Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY8546

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
16-01-2013
Zaaknummer
201204659/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 januari 2007 heeft het college geweigerd aan [appellante] bouwvergunning te verlenen voor het vergroten van een voertuigstalling op het perceel [locatie] te Valkenburg aan de Geul (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Woningwet
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/311
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204659/1/A1.

Datum uitspraak: 16 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats], gemeente Valkenburg aan de Geul,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 30 maart 2012 in zaak nr. 09/676 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul.

Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2007 heeft het college geweigerd aan [appellante] bouwvergunning te verlenen voor het vergroten van een voertuigstalling op het perceel [locatie] te Valkenburg aan de Geul (hierna: het perceel).

Bij besluit van 17 maart 2009 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 maart 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 december 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. M.W.M. Pennings, advocaat te Beek Lb, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.A.M.C. Goossens, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

    Overwegingen

1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kern Valkenburg, herziening 1999" rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden".

    Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op plankaart A als woondoeleinden aangegeven gronden bestemd voor woondoeleinden en parkeervoorzieningen, niet zijnde overdekte parkeeraccommodaties voor meer dan drie auto's.

    Ingevolge het derde lid, onder b, mogen op de tot woondoeleinden bestemde gronden uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken worden opgericht die qua aard en afmetingen bij deze bestemming passen met dien verstande dat de op de plankaart A weergegeven bestaande bebouwing niet mag worden uitgebreid met uitzondering van bijgebouwen.

    Ingevolge het vierde lid, onder C, dient bij het verlenen van vrijstelling als bedoeld in onder A en B het volgende in acht te worden genomen: er dient een economische noodzaak aanwezig te zijn; de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad; er mogen geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan of kunnen ontstaan; de parkeerbalans in de directe woonomgeving mag niet onevenredig nadelig worden of kunnen worden beïnvloed; aan het stedenbouwkundige beeld en aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse mag geen afbreuk worden gedaan.                         Ingevolge artikel 21, onder B, dient bij het verlenen van vrijstelling als bedoeld onder A het volgende in acht te worden genomen: de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad; er mogen geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan of kunnen ontstaan; de parkeerbalans in de directe omgeving mag niet onevenredig nadelig worden of kunnen worden beïnvloed; aan het stedenbouwkundig beeld en aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse mag geen afbreuk worden gedaan.                   

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan. Zij voert daartoe aan dat de rechtbank het door haar overgelegde rapport van 28 november 2011 van Oranjewoud ten onrechte niet in de overwegingen heeft betrokken. De aangevraagde voertuigstalling is volgens haar een "parkeervoorziening" en "ander bouwwerk" als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderscheidenlijk derde lid, onder j, van de planvoorschriften.

2.1.    De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar de uitspraken van 14 januari 2009 in zaak nr. 200802724/1, 14 december 2010 in zaak nr. 201008595/2/H1 en 8 juni 2011 in zaak nr. 201008595/3/H1 van de Afdeling overwogen dat in rechte vaststaat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Op het perceel mogen alleen bijgebouwen worden opgericht en de voertuigstalling is dat niet. De andersluidende conclusie in het rapport van Oranjewoud kan hieraan niet afdoen.

    Het betoog faalt.

3.    [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college vrijstelling diende te verlenen van het bestemmingsplan, nu het bouwplan voldoet aan de criteria voor verlening daarvan als bedoeld in artikel 8, vierde lid, onder C, en artikel 21, onder B, van de planvoorschriften. Het college heeft volgens haar onjuiste criteria toegepast en de weigering maakt inbreuk op haar eigendomsrecht. De door het college toegepaste criteria zijn niet gepubliceerd en geen beleidsregels, aldus [appellante].

3.1.    De door [appellante] aangehaalde vrijstellingsmogelijkheden met bijbehorende criteria uit het bestemmingsplan hebben geen betrekking op de strijdigheid als hier aan de orde. Reeds hierom slaagt dit betoog niet. Geen grond bestaat voorts voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de gehanteerde criteria niet aan de weigering vrijstelling te verlenen ten grondslag mocht leggen. Er bestaat geen verplichting om deze criteria vast te leggen in beleidsregels dan wel deze te publiceren.

    Ook dit betoog faalt.

4.    [appellante] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college heeft gehandeld in strijd met verschillende algemene beginselen van behoorlijk bestuur, nu het college eerder voor een voertuigstalling op het perceel een bouwvergunning heeft verleend en toen heeft geoordeeld dat er geen strijd met het bestemmingsplan is, en vervolgens bouwvergunning en vrijstelling heeft geweigerd voor de vergroting van die stalling.

4.1.    Het betoog faalt. Onder verwijzing naar eerder vermelde uitspraak van 14 januari 2009 in zaak nr. 200802724/1, wordt overwogen dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat een bestuursorgaan een gemaakte fout moet kunnen herstellen, en het college in dit geval niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld door vrijstelling te weigeren voor de vergroting van de stalling.

5.    [appellante] betoogt onder verwijzing naar het rapport van 28 november 2011 van Oranjewoud voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de voertuigstalling overeenkomstig de eerdere onherroepelijke bouwvergunning is gerealiseerd nu de bouwhoogte niet in strijd is met de bouwvoorschriften van het bestemmingsplan.

5.1.    In deze procedure is alleen de weigering bouwvergunning en vrijstelling te verlenen voor het vergroten van een voertuigstalling in het geding. Zo, naar [appellante] stelt, de stalling overeenkomstig de eerdere onherroepelijke bouwvergunning is gebouwd waardoor de tweede aangevraagde bouwvergunning niet meer nodig is voor legalisering, kan dat in een eventuele handhavingsprocedure aan de orde worden gesteld.

Het betoog faalt.

6.    [appellante] betoogt daarnaast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) is overschreden en verzoekt om schadevergoeding. Hiertoe wijst zij op het besluit op bezwaar van 1 mei 2007.

6.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 24 december 2008 in zaak nr. 200802629/1) moet de vraag of een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt (onder meer het arrest van 27 juni 2000 inzake Frydlender tegen Frankrijk, zaak nr. 30979/96, AB 2001, 86 en het arrest van 29 maart 2006 inzake Pizzati tegen Italië, nr. 62361/00, JB 2006, 134).

6.2.    Zoals de Afdeling bij dezelfde uitspraak heeft overwogen, is in een zaak die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk. Daarbij mag, zoals de Afdeling voorts in die uitspraak heeft overwogen, de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, waarbij de in 6.1 vermelde criteria onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

6.3.    Sedert de ontvangst door het college van het bezwaarschrift van [appellante] op 14 februari 2007 tegen het besluit van 9 januari 2007, zijn ten tijde van deze uitspraak van de Afdeling vijf jaar en elf maanden verstreken.

    De behandeling van het beroep van [appellante] tegen het besluit van 17 maart 2009 bij de rechtbank heeft ongeveer drie jaar geduurd. Voor de bepaling van de redelijke termijn dient de tijd die gemoeid is geweest met een poging tot oplossing van het geschil door middel van mediation gedurende welke de behandeling bij de rechtbank heeft stilgelegen, echter niet te worden meegerekend. Na aftrek van de daarmee gemoeide tijd heeft de procedure vanaf het moment van ontvangst van het bezwaarschrift tot de datum van de uitspraak van de Afdeling vijf jaar en zes maanden geduurd, waarvan twee jaar en zeven maanden bij de rechtbank. Een deel van de tijd die de procedure bij de rechtbank heeft geduurd, is toe te schrijven aan het feit dat [appellante] zeker drie keer de rechtbank heeft verzocht een zitting uit te stellen, welke verzoeken de rechtbank heeft gehonoreerd, omdat zij verhinderd was op de geplande zittingsdag of zij overwoog een deskundigenrapport op te laten stellen en in verband met het opstellen van dat rapport. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de redelijke termijn op basis van artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden.

    Het betoog faalt.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos    w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2013

414-761.