aan de juistheid van hetgeen in het besluit over verkeersveiligheid is gesteld. Er is daarom evenmin aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit op onderdelen onvoldoende is gemotiveerd.

5.2.    Het college heeft het rapport en de nadere notitie van Stienstra niet aan het besluit van 20 januari 2011 ten grondslag gelegd. Voorts heeft het college ter zitting bij de rechtbank desgevraagd verklaard dat rapport en die notitie slechts te zien als bevestiging van zijn standpunten en niet aan zijn standpunten ten grondslag te willen leggen. Onder die omstandigheden heeft de rechtbank deze stukken terecht niet meegenomen in de overwegingen.

5.3.    De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak weergegeven wat [vennootschap] heeft aangevoerd over uitbreiding van bedrijventerrein Haansberg en verbreding van de N282. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat niet is gebleken dat het college van onjuiste cijfers ten aanzien van verkeersintensiteit is uitgegaan, doch dat uit het door [vennootschap] aangevoerde volgt dat de verkeersintensiteit ter plaatse groot is en dat dit gegeven ook dient te worden meegenomen in de besluitvorming. De rechtbank heeft, anders dan [appellant] stelt, niet overwogen dat het college uitbreiding van het bedrijventerrein en verbreding van de N282 ten onrechte niet in de besluitvorming heeft betrokken.

    Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Bij besluit van 22 juni 2012 heeft het college, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [vennootschap] tegen het besluit van 20 juli 2010 gemaakte bezwaar. Dit besluit wordt op de voet van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in verbinding met artikel 6:24 van die wet, in de beoordeling betrokken.

    Aan dit besluit heeft het college een verkeerskundig advies van Accent adviseurs van 19 juni 2012 ten grondslag gelegd. Onder aanvulling van de motivering heeft het college het bezwaar van [vennootschap] opnieuw gedeeltelijk gegrond verklaard, op de bij het besluit behorende tekening de verhoogde middengeleider doorgetrokken tot km 9.42 en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

8.    [vennootschap] betoogt dat het college in het nieuwe besluit ten onrechte niet is ingegaan op in het bestemmingsplan neergelegde eisen.

8.1.    De rechtbank heeft in de uitspraak van 16 mei 2012 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud overwogen dat [vennootschap] niet wordt gevolgd in haar standpunt dat het college het bestemmingsplan bij de besluitvorming had moeten betrekken, nu dit in dit kader niet aan de orde is. Nu [vennootschap] geen hoger beroep heeft ingesteld tegen die uitspraak, dient, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2003 (zaak nr. 200206222/1), van de juistheid van die overweging te worden uitgegaan.

9.    Voorts betoogt [vennootschap] dat het college ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van de richtlijnen van CROW, een kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte. Dat in tien jaar tijd in vergelijkbare verkeerssituaties slechts één ongeval met een (brom)fietser heeft plaatsgevonden, is volgens [vennootschap] toe te schrijven aan het opvolgen van de richtlijnen van CROW. Afwijking van die richtlijnen zal dus leiden tot toename van het aantal ongevallen met fietsers, aldus [vennootschap].

9.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 juli 2009 in zaak nr. 200901398/1/H1), bestaat geen verplichting om de richtlijnen van CROW te volgen en mag, indien die richtlijnen zijn toegepast, daarvan gemotiveerd worden afgeweken.

9.2.    Volgens [vennootschap] wordt het langs de N282 liggende fietspad, in afwijking van de richtlijnen van CROW, niet achter het tankstation langs geleid, maar kruist het de inrit en uitrit van het tankstation. Volgens het college heeft het college van burgemeester en wethouders van Gilze en Rijen te kennen gegeven deze situering van het fietspad te verkiezen, omdat achter het tankstation een groep bomen is gesitueerd die dat college wenst te behouden. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de verkeersveiligheid niet aan deze situering van het fietspad in de weg staat, nu de kruisingen door gebruik van inritbanden verhoogd worden uitgevoerd. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat in vergelijkbare verkeerssituaties, waarbij gemotoriseerd verkeer en (brom)fietsen elkaar kruisen bij ontsluitingen van tankstations, in tien jaar tijd slechts één ongeval heeft plaatsgevonden waarbij een (brom)fietser was betrokken.

9.3.    [vennootschap] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit lage ongevallencijfer kan worden toegeschreven aan de omstandigheid dat vrijwel nooit wordt afgeweken van de richtlijnen van CROW en kruisingen van fietspaden en rijbanen voor gemotoriseerd verkeer bij tankstations derhalve vrijwel nooit voorkomen. Los daarvan is in het advies van Accent vermeld dat gemotoriseerd verkeer ter plaatse van de kruisingen voldoende stopzicht heeft en dat de voorrang van kruisende fietsers goed is geregeld, zodat de vormgeving van de in- en uitrit verkeersveilig is. In hetgeen [vennootschap] heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college de afwijking van de richtlijnen van CROW op deze wijze niet toereikend heeft gemotiveerd.

    Het betoog faalt.

10.    [vennootschap] betoogt voorts dat het college ten onrechte heeft gesteld dat de zogenoemde dubbelzijdigheidseis, inhoudende dat vestiging van een tankstation slechts wordt toegestaan indien ook aan de overzijde van de weg een tankstation wordt gerealiseerd, niet meer geldt. Het besluit van het college is op dit punt volgens [vennootschap] innerlijk tegenstrijdig, nu het college zich op het standpunt stelt dat gezien de situering van een tankstation aan de Europalaan is voldaan aan de dubbelzijdigheidseis.

10.1.    In een brief van het college van 9 december 2003, naar welke brief [vennootschap] heeft verwezen, heeft het college aan het college van burgemeester en wethouders van Gilze en Rijen te kennen gegeven in beginsel medewerking te willen verlenen aan de vestiging van een tankstation langs de N282 nabij km 9.400. Daarbij heeft het college onder meer als voorwaarde gesteld dat tegelijkertijd een procedure voor definitieve vestiging van een tankstation aan de overzijde van de weg moest worden begonnen, omdat volgens het destijds geldende beleid, ter voorkoming van ongewenste linksafbewegingen, enkelzijdige vestiging van een tankstation niet was toegestaan.

    In de ten tijde van het besluit van 20 juli 2010 nog als beleid van het college van kracht zijnde Module B2 van de Beleidsnota wegenbeheer, welke module handelt over de ontsluiting van tankstations, is in paragraaf 3.3 als door het college te toetsen punt opgenomen: "Eénzijdigheid of tweezijdigheid: Normaliter kan een tankstation dat is/wordt gevestigd aan één zijde van de weg, zowel door rechtsaf- als linksafbewegingen bereikt worden. De provincie wil laatstgenoemde verkeersbeweging zo veel mogelijk voorkomen indien ter plaatse geen verkeersveilige oplossing, zoals een linksafstrook, gerealiseerd kan worden. Hiertoe kan de provincie bijvoorbeeld een verhoogde middenberm aanleggen." Volgens het in Module B2 neergelegde beleid was het college derhalve ook bereid vergunning te verlenen voor een tankstation aan één zijde van de weg, mits daarbij ter waarborging van de verkeersveiligheid de nodige voorzieningen werden getroffen. Ook in de sinds 30 september 2010 geldende Regeling veranderen en gebruiken van wegen Noord-Brabant, die onder meer module B2 heeft vervangen, is geen dubbelzijdigheidseis opgenomen. [vennootschap] kan dan ook niet worden gevolgd in haar stelling dat niet duidelijk is dat de dubbelzijdigheidseis niet meer geldt. Dat het college zich bij de beoordeling van de verkeersveiligheid op het standpunt heeft gesteld dat door de situering van en de bewegwijzering naar het tankstation aan de Europalaan feitelijk toch kan worden gesproken van dubbelzijdigheid, doet daar niet aan af.

    Het betoog faalt.

11.    Verder betoogt [vennootschap] dat het college zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het belang van de verkeersveiligheid zich niet tegen verlening van vergunning verzet. Zij voert aan dat de tussen de rijbanen van de N282 aan te brengen verhoogde middengeleider het niet onmogelijk maakt om linksafbewegingen naar het tankstation te maken en dat verkeer vanaf de naastgelegen ventweg en de Haansbergseweg zal trachten de middengeleider te ontwijken, hetgeen verkeersonveilige situaties oplevert. Verder is volgens haar onvoldoende ingegaan op het onderscheid in exploitatiewijze tussen het tankstation aan de Europalaan en het thans vergunde tankstation. Daarbij stelt het college volgens haar ten onrechte dat geen relatie bestaat tussen verkeersintensiteit en verkeersveiligheid. In dat verband verwijst zij naar een gedeelte uit een door het Belgische Steunpunt Mobiliteit & Openbare Werken, spoor Verkeersveiligheid, uitgegeven onderzoeksrapport met de titel 'Verband tussen rijparameters en verkeersveiligheid - Identificatie van de parameters veilig versus onveilig rijgedrag'. Daarnaast veronderstelt het college volgens haar ten onrechte dat weggebruikers zich aan de verkeersregels zullen houden. Ten slotte is het college volgens haar onvoldoende ingegaan op de toekomstige verbreding van de N282 en de uitbreiding van bedrijventerrein Haansberg.

11.1.    In het besluit is opgenomen dat ter waarborging van de verkeersveiligheid ter hoogte van het tankstation tot na de uitrit een verhoogde middengeleider moet worden aangebracht tussen de rijbanen van de N282, aan beide zijden gevolgd door een doorgetrokken streep tot de eerstvolgende kruisingen.

11.2.    Anders dan [vennootschap] stelt, heeft het college niet tot uitgangspunt genomen dat verkeersdeelnemers de verkeersregels nooit zullen overtreden door bijvoorbeeld de doorgetrokken streep te negeren of te keren op plaatsen waar dat niet is toegestaan. Het college heeft evenwel bezien hoe groot de kans is dat dit geschiedt, waarbij in aanmerking is genomen welk risico verkeersdeelnemers lopen bij het uitvoeren van de betrokken niet-toegestane handelingen. De Afdeling acht dit uitgangspunt niet onredelijk.

11.3.    Het college heeft, onder verwijzing naar het advies van Accent, gesteld dat het tankstation door verkeer in de richting van Breda slechts door middel van een linksafbeweging via de uitrit is te bereiken door enige tijd tegen het tegemoetkomende verkeer in te rijden en slechts door middel van een U-bocht via de inrit is te bereiken. Volgens voormeld advies is nauwelijks voldoende ruimte aanwezig om de U-bocht te kunnen maken. Onder verwijzing naar dat advies heeft het college verder gesteld dat voormelde handelingen risicovol zijn, vanwege de confrontatie met verkeer dat via de uitrit het tankstation verlaat alsmede met het verkeer dat in de richting van Tilburg op de N282 rijdt. Voorts heeft het college in de besluitvorming betrokken dat er voor verkeer in de richting van Breda een alternatief tankstation is, te weten het tankstation aan de Europalaan. Dit tankstation wordt, naar het college onbetwist heeft gesteld, door middel van bewegwijzering aangeduid vóórdat verkeer in deze richting het tankstation aan de Rijksweg ziet liggen.

    Ten aanzien van het verkeer dat vanaf de ventweg en de Haansbergseweg komt, heeft het college - onder verwijzing naar het advies van Accent - gesteld dat het gaat om zeer geringe aantallen, vergeleken met het aantal voertuigen dat van de N282 gebruikmaakt. Verder heeft het college onder verwijzing naar dat advies gesteld dat de meest complexe beweging voor verkeer vanaf die wegen, te weten links afslaan naar de N282 in de richting van Tilburg, door de aanwezigheid van de middengeleider slechts mogelijk is door circa 40 m tegen het verkeer in te rijden, hetgeen risicovol is.

    Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de door [vennootschap] genoemde verkeersbewegingen dermate onwaarschijnlijk zijn dat ze de verkeersveiligheid ter plaatse niet in betekenende mate beïnvloeden.

11.4.    Het tankstation aan de Rijksweg verschilt in exploitatiewijze van het tankstation aan de Europalaan. Laatstgenoemd tankstation is bemand, verkoopt ook LPG en heeft een bijbehorende winkel, terwijl het tankstation aan de Rijksweg onbemand is en lagere brandstofprijzen hanteert.

    In navolging van het advies van Accent betwijfelt het college of vanwege de lagere brandstofprijzen meer bezoekers bij het tankstation aan de Rijksweg zijn te verwachten dan het aantal dat eerder in de besluitvorming tot uitgangspunt is genomen. Naast automobilisten die de voorkeur geven aan de lagere prijs van het onbemande tankstation, zijn er volgens het advies ook automobilisten die de voorkeur geven aan de aanvullende diensten van het bemande tankstation. Volgens het advies van Accent volgt uit berekeningen met het zogenoemde intensiteitscriterium van Slop, waarmee op basis van het aantal motorvoertuigen per etmaal kan worden bepaald of de verkeersafwikkeling van een kruispunt of t-aansluiting goed kan verlopen, dat de aansluitingen van het tankstationterrein op de N282 de verkeersstromen ook kunnen verwerken, indien een groter aantal bezoekers tot uitgangspunt wordt genomen. Nu [vennootschap] de juistheid van deze aantallen en berekeningen niet gemotiveerd heeft bestreden, geeft het door haar aangevoerde geen grond voor het oordeel dat het college in zoverre het advies van Accent niet aan het besluit ten grondslag mocht leggen.

    Anders dan [vennootschap] aanvoert, heeft het college niet gesteld dat geen relatie bestaat tussen verkeersintensiteit en verkeersveiligheid. Het college heeft slechts gesteld dat daartussen vanuit verkeerskundig oogpunt geen directe relatie bestaat, in die zin dat een grotere hoeveelheid verkeer niet per definitie leidt tot een verkeersonveiligere situatie. In het gedeelte van het onderzoeksrapport waar [vennootschap] naar verwijst, is vermeld dat de verkeersintensiteit mede bepalend is voor de mate van interactie tussen verkeersdeelnemers en daarmee geen onbelangrijke factor is bij het ontstaan van gevaarlijke verkeerssituaties. In hetzelfde gedeelte is evenwel, zoals ook is opgemerkt in een door het college overgelegd aanvullend advies van Accent van 18 september 2012, nadrukkelijk een relatie gelegd met de snelheid van de verkeersdeelnemers, die lager zal zijn bij een hogere verkeersintensiteit. Dit gedeelte van het onderzoeksrapport geeft dan ook geen grond voor het oordeel dat het college ten aanzien van de relatie tussen verkeersintensiteit en verkeersveiligheid een onjuist uitgangspunt heeft gehanteerd.

    Gelet hierop is in het door [vennootschap] aangevoerde geen grond gelegen voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het onderscheid in exploitatiewijze niet zal leiden tot verkeersonveiligheid bij het tankstation aan de Rijksweg.

11.5.    [vennootschap] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de besluitvorming over uitbreiding van bedrijventerrein Haansberg en verbreding van de N282 ten tijde van het besluit van 22 juni 2012 reeds dermate concreet was, dat het college de eventuele gevolgen daarvan voor de verkeersveiligheid in de besluitvorming had moeten betrekken. Hetgeen het college in dit verband in voormeld besluit heeft uiteengezet over de belangrijkheid van de N282, kan reeds daarom niet afdoen aan de juistheid van dat besluit.

11.6.    Al het voorgaande bijeengenomen, is de Afdeling van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het belang van de verkeersveiligheid zich niet tegen verlening van een vergunning voor de ontsluiting van het tankstationterrein verzet.

    Het betoog faalt.

12.    Het beroep is ongegrond.

13.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het beroep van de [vennootschap] tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 22 juni 2012, kenmerk 3040536, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Herweijer

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2013

640.