Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY8525

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
16-01-2013
Zaaknummer
201111611/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 april 2008 heeft het college geweigerd een notariële akte van erkenning van [appellant] door [vader] in de gemeentelijke basisadministratie op te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module GBA 2013/605
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201111611/1/A3.

Datum uitspraak: 16 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 september 2011 in zaak nr. 10/4456 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2008 heeft het college geweigerd een notariële akte van erkenning van [appellant] door [vader] in de gemeentelijke basisadministratie op te nemen.

Bij besluit van 4 augustus 2010 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 september 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. S.S. Jangali, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.C. Tomson, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 203, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek kan erkenning geschieden

a. bij akte van erkenning, opgemaakt door een ambtenaar van de burgerlijke stand;

b. bij notariële akte.

Ingevolge het tweede lid heeft erkenning gevolg vanaf het tijdstip, waarop zij is gedaan.

Ingevolge artikel 204, eerste lid, aanhef en onder f, is de erkenning nietig, indien zij is gedaan, terwijl er twee ouders zijn.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a sub 1˚, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: Wet gba) worden als algemene gegevens in de basisadministratie van de gemeente van inschrijving over de ingeschrevene gegevens over de burgerlijke staat opgenomen.

Ingevolge artikel 36, tweede lid, worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift, als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift, als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift, als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift, als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs van het desbetreffende feit te dienen, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, als bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

Ingevolge artikel 37, tweede lid, worden aan een geschrift, als bedoeld in artikel 36, tweede lid, aanhef en onder c, d of e, alsmede artikel 36, derde lid, geen gegevens ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten verzet.

2.    [appellant] is volgens het hem betreffende Ghanese paspoort op [1985] in Ghana geboren. Hij is sinds 31 oktober 1994 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Amsterdam. Op zijn persoonslijst is destijds niet opgenomen dat [vader] zijn vader is, omdat bij de inschrijving geen gelegaliseerde geboorteregistratie is overgelegd. Op die persoonslijst is daarom evenmin opgenomen dat [appellant] diens zoon is. [vader] heeft op 22 mei 1995 door naturalisatie het Nederlanderschap verkregen. Op 27 maart 2003 is een notariële akte van erkenning door [vader] opgemaakt.

3.    Het college heeft aan het besluit van 8 april 2008 ten grondslag gelegd dat deze erkenning nietig is, omdat [appellant] volgens een geboorteakte van [1994] op 27 maart 2003 een wettige vader had. Hiervan is eerst bij verificatieonderzoek in 2007 gebleken en dat heeft ertoe geleid dat het college de afstamming van [appellant] tot [vader] alsnog in de gemeentelijke basisadministratie heeft opgenomen, omdat [vader] daarin als informant, zijnde de aangever, en vader wordt genoemd.

4.    Bij brief van 5 september 2008 heeft [appellant] The Registrar of Births and Deaths te Accra (hierna: Registrar) verzocht om de geboorteakte van [1994] te wijzigen. Op 7 oktober 2008 is de akte gewijzigd. Als informant wordt niet langer [vader] genoemd, maar [tante], naar gesteld een tante van [appellant]. Volgens [appellant] moet de aldus gewijzigde geboorteakte, afgegeven op 28 april 2009, worden geaccepteerd, zodat hij op 27 maart 2003 geen wettige vader had en de akte van erkenning alsnog in de gemeentelijke basisadministratie wordt opgenomen.

5.    Aan het besluit van 4 oktober 2010 heeft het college ten grondslag gelegd dat terecht op grond van de geboorteakte van [1994] in de gemeentelijke basisadministratie is opgenomen dat [vader] de vader is van [appellant], hetgeen betekent dat de latere erkenning geen rechtskracht heeft en tevens dat [appellant] niet de Nederlandse nationaliteit heeft.

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte aan de gewijzigde geboorteakte is voorbijgegaan. Van de geboorteakte van [1994] mocht niet meer worden uitgegaan, nu hij heeft aangetoond dat zijn vader destijds niet de aangever was en aldus ten onrechte als informant is genoemd. Hij verwijst daarbij naar een door zijn [oom] op 8 september 2011 onder ede tegenover een notaris in Ghana afgelegde verklaring, de verklaring van de Registrar van 29 maart 2011 en de op 28 april 2009 afgegeven gelegaliseerde gewijzigde geboorteakte. Verder is niet vereist dat de Registrar een inhoudelijke reden voor een wijziging opgeeft. Hij heeft niet eerder op de geboorteregistratie van [1994] gewezen, omdat hij van het bestaan ervan niet op de hoogte was, aldus [appellant].

6.1.    De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet op de geboorteakte van [1994] heeft mogen afgaan. Daartoe heeft zij terecht in aanmerking genomen dat [vader] [appellant] in 1994 in Ghana heeft opgehaald en naar Nederland heeft gebracht en op 31 oktober 1994 in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Amsterdam heeft ingeschreven. De authenticiteit van de geboorteakte van [1994] is bij verificatieonderzoek in 2007 vastgesteld en later ook als zodanig door de Registrar erkend. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college niet aan de juistheid van die akte heeft hoeven twijfelen. De verklaring van [oom] over wat hij zich van de aangifte uit 1994 herinnert heeft zij daarvoor terecht onvoldoende geacht. [oom] heeft op 8 september 2011 weliswaar gesteld dat zijn op dat moment reeds overleden [zuster] destijds de informant was, maar die stelling niet aannemelijk gemaakt. Aan de omstandigheid dat hij die verklaring onder ede tegenover een notaris in Ghana heeft afgelegd, heeft de rechtbank voorts terecht niet de betekenis gehecht die [appellant] daaraan gehecht wilde zien.

Niet in geschil is dat de Registrar ingevolge artikel 30, tweede lid, van de Registration of Births and Deaths Act een "error or omission" in een geboorteregistratie kan corrigeren. Volgens de brief van de Registrar van 29 maart 2011 is na onderzoek gebleken dat [vader] destijds niet de informant was. Nu uit de stukken niet volgt dat de Registrar verder onderzoek heeft gedaan, dan wel andere aanwijzingen dan de verklaring van [oom] aan de wijziging ten grondslag heeft gelegd, heeft de rechtbank evenzeer terecht door [appellant] niet aannemelijk gemaakt geacht dat aan die wijziging deugdelijk onderzoek ten grondslag heeft gelegen. Zij heeft daarbij voorts terecht in aanmerking genomen dat de Registrar geen inhoudelijke reden voor de wijziging van de naam van de informant in het register heeft gegeven. Dat daartoe voor de Registrar, naar [appellant] stelt, geen verplichting bestond, heeft de rechtbank terecht niet tot het oordeel geleid dat het college aan het ontbreken ervan geen gevolgen mocht verbinden.

Het betoog faalt.

7.    Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat uit artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden voortvloeit dat het college de gevolgen van het feit dat hij geen andere bewijsmiddelen heeft om aan te tonen dat de Registrar juist heeft gehandeld niet voor zijn rekening heeft mogen laten, faalt dit betoog, gelet op het bepaalde in artikel 36, tweede lid, van de Wet gba, gelezen in verbinding met artikel 37, tweede lid, van die wet. Dat de rechtbank geen nader onderzoek naar de vermelding en de wijziging van de informant op de geboorteakte heeft gedaan, betekent niet dat zij tekort is geschoten. Zij had te beoordelen of het besluit van 4 augustus 2010 rechtmatig was.

8.    [appellant] betoogt tot slot dat, als [vader] wel de informant bij de aangifte is geweest, dit onvoldoende is om erkenning op te baseren.

8.1.    Dat heeft hij voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak en er geen reden is aan te nemen dat het niet in beroep kon worden aangevoerd, kan het reeds om die reden niet leiden tot het ermee beoogde resultaat.

9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Nell, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb    w.g. Nell

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2013

597.