Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY8500

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
16-01-2013
Zaaknummer
201204102/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juni 2011 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan de Stichting Utrechtse Corps Huizen (hierna: de stichting) voor het verbouwen van een kantoor tot woongebouw ten behoeve van kamergewijze verhuur op het perceel Boothstraat 3 te Utrecht.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 3.7
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 3.10
Besluit omgevingsrecht
Besluit omgevingsrecht 2.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204102/1/A1.

Datum uitspraak: 16 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 maart 2012 in zaak nr. 11/3511 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2011 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan de Stichting Utrechtse Corps Huizen (hierna: de stichting) voor het verbouwen van een kantoor tot woongebouw ten behoeve van kamergewijze verhuur op het perceel Boothstraat 3 te Utrecht.

Bij besluit van 14 september 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 maart 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de stichting een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 oktober 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. L.A. Agterberg, advocaat te Utrecht, en het college van burgemeester en wethouders van Utrecht, vertegenwoordigd door mr. H.P. de Keijzer, advocaat te Utrecht, zijn verschenen. Voorts is de stichting, vertegenwoordigd door mr. L.M. Muetstege, advocaat te Utrecht, [bestuurslid] en [voorzitter], van de stichting, ter zitting gehoord.

Overwegingen

1.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) ten behoeve van het project geen uitgebreide voorbereidingsprocedure diende te worden toegepast. Hij voert hiertoe aan dat het college bij het besluit van 6 juni 2011 tevens vergunning heeft verleend voor de in artikel 2.1, eerste lid, onder d, van de Wabo genoemde activiteit het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk in met het oog op de brandveiligheid bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen. Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, onder b, is in dat geval afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing, aldus [appellant].

1.1.    Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo, voor zover hier van belang, is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk;

d. het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk in met het oog op de brandveiligheid bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën van gevallen.

Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van deze wet, voor zover hier van belang, is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) is, voor zover thans van belang, als categorie van gevallen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d, van de Wabo, aangewezen het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk waarin bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft aan meer dan 10 personen, dan wel het in afwijking daarvan bij de bouwverordening, bedoeld in artikel 8 van de Woningwet, bepaalde aantal personen.

1.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de onderhavige verhuur van appartementen aan 17 studenten geen activiteit is als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo, nu de verhuur van kamers aan studenten niet valt aan te merken als bedrijfsmatig of in het kader van verzorging verschaffen van nachtverblijf als bedoeld in artikel 2.2 van het Bor, eerste lid, aanhef en onder a. De bewoners van de kamers in het te realiseren studentenhuis hebben geen nachtverblijf als bedoeld in laatstgenoemde artikel maar zullen in dat pand zijn gehuisvest. De rechtbank heeft hierbij verder terecht in aanmerking genomen dat blijkens de Nota van toelichting van het Bor (Stb. 2010, 143, pagina's 82 en 83) onder dergelijk verblijf bijvoorbeeld wordt verstaan het gebruik van gebouwen ten behoeve van ziekenhuizen, verpleeghuizen, pensions en hotels, omdat dit vormen van gebruik zijn die als meest risicovol worden aangemerkt. Onder meest risicovol wordt blijkens de Nota van toelichting in dit geval verstaan: een verhoogde kans op negatieve gevolgen van een eenmaal uitgebroken brand voor de veiligheid van personen. Het gaat blijkens de Nota van toelichting om de aanwezigheid van grotere aantallen mensen in een wellicht kwetsbare situatie of om minder zelfredzame mensen.

Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college terecht de procedure zoals voorgeschreven in artikel 3.7, van de Wabo heeft toegepast, nu geen omgevingsvergunning voor de activiteit brandveilig gebruik bouwwerken is vereist en heeft de rechtbank derhalve terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het besluit van 14 september 2011 in strijd met artikel 3.10 van de Wabo is genomen. Dat het college de activiteit uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo in het besluit van 6 juni 2011 noemt, leidt niet tot een ander oordeel. Deze vermelding berust, zoals het college ter zitting bij de Afdeling heeft toegelicht, op een verschrijving die is hersteld in het besluit op bezwaar van 14 september 2011.

Het betoog faalt.

2.    Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen gebruiksvergunning krachtens het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (hierna: het Gebruiksbesluit) is vereist voor de kamerverhuur faalt evenzeer, nu de in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo opgenomen activiteit de voorheen in artikel 2.11.1 van het Gebruiksbesluit opgenomen gebruiksvergunning bevat en, gelet op hetgeen in overweging 1.2 is overwogen, voor deze activiteit geen omgevingsvergunning is vereist. De rechtbank heeft in dit kader terecht overwogen dat ingevolge artikel 2.12.1 van het Gebruiksbesluit in dit geval kon worden volstaan met een gebruiksmelding.

3.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte omgevingsvergunning heeft verleend, aangezien het bouwplan in strijd is met het Bouwbesluit 2003. Hij voert hiertoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan voorziet in onvoldoende ventilatiemogelijkheden, nu een dakraam niet verder kan worden geopend dan 45 graden en de kelder niet voldoet aan de in het Bouwbesluit 2003 opgenomen minimale bouwhoogte van 2.6 m. Daarnaast leidt de buitentrap niet naar de openbare weg, waardoor deze trap niet als vluchtroute kan worden aangemerkt en overschrijden de maximale loopafstanden op de gehele tweede verdieping de maximale lengte, zoals opgenomen in artikel 2.146, zesde lid, van het Bouwbesluit 2003 waardoor geen veilige vluchtroute aanwezig is.

3.1.    Ingevolge artikel 4 van de Woningwet, zoals dat gold ten tijde van het nemen van het besluit van 14 september 2011, zijn de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens de in artikel 2 genoemde algemene maatregel van bestuur, van toepassing op elk bouwen, en op de staat van elk bestaand bouwwerk en van elke bestaande standplaats. Indien een bouwwerk of standplaats gedeeltelijk wordt vernieuwd, veranderd of vergroot, zijn die voorschriften, voor zover zij betrekking hebben op het bouwen, slechts van toepassing op die vernieuwing, verandering of vergroting.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, kan bij een voorschrift, gegeven bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur, worden bepaald dat burgemeester en wethouders van dat voorschrift ontheffing kunnen verlenen tot een bij dat voorschrift aangegeven niveau.

Ingevolge artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003 behoeft niet te worden voldaan aan een in het tweede tot en met zesde hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis, voorzover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift.

3.2.    Voor zover [appellant] betoogt dat het aanbrengen van rookmelders en het verwijderen van een wand in de revisietekening van 20 december 2011 tot het oordeel dient te leiden dat de stichting een nieuwe aanvraag had moeten indienen, faalt dit betoog.  Bedoelde wijzigingen kunnen, zoals het college ter zitting heeft toegelicht, worden aangemerkt als wijzigingen van ondergeschikte aard. Voorts is niet gebleken dat de belangen van [appellant] door het indienen van de gewijzigde tekening zijn geschonden, nu hij, zoals door hem is verklaard ter zitting, deze tekening destijds heeft gezien en hij derhalve in de gelegenheid is geweest daar op te reageren.

Het college heeft ter zitting toegelicht dat het aan de nieuwbouweisen van het Bouwbesluit 2003 heeft getoetst voor zover het de wijzigingen van het bouwwerk betreft en dat voor het overige is getoetst aan de in het Bouwbesluit 2003 opgenomen eisen voor bestaande bouw.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd omtrent de maximale loopafstand van de vluchtroute heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college zich niet, onder verwijzing naar het advies van de brandweer van 29 september 2011, op het standpunt heeft mogen stellen dat met het aanbrengen van gekoppelde rookmelders dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid en bruikbaarheid uitgaat als is beoogd met hetgeen is voorgeschreven in artikel 2.146, zesde lid, van het Bouwbesluit 2003. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking kunnen nemen dat de loopafstand voor bestaande bouw ingevolge artikel 2.151, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 tussen een punt in een verblijfsruimte en een toegang van het subbrandcompartiment waarin de verblijfsruimte ligt, ten hoogste 45 m bedraagt. Niet gebleken is dat niet alle in het studentenhuis voorziene kamers aan deze afstandsmaat voldoen. Dat de brandtrap onveilig en in strijd met het Bouwbesluit 2003 zou zijn, wat daar van zij, maakt het voorgaande niet anders, nu deze brandtrap, zoals ter zitting is vastgesteld, reeds was gerealiseerd vòòr het indienen van de aanvraag en voorts geen onderdeel uitmaakt van de officiële vluchtrouteaanduiding omdat die trap slechts bereikbaar is via een niet-gemeenschappelijke studentenkamer.

Verder heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de bouwhoogte van de kamer met kamernummer -1.0 in de kelder niet voldoet aan de in het Bouwbesluit 2003 opgenomen vereiste minimale hoogte boven de vloer van een verblijfsruimte. Voor dit gedeelte van het bouwplan zijn de vereisten van de bestaande bouw uit artikel 4.30 en verder van het Bouwbesluit 2003 van toepassing. Niet gebleken is dat het bouwplan op dit punt wijzigingen teweeg brengt ten opzichte van de bestaande hoogte van verblijfsruimten boven de vloer als bedoeld in de voormelde artikelen van het Bouwbesluit 2003. Evenmin is gebleken dat de overige ruimten in de kelder niet voldoen aan de in het Bouwbesluit 2003 gestelde eisen.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ten aanzien van de draagkrachtvereisten en ventilatiemogelijkheden heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan niet in strijd is met het Bouwbesluit 2003. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat door de ondergeschikte aanpassing van het bouwplan een zodanige wijziging heeft plaatsgevonden dat het bouwplan niet meer voldoet aan de constructieve draagkrachtvereisten zoals opgenomen in het Bouwbesluit 2003. Voorts heeft [appellant] niet aan de hand van concrete gegevens aannemelijk gemaakt dat het bouwplan onvoldoende ventilatiemogelijkheden heeft en derhalve niet voldoet aan de ter zake daarvan in het Bouwbesluit 2003 gestelde vereisten.

Ook anderszins is door [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het bouwplan niet voldoet aan de daaraan ingevolge het Bouwbesluit gestelde eisen.

Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat voor het bouwplan een omzettingsvergunning als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de Huisvestingswet gelezen in verbinding met artikel 3.1.2, sub c, van de regionale huisvestingsverordening bestuur regio Utrecht is vereist. Nu deze vergunning niet is verleend, heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte overwogen dat het college omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.

4.1.    Daargelaten of het college een omzettingsvergunning diende te verlenen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de enkele omstandigheid dat aan de stichting geen omzettingsvergunning is verleend niet betekent dat het college geen omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kon verlenen, nu de Wabo een dergelijke vergunning niet als voorwaarde voor verlening van de omgevingsvergunning vereist.

Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de proportionaliteitseis uit artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), nu het bestemmingsplan de mogelijkheid biedt een studentenhuis te realiseren terwijl de brandveiligheid van het te realiseren studentenhuis onvoldoende wordt gewaarborgd door het college, de waarde van zijn woning zal dalen en hij geluidhinder ondervindt van de bewoners van het studentenhuis.

5.1.    Ingevolge artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, voorzover hier van belang, heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

5.2.    Vast staat dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. In zoverre de verlening van de omgevingsvergunning al is aan te merken als aantasting van het recht op ongestoord genot van het eigendom van [appellant], laat artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM de toepassing van wetten die noodzakelijk kunnen worden geacht om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang, onverlet. De ter plaatse geldende bestemmingsplanregeling en de toepassing daarvan is een zodanige regulering. Met die regulering is naar het oordeel van de Afdeling een goede balans bereikt tussen de bescherming van de belangen van het individu en het algemeen belang.

Het betoog faalt.

6.    Voor zover [appellant] zijn in beroep aangevoerde gronden herhaalt en inlast, vormt dit een herhaling van hetgeen hij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank is hierop in de overwegingen van de aangevallen uitspraak ingegaan. In hoger beroep heeft [appellant] geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden en argumenten in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Er bestaat derhalve ook in zoverre geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel    w.g. Montagne

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2013

374-700.