Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY8007

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-01-2013
Datum publicatie
09-01-2013
Zaaknummer
201202877/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 november 2010 heeft het CBR het rijbewijs van [appellante] ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201202877/1/A3.

Datum uitspraak: 9 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 6 februari 2012 in zaak nr. 11/360 in het geding tussen:

[appellante]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2010 heeft het CBR het rijbewijs van [appellante] ongeldig verklaard.

Bij besluit van 14 maart 2011 heeft het CBR het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 februari 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 november 2012, waar [appellante], bijgestaan door mr. L.P. Kabel, advocaat te Eindhoven en dr. J.W. Bloemers, psychiater, en het CBR, vertegenwoordigd door drs. M.M. van Dongen, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994), voor zover thans van belang, doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, voor zover thans van belang, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 134, tweede lid, besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde (lees: tweede) lid, van de Wvw 1994, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In hoofdstuk 2 van de bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid wordt een specialistisch rapport omschreven als het rapport dat het CBR ontvangt van de onafhankelijke specialist naar wie een persoon door het CBR is verwezen. Hieronder wordt tevens verstaan het rapport van een keuring in de eigen-verklaringsprocedure of onderzoek in de vorderingsprocedure, uitgevoerd door een arts onder supervisie en verantwoordelijkheid van een specialist naar wie de persoon is verwezen.

In paragraaf 8.8 getiteld "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)" is bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring — op basis van een specialistisch rapport — geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

2.    Naar aanleiding van een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 heeft het CBR aan [appellante] een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2010 en is uitgevoerd door C.J.F. Kemperman, psychiater, en M. Bakker, psycholoog. Het onderzoek bestond uit een anamnese, een lichamelijk onderzoek, een laboratoriumonderzoek en een psychiatrisch onderzoek aan de hand van de DSM-IV-TR criteria. Op grond van de bevindingen van het onderzoek heeft de psychiater geconcludeerd dat op basis van alle relevante gegevens de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin kan worden gesteld.

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het CBR haar rijbewijs terecht ongeldig heeft verklaard. Daartoe voert zij onder meer aan dat het onderzoeksrapport van Kemperman niet gezien kan worden als een specialistisch rapport als bedoeld in paragraaf 8.8 van de bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid. Hoofdstuk 2 van de bijlage staat toe dat een keuring wordt uitgevoerd door een arts onder supervisie en verantwoordelijkheid van een specialist naar wie de persoon is verwezen. Een deel van het onderzoek is echter door Bakker verricht, die geen BIG-geregistreerde arts is, aldus [appellante].

3.1.    In hoofdstuk 2 van de bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid is bepaald dat onder een specialistisch rapport tevens wordt verstaan het rapport van een onderzoek uitgevoerd door een arts onder supervisie en verantwoordelijkheid van een specialist naar wie de persoon is verwezen. Die specialist is in het geval van [appellante] een psychiater.

Het CBR heeft te kennen gegeven dat een deel van de anamnese van [appellante] is uitgevoerd door Bakker. De Afdeling heeft eerder overwogen (uitspraak van 19 december 2012 in zaak nr. 201205289/1/A3) dat nu althans een deel van het onderzoek niet is uitgevoerd door een psychiater of door een arts onder begeleiding van een psychiater, het verslag niet een specialistisch rapport is als bedoeld in paragraaf 8.8 van de bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid. Het CBR mocht het verslag van het onderzoek reeds daarom niet aan het in beroep bestreden besluit ten grondslag leggen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

4.    Reeds hierom is het hoger beroep gegrond en behoeven de andere gronden geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep van [appellante] tegen het besluit van het CBR van 14 maart 2011 ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling dat beroep gegrond verklaren. Het besluit van 14 maart 2011 komt wegens strijd met

artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking.

5.    Het CBR dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Groningen van 6 februari 2012 in zaak nr. 11/360;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen van 14 maart 2011, kenmerk 2010001060;

V.    veroordeelt de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.748,00 (zegge: zeventienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 384,00 (zegge: driehonderdvierentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2013

280-773.