Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY8523

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
16-01-2013
Zaaknummer
201111741/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:5614, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 12 januari 2011 heeft de adjunct-secretaris van de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam aan [appellant] laten weten dat en waarom hij meent dat de periode gedurende welke [appellant] als advocaat op de Nederlandse Antillen was ingeschreven buiten beschouwing moet blijven bij de berekening van de periode gedurende welke een advocaat in Nederland ingeschreven is geweest, ter beoordeling of hij voldoende jaren als zodanig werkzaam is geweest om een patronaat te kunnen uitoefenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201111741/1/A3.

Datum uitspraak: 16 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 september 2011 in zaak nr. 11/1194 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten.

Procesverloop

Bij brief van 12 januari 2011 heeft de adjunct-secretaris van de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam aan [appellant] laten weten dat en waarom hij meent dat de periode gedurende welke [appellant] als advocaat op de Nederlandse Antillen was ingeschreven buiten beschouwing moet blijven bij de berekening van de periode gedurende welke een advocaat in Nederland ingeschreven is geweest, ter beoordeling of hij voldoende jaren als zodanig werkzaam is geweest om een patronaat te kunnen uitoefenen.

Bij besluit van 9 maart 2011 heeft de Algemene Raad het door [appellant] daartegen ingestelde administratieve beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 29 september 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Algemene Raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.J.G. Schroeder, advocaat te Voorburg, en de Algemene Raad, vertegenwoordigd door mr. M.E. Veenboer, werkzaam bij het Bureau van de Nederlandse Orde van Advocaten, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Stageverordening 2005 (hierna: de Stageverordening) behoeft elk patronaat de goedkeuring van de Raad van Toezicht.

Ingevolge het derde lid kan een advocaat slechts patroon zijn indien hij gedurende ten minste zeven jaren als zodanig in Nederland ingeschreven is geweest, dan wel hij overeenkomstig artikel 2a van de wet is ingeschreven en ten minste vier jaren in Nederland ingeschreven is geweest.

Ingevolge het vierde lid is de Raad van Toezicht bevoegd in bijzondere gevallen de in het derde lid bedoelde termijn van zeven jaren, respectievelijk vier jaren te verkorten, doch niet tot minder dan vijf jaren respectievelijk twee jaren.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef onder d en e, staat tegen de weigering van de goedkeuring van een patronaat als bedoeld in artikel 4, eerste lid, en tegen de weigering de inschrijftermijn van zeven jaar als advocaat als bedoeld in artikel 4, vierde lid, te verkorten voor belanghebbenden administratief beroep open op de Algemene Raad.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge het tweede lid wordt onder beschikking verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.

Ingevolge het derde lid wordt aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

2.    De Algemene Raad heeft aan het besluit van 9 maart 2011 ten grondslag gelegd dat [appellant] geen aanvraag heeft ingediend als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb, nu het verzoek van [appellant] moet worden geplaatst in het kader van artikel 4 van de Stageverordening betreffende de goedkeuring van een patronaat. Een goedkeuring van een patronaat, als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, is eerst dan aan de orde, indien ook een stagiaire bekend is waarover dat patronaat zou moeten worden gevoerd. Nu in het geval van [appellant] geen stagiaire bekend was, kon de Raad van Toezicht [appellant] slechts in algemene zin informeren over de toepassing van artikel 4, derde en vierde lid, van de Stageverordening. Een dergelijke mededeling is volgens de Algemene Raad niet een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, omdat ze niet is gericht op rechtsgevolg.

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de Algemene Raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] met zijn brief van 3 januari 2011 geen aanvraag heeft ingediend. Hiertoe heeft zij overwogen dat de Algemene Raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat een beslissing over de termijn als bedoeld in artikel 4, derde en vierde lid, van de Stageverordening niet los kan worden gezien van de goedkeuring van een patronaat in een concreet geval. De brief van de Algemene Raad van 12 januari 2011 kan derhalve niet worden aangemerkt als een besluit, maar slechts als een voorlichtende mededeling waarvan de inhoud niet is gericht op enig rechtsgevolg. De Algemene Raad heeft het administratieve beroep van [appellant] terecht niet-ontvankelijk verklaard, aldus de rechtbank.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Algemene Raad zijn administratieve beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij voert hiertoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat hij een aanvraag heeft ingediend in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb waarop een appellabel besluit diende te worden genomen. Hij heeft immers het voorgeschreven formulier "Verzoek tot verkorting van de termijn van zeven jaar / vier jaar ex artikel 4 lid 3 en 4 Stageverordening" gebruikt. Hij heeft hiermee beoogd te bereiken dat hij eerder het patronaat zou kunnen uitoefenen, indien een stagiaire zich zou aandienen. Dit is het rechtsgevolg dat hij beoogde. Indien het verzoek wegens het ontbreken van een stagiair niet kon worden ingewilligd, had het moeten worden afgewezen bij besluit, zodat daartegen rechtsmiddelen zouden openstaan. De rechtbank heeft dit miskend, aldus [appellant].

4.1.    Een verzoek van een belanghebbende is een aanvraag, als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb, indien aan een bestuursorgaan is verzocht om een schriftelijke beslissing inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Op 3 januari 2011 heeft [appellant] een ingevuld formulier "Verzoek tot verkorting van de termijn van zeven jaar / vier jaar ex artikel 4 lid 3 en 4 Stageverordening" aan de Raad van Toezicht gezonden. Daarin heeft hij te kennen gegeven dat hij verkorting van de termijn wenst, omdat hij van 14 augustus 2001 tot 22 januari 2009 als advocaat werkzaam was op Curaçao. Met de toezending van het formulier heeft [appellant] de Raad van Toezicht verzocht gebruik te maken van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Stageverordening. De brief van 3 januari 2011 dient derhalve te worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Dat [appellant] bij brief van 10 januari 2011, als reactie op het verzoek van de Raad van Toezicht om nadere informatie, te kennen heeft gegeven dat hij duidelijkheid wenst te krijgen over het tijdstip waarop hij als patroon kan fungeren, leidt, anders dan de Algemene Raad heeft gesteld, niet tot het oordeel dat geen aanvraag meer voorlag. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.

4.2.    De Afdeling ziet zich voorts voor de vraag gesteld of de reactie van de Raad van Toezicht van 12 januari 2011 kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen op voet van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder e, van de Stageverordening administratief beroep kon worden ingesteld.

In de brief van 12 januari 2011 heeft de adjunct-secretaris van de Raad van Toezicht aan [appellant] te kennen gegeven dat en waarom hij meent dat de periode gedurende welke [appellant] als advocaat op de Nederlandse Antillen stond ingeschreven niet kan leiden tot een verkorting van de termijn als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Stageverordening. Deze mededeling is geen door of namens de Raad van Toezicht genomen besluit. Ze is louter informatief van aard en bevat bovendien slechts het oordeel van de adjunct-secretaris van de Raad van Toezicht. De rechtbank heeft derhalve, zij het op onjuiste gronden, terecht geoordeeld dat de brief van 12 januari 2011 niet kan worden aangemerkt als een besluit. Tegen die brief kon daarom geen administratief beroep worden ingesteld.

Voor zover de Algemene Raad zich op het standpunt heeft gesteld dat een verzoek om verkorting van de termijn als bedoeld in artikel 4, derde en vierde lid, van de Stageverordening alleen kan worden beoordeeld tezamen met de beoordeling van een aanvraag om goedkeuring van een bepaald patronaat waarbij een bepaalde stagiair is voorgedragen, kan dat, wat daar verder van zij, niet leiden tot het oordeel dat de Raad van Toezicht daarom geen besluit hoefde te nemen. De brief van 3 januari 2011 dient immers, gelet op hetgeen in 4.1. is overwogen, te worden aangemerkt als een aanvraag. Indien de Raad van Toezicht van mening was dat in het geval van [appellant] de termijn niet kon worden verkort dan wel dat hij over onvoldoende informatie beschikte om daarover een beslissing te kunnen nemen, laat dit onverlet dat een besluit diende te worden genomen, waartegen [appellant] rechtsmiddelen had kunnen aanwenden. Gelet hierop dient de Raad van Toezicht alsnog een besluit te nemen op het verzoek van [appellant] om verkorting van de termijn als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Stageverordening.

Nu tegen de brief van 12 januari 2011 geen administratief beroep kon worden ingesteld, heeft de rechtbank evenwel terecht geoordeeld dat de Algemene Raad het administratieve beroep van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Klein

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2013

176-730.