Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY8508

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
16-01-2013
Zaaknummer
201208924/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2012:BX3467, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2011 heeft het college een projectbesluit genomen ten behoeve van het oprichten van twaalf appartementen op de locatie De Drink 1 te Tegelen (hierna: het bouwplan).

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Burgerlijk Wetboek Boek 5
Burgerlijk Wetboek Boek 5 50
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208924/1/A1.

Datum uitspraak: 16 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Tegelen, gemeente Venlo,

tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Roermond van 13 maart 2012 en de uitspraak van 31 juli 2012 in zaken nrs. 11/1075, 11/1101, 11/1162 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Venlo.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2011 heeft het college een projectbesluit genomen ten behoeve van het oprichten van twaalf appartementen op de locatie De Drink 1 te Tegelen (hierna: het bouwplan).

Bij besluit van 11 juli 2011 heeft het college met gebruikmaking van het projectbesluit voor het bouwplan bouwvergunning verleend.

Bij tussenuitspraak van 13 maart 2012 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld binnen vier weken gebreken in de besluiten te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij beslissing van 13 april 2012 heeft de rechtbank de hersteltermijn met vier weken verlengd.

Bij brief van 17 april 2012 heeft het college de rechtbank meegedeeld op welke wijze het gebrek is hersteld.

Bij uitspraak van 31 juli 2012 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellante] tegen die besluiten ingestelde beroep gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraken heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 december 2012, waar [appellante], bijgestaan door mr. R. Bormans, en het college, vertegenwoordigd door J.M.G. Vincken, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. A.A. van den Brand, advocaat te Eindhoven, als partij gehoord.

Overwegingen

1.    Het bouwplan voorziet in de oprichting van een appartementencomplex op de hoek van De Drink en de Industriestraat, bestaande uit twaalf appartementen, verdeeld over vijf woonlagen. Aan de oostzijde van het complex zijn ten behoeve van het bouwplan zestien parkeerplaatsen voorzien.

Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan "Centrum Tegelen", waarin het perceel de bestemming "Maatschappelijk" heeft. Tevens is het perceel in het bestemmingsplan aangeduid als Wro-zone-wijzigingsgebied.

Ingevolge artikel 26.4 van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd ter plaatse van deze aanduiding de bestemming "Maatschappelijk" te wijzigen in "Wonen" ten behoeve van gestapelde woningbouw. Het college heeft aan het bouwplan medewerking verleend door een projectbesluit te nemen met toepassing van artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening.

2.    Het hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank, dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven.

[appellante], woonachtig op het belendende perceel [locatie], betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college het vertrouwensbeginsel heeft geschonden door het projectbesluit te nemen en de gevraagde bouwvergunning te verlenen. Daartoe voert zij aan dat de in de brief van de wethouder Ruimte en Wonen van 5 maart 2008 vermelde randvoorwaarden voor herontwikkeling van het perceel voldoende concreet en ondubbelzinnig zijn om succesvol beroep te kunnen doen op dat rechtsbeginsel.

2.1.    Niet langer in geschil is dat de mededelingen, die door de wethouder in de brief van 5 maart 2008 zijn gedaan, aan het college kunnen worden toegerekend. Volgens deze brief is de gemeente bereid onder voorwaarden medewerking te verlenen aan herontwikkeling van het perceel. Daartoe zijn in de brief de randvoorwaarden gesteld dat de vijfde bouwlaag als "setback" wordt gerealiseerd en omwille van de privacy van de belendende percelen vanaf de derde bouwlaag geen transparante glasopeningen naar deze percelen in de gevels worden aangebracht. Uit de brief volgt niet dat de vijfde bouwlaag in zijn geheel als setback dient te worden uitgevoerd. Voorts strekt de andere randvoorwaarde niet zover, dat het college nooit medewerking zou kunnen verlenen aan een bouwplan met naar de belendende percelen gerichte transparante ramen. De brief is niet aan [appellante], maar aan projectontwikkelaar [belanghebbende] gericht. De rechtbank heeft voorts terecht in aanmerking genomen dat de randvoorwaarden zijn gesteld toen nog geen concreet bouwplan voorlag, waarbij is uitgegaan van de toenmalige planologische mogelijkheden. De omvang en situering van het aangevraagde bouwplan zijn voor omwonenden gunstiger dan hetgeen ten tijde van de brief van 5 maart 2008 planologisch mogelijk was. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het vertrouwen van [appellante] dat aan de randvoorwaarden zou worden voldaan gerechtvaardigd was, daargelaten of deze voldoende concreet en ondubbelzinnig zijn. In artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, dat beperkingen stelt aan de aanwezigheid van vensters of andere muuropeningen binnen twee meter van de erfgrens, heeft de rechtbank voorts terecht geen grond gevonden voor een ander oordeel. Dit artikel staat niet in de weg aan de mogelijkheid afspraken te maken over de privacy van de buren.

Het betoog faalt.

3.    [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat door realisering van het bouwplan een verkeersonveilige situatie zal ontstaan, gelet op de situering van de in- en uitrit op tien meter van een rotonde. Zij wijst erop dat de Industriestraat een smalle straat is en de toegang naar het parkeerterrein met een poort is afgesloten, zodat auto’s op straat zullen moeten wachten tot deze is geopend. Daarbij is de in- en uitrit recht tegenover de hoofdingang van het bestaande appartementencomplex aan de overzijde voorzien, hetgeen tot verkeersonveiligheid en overlast zal leiden.

3.1.    Volgens het college is ervan uitgegaan dat de twaalf voorziene appartementen ongeveer 60 verkeersbewegingen per dag met zich zullen brengen. [appellante] heeft dit aantal niet betwist. Voorts is niet in geschil dat De Drink een doorgaande weg is, terwijl het gedeelte van de Industriestraat waar de ontsluiting is voorzien is aangewezen als 30 km-zone. Gelet op de inrichting van de Industriestraat als verblijfsgebied en het beperkte aantal verwachte verkeersbewegingen heeft de rechtbank in de omstandigheid dat de ontsluiting op tien meter van de rotonde en tegenover de in- en uitrit van een bestaand appartementencomplex is gesitueerd terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college uit een oogpunt van verkeersveiligheid en het voorkomen van overlast niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met de voorziene ontsluiting. Dat de ingang naar het parkeerterrein een afsluitbare poort krijgt, maakt dit niet anders. Ter zitting is gebleken dat gelet op de plaats van deze poort voldoende ruimte aanwezig is voor een wachtende auto zonder dat het doorgaande verkeer wordt geblokkeerd.

Het betoog faalt.

4.    [appellante] betoogt verder dat de rechtbank bij het beoordelen van de gevolgen van het bouwplan voor haar woon- en leefklimaat heeft miskend dat het bouwplan voorziet in een bouwwerk ten behoeve van een woonbestemming, dat een veel intensiever gebruik met zich brengt dan ingevolge de bestemming "Maatschappelijk".

4.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het gebruik van het appartementencomplex 24 uur per dag en zeven dagen in de week weliswaar van invloed zal zijn op de privacy van [appellante], maar dat geen sprake is van een zodanige aantasting daarvan, dat het college in redelijkheid niet tot zijn besluit heeft kunnen komen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college bij afweging van de betrokken belangen heeft mogen betrekken dat het bestemmingsplan ter plaatse bebouwing tot op de perceelgrens mogelijk maakt, terwijl het bouwplan op een afstand van drie tot elf meter van de perceelgrenzen is voorzien. Voorts volgt uit artikel 13 van de planvoorschriften dat de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden onder meer voor school, kinder- en jeugdopvang, bibliotheek en verenigingsgebouw kunnen worden gebruikt. Niet valt in te zien dat deze gebruiksfuncties minder ruimtelijke uitstraling hebben dan wonen. Tevens komt betekenis toe aan het feit dat het bestemmingsplan de bevoegdheid bevat de bestemming "Maatschappelijk" onder voorwaarden te wijzigen in "Wonen".

Het betoog faalt.

5.     [appellante] betoogt tenslotte dat de rechtbank heeft miskend dat het college een te lage parkeernorm heeft gehanteerd. Daartoe voert zij aan dat de door het college gehanteerde parkeernorm van 1,3 bedoeld is voor woningen in de middenklasse, terwijl de voorziene appartementen tot het dure segment behoren. Voorts is in die parkeernorm volgens [appellante] geen rekening gehouden met parkeerruimte voor bezoekers.

5.1.    Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening Venlo (hierna: de Bouwverordening) moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het parkeren of stallen van motorvoertuigen op meer dan twee wielen, in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het daarbij behorende, onbebouwd blijvende terrein.

Ingevolge het vierde lid wordt in voldoende mate in de behoefte aan parkeerruimten als bedoeld in het eerste lid voorzien, indien wordt voldaan aan de parkeernormen uit de deelnota Bereikbaarheid en Parkeren van het Gemeentelijk verkeer- en vervoersplan, vastgesteld door de gemeenteraad op 30 mei 2007. In bijlage 13 is de tabel met parkeernormen uit dit verkeer- en vervoersplan opgenomen.

5.2.    Naar aanleiding van de tussenuitspraak van de rechtbank heeft het college zijn besluiten op het punt van parkeren nader gemotiveerd. Daarbij heeft het college verwezen naar artikel 2.5.30 van de Bouwverordening en de daarbij behorende bijlage 13. Bijlage 13 bevat een tabel met parkeernormen uit de deelnota Bereikbaarheid en Parkeren van het Gemeentelijk verkeer- en vervoersplan, vastgesteld door de gemeenteraad. Doordat in artikel 2.5.30, vierde lid, van de Bouwverordening is verwezen naar de door de gemeenteraad vastgestelde parkeernormen maken die normen deel uit van de Bouwverordening en zijn zij algemeen verbindende voorschriften geworden. In de tabel is vermeld dat ten behoeve van een middenklasse woning in het centrum van Tegelen een minimum parkeernorm geldt van 1,3 en een maximum parkeernorm van 1,5 parkeerplaatsen per woning. Het aandeel voor bezoekers van 0,3 parkeerplaatsen per woning is hierin verdisconteerd.

Mede in het licht van de ter zitting op de tabel gegeven toelichting bestaat geen grond voor het oordeel, dat het college ten onrechte is uitgegaan van een parkeernorm van 1,3. Dat het bouwplan voorziet in appartementen die tot het dure segment behoren, doet daaraan niet af. De tabel stelt niet de eis dat bij een duurdere woning een groter aantal parkeerplaatsen wordt gerealiseerd. De keuze voor de minimum parkeernorm van 1,3 heeft het college in redelijkheid kunnen baseren op de omstandigheid dat het bouwplan is gesitueerd in de nabijheid van het treinstation van Tegelen, op ongeveer 100 m van een grote openbare parkeerplaats.

Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos    w.g. Hanrath

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2013

392.