Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY8014

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-01-2013
Datum publicatie
09-01-2013
Zaaknummer
201203941/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juni 2010 heeft het college een aanvraag van [wederpartij] om vergoeding van kosten van het leerlingenvervoer van zijn [dochter] voor het schooljaar 2009/2010 afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201203941/1/A2.

Datum uitspraak: 9 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Epe,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 6 maart 2012 in zaak

nr. 11/89 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2010 heeft het college een aanvraag van [wederpartij] om vergoeding van kosten van het leerlingenvervoer van zijn [dochter] voor het schooljaar 2009/2010 afgewezen.

Bij besluit van 16 december 2010 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 23 november 2011 heeft de rechtbank een motiveringsgebrek geconstateerd in het besluit van 16 december 2010 en het college in de gelegenheid gesteld dat gebrek te herstellen.

Het college heeft hierop gereageerd.

Bij uitspraak van 6 maart 2012 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 december 2010 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 9 juli 2012 heeft het college gevolg gegeven aan de uitspraak van de rechtbank en een nieuw besluit op bezwaar genomen.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. K.A. Weerts, W. Luis-Horst en A. Bos, allen werkzaam bij de gemeente Epe, is verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, voor zover thans van belang, verstrekt het college ten behoeve van het schoolbezoek aan ouders van de in de gemeente verblijvende leerlingen die wegens hun lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken, op aanvraag bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten. De gemeenteraad stelt daartoe een nadere regeling vast, met inachtneming van hetgeen in de volgende leden is bepaald.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Epe 2010 (hierna: de Verordening), wordt in deze Verordening verstaan onder gehandicapte leerling: een leerling van een school, die door een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, kent het college ten behoeve van schoolbezoek aan de ouders van de in de gemeente verblijvende leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, verstrekt het college met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding aan de ouders van de leerling die een school voor voortgezet onderwijs bezoekt en gehandicapt is.

2.    [wederpartij] heeft op 20 april 2010 verzocht om bekostiging van het leerlingenvervoer van zijn [dochter] van en naar haar school voor voortgezet onderwijs te Apeldoorn, omdat zij vanwege een verstandelijke handicap volgens hem niet in staat is zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen. Hoewel zijn aanvraag ziet op een vergoeding voor zelfstandig reizen, heeft het college - gelet op eerdere aanvragen van [wederpartij] - de aanvraag ruim opgevat en deze behandeld als een aanvraag om vergoeding als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de Verordening.

Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 3 juni 2010, gehandhaafd bij besluit van 16 december 2010, afgewezen, nu bekostiging van vervoer naar het voortgezet onderwijs slechts mogelijk is wanneer een leerling niet zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen en [dochter] in het schooljaar 2008/2009 wel zelfstandig naar school heeft kunnen reizen. Het college heeft geen bijzondere omstandigheden aanwezig geacht op grond waarvan het zou kunnen afwijken van de Verordening overeenkomstig artikel 28 van de Verordening.

3.    De rechtbank heeft het college gevolgd in het opvatten van de aanvraag als betrekking hebbend op vergoeding bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de Verordening en geoordeeld dat het een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip "gehandicapt" in de zin van de Verordening. De rechtbank heeft in dat verband overwogen dat vast staat dat [dochter] een gehandicapte leerling is en dat daarom de kosten gemoeid met het openbaar vervoer van en naar school in aanmerking komen voor vergoeding. Om die reden heeft de rechtbank het besluit van 16 december 2010 vernietigd, en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

4.    Het college betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat [wederpartij] niet in zijn beroep ontvangen had kunnen worden, omdat in zijn beroepschrift, noch in zijn aanvullend beroepschrift gronden zijn vermeld en deze eerst ter zitting door [wederpartij] aan het college bekend zijn gemaakt. [wederpartij] heeft zich in zijn beroepschrift gericht tegen de - naar zijn mening - onzorgvuldige procedure voorafgaand aan het besluit op bezwaar. Het betoog van het college mist derhalve feitelijke grondslag.

Voor zover het college beoogd heeft te betogen dat de rechtbank ten onrechte een ter zitting aangevoerde grond heeft behandeld, faalt dit betoog eveneens. Behoudens in geschillen waar de wet anders bepaalt, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, indien die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, nieuwe gronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde zich daartegen verzet, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer. [wederpartij] had de ter zitting aangevoerde grond reeds in bezwaar ingebracht, waardoor het college daarmee bekend was en daarop, zoals ook blijkt uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting, adequaat heeft kunnen reageren. Daarom is er geen grond voor het oordeel dat de rechtbank die grond wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing had moeten laten.

5.    Het college betoogt terecht dat de rechtbank, door te overwegen dat blijkens de tekst van artikel 24, eerste lid en 25, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening niet als eis wordt gesteld dat de leerling niet zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen, er aan voorbij is gegaan dat artikel 24, eerste lid, van de Verordening, moet worden gelezen in verbinding met artikel 1, aanhef en onder d, van de Verordening. Bepalend voor de vraag of een kind gehandicapt is in de zin van de Verordening is ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Verordening of dat kind al dan niet zelfstandig gebruik van het openbaar vervoer kan maken.

6.    Het college betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat [dochter] zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Het voert daartoe aan dat [dochter] ook in het schooljaar 2008/2009 zelfstandig met het openbaar vervoer van en naar haar school in Apeldoorn heeft gereisd.

6.1.    Ter zitting is onweersproken gesteld dat het college heeft geïnformeerd bij die school en dat daaruit is gebleken dat er geen noemenswaardige problemen zijn geweest in de periode van twee jaar waarin [dochter] zelfstandig reisde. Uit het bij het bezwaarschrift gevoegd advies van J.G. van der Staaij, GZpsycholoog, blijkt voorts niet van een handicap als gevolg waarvan [dochter] niet zelfstandig gebruik zou kunnen maken van het openbaar vervoer. Ook anderszins heeft [wederpartij] niet aannemelijk gemaakt dat [dochter] zo een handicap heeft. Het college mocht zich derhalve op het standpunt stellen dat er geen handicap als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van de Verordening bij [dochter] aanwezig is, en dat de aanvraag daarom overeenkomstig artikel 24, eerste lid, van de Verordening, diende te worden afgewezen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

7.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 16 december 2010 van het college alsnog ongegrond verklaren.

8.    Bij besluit van 9 juli 2012 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding. Gelet op het voorgaande is aan dit besluit de grondslag komen te ontvallen, waardoor dit besluit dient te worden vernietigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 6 maart 2012 in zaak nr. 11/89;

III.    vernietigt het besluit van 9 juli 2012, kenmerk 2012-23164, van het college van burgemeester en wethouders van Epe;

IV.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Roemers    w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2013

47-729.