Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY8005

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-01-2013
Datum publicatie
09-01-2013
Zaaknummer
201113107/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "'Reeshof Oost 2010'" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201113107/1/R3.

Datum uitspraak: 9 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1] en anderen, wonend te Tilburg,

2.    [appellant sub 2], wonend te Tilburg,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Tilburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "'Reeshof Oost 2010'" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2], de [vennootschap] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2012, waar [appellant sub 1] en [een van de andere appellanten], bijgestaan door R.J.G. Ensink, advocaat te Den Bosch, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. K.M. Peters, advocaat te Tilburg, en de raad, vertegenwoordigd door R. van Groenendaal en ing. B. van Berkel, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vennootschap], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

    Overwegingen

Het beroep van [appellant sub 1] en anderen

1.    [appellant sub 1] en anderen kunnen zich niet verenigen met de bestemming "Bedrijf - Verkoop motorbrandstoffen" die is toegekend aan het perceel Huibevendreef 18 - 22 te Tilburg. Zij betogen dat de komst van een tankstation op deze locatie zal leiden tot verkeershinder en een aantasting van de verkeersveiligheid op de openbare weg. Zij voeren aan dat uit een door AGEL Adviseurs opgesteld rapport van 28 november 2011 blijkt dat de maximale intensiteit op de Huibevendreef reeds bereikt is en dat het aantal motorvoertuigen zal toenemen door het tankstation. Voorts zal volgens hen het verkeer dat gebruik maakt van de in- en uitrit van het tankstation de doorstroming van het verkeer op de Huibevendreef beperken.

    Verder betogen [appellant sub 1] en anderen dat de verkeersveiligheid op het perceel onvoldoende is gewaarborgd.

1.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de maximale intensiteit op de Huibevendreef weliswaar is bereikt, maar dat maatregelen kunnen worden getroffen teneinde de doorstroming te bevorderen en de veiligheid op de Huibevendreef te verbeteren. Hij wijst er op dat met deze maatregelen wordt voldaan aan de aanbevelingen in het rapport van AGEL Adviseurs en dat deze maatregelen in 2012 ook zijn uitgevoerd. Zo wordt de kruising van de Huibevendreef met de Burgemeester Baron van Voorst tot Voorstweg voorzien van een extra linksafstrook, die de doorstroming op de Huibevendreef en daarmee de veiligheid bevordert. Ook is op de kruising van de Huibevendreef met de Dalfsenstraat de strook voor rechtsafslaand verkeer naar de Dalfsenstraat verwijderd. Hierdoor ontstaat meer ruimte voor het invoegend verkeer vanuit de Dalfsenstraat hetgeen de veiligheid ten goede komt. Voorts wijst de raad erop dat op een afstand van 2,5 km van het perceel een ander goedkoop tankstation aanwezig is en dat derhalve niet het in het rapport genoemde percentage van 27% van de automobilisten die naar een goedkoper brandstofverkooppunt rijdt, enkel gebruik zal gaan maken van het nieuwe tankstation. Daarnaast wijst de raad erop dat in het rapport van AGEL Adviseurs is geconcludeerd dat de toename van het verkeer relatief beperkt zal zijn, waardoor geen extra maatregelen hoeven te worden genomen ten opzichte van de maatregelen die al voor de prognose voor het jaar 2022 moeten worden getroffen. De in het rapport van AGEL Adviseurs genoemde toename van 731 motorvoertuigen per etmaal ofwel 30 per uur ziet op een worst-case scenario. Volgens de raad is dit aantal zo beperkt dat de verkeersdoorstroming hierdoor niet onaanvaardbaar wordt aangetast. Tot slot betoogt de raad dat in het verkeersonderzoek van DTV Consultants, dat in opdracht van de initiatiefnemer is opgesteld, is vermeld dat een groot deel van de bezoekers van het tankstation al in de wegvaktellingen zijn opgenomen of in de bezoekersaantallen van het huidige terrein. Hij wijst erop dat een groot deel van de bezoekers van het tankstation ook los van de aanwezigheid van het tankstation al op de Huibevendreef rijdt. Verder betoogt hij dat de wachttijd voor linksafslaand verkeer op de Huibevendreef naar het tankstation beperkt blijft tot gemiddeld 7 seconden in het drukste uur, waardoor vrijwel geen wachttijden ontstaan.

    Met betrekking tot de veiligheid op het perceel zelf heeft de raad betoogd dat de pompen van het tankstation achter op het terrein liggen, waardoor voldoende manoeuvreerruimte bestaat voor automobilisten die het terrein op rijden en verlaten. Deze tankende automobilisten zullen het verkeer op de Huibevendreef niet hinderen.

1.2.    Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de bovengenoemde maatregelen niet zullen leiden tot minder verkeer op de Huibevendreef, maar tot doel hebben de doorstroming en veiligheid op die weg te verbeteren. De verbeterde doorstroming heeft volgens de raad onder meer tot gevolg dat meer automobilisten over deze weg zullen rijden hetgeen de verwachte toename van verkeersbewegingen verklaart. Volgens de raad betekent deze toename niet dat geen enkele ontwikkeling die meer verkeer genereert, kan worden toegestaan. Ter zitting heeft de raad verder onweersproken verklaard dat de Huibevendreef een capaciteit heeft van 15.000 motorvoertuigen per etmaal. Niet bestreden is dat het tankstation in een worst-case situatie 731 motorvoertuigen per etmaal zal genereren. Ter zitting heeft de raad aannemelijk gemaakt dat tussen de 50 tot 75 procent van dit verkeer buurteigen verkeer is dat hoe dan ook over de Huibevendreef zou rijden. [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat met deze toename voor verkeersonveilige situaties op de Huibevendreef moet worden gevreesd dan wel dat de doorstroming op deze weg onaanvaardbaar wordt aangetast.

    Over de verkeersonveilige situatie bij de in- en uitrit bij het tankstation overweegt de Afdeling dat ter zitting is gebleken dat het terrein, evenals in de huidige situatie, van beide zijden bereikbaar blijft en dat de in- en uitrit van het perceel zal worden verbreed. Voorts zullen de middengeleider en voetgangersoversteekplaats in aangepaste vorm blijven bestaan. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid ter plaatse van het perceel Huibevendreef 18 - 22 geen bezwaar ontmoet en dat de veiligheid op het perceel voldoende gewaarborgd is. Het betoog faalt.

2.    [appellant sub 1] en anderen betogen dat uit het distributieplanologisch onderzoek blijkt dat door het realiseren van het tankstation een zodanig aanbodoverschot zal ontstaan dat een duurzame ontwrichting van het in het verzorgingsgebied aanwezige voorzieningenpatroon zal ontstaan.

2.1.    De raad heeft toegelicht dat in de door hem vastgestelde Nota Brandstofverkooppunten 2009 de locatie aan de Huibevendreef 18 - 22 vanwege de ligging aan de hoofdinfrastructuur als zoeklocatie voor een nieuw tankstation is aangewezen. Verder voldoet de locatie aan de in die Nota genoemde locatiespecifieke criteria. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat de economische afwegingen met betrekking tot het al dan niet feitelijk vestigen van een tankstation ter plaatse van een voor de vestiging van een brandstofverkooppunt geschikte locatie worden overgelaten aan de markt.

2.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen bestaat er in het kader van een goede ruimtelijke ordening geen aanleiding om concurrentieverhoudingen te reguleren dan wel de marktpositie van gevestigde bedrijven te beschermen. Slechts wanneer zich een ernstige verstoring van het in het verzorgingsgebied aanwezige voorzieningenpatroon in de desbetreffende sector zal voordoen, zodanig dat sprake is van een in planologisch opzicht onaanvaardbare situatie, kunnen marktsituaties relevant zijn. Dat er, zoals in het door [appellant sub 1] en anderen overgelegde distributieplanologisch onderzoek is gesteld, een aanbodoverschot dreigt, is onvoldoende om aan te nemen dat een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in het betrokken verzorgingsgebied zal optreden. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met de vestiging van een tankstation ter plaatse. Het betoog faalt.

3.    In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling gezien het bovenstaande geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

4.    [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "natuurwaarden" die zijn toegekend aan de percelen [locatie A] en [locatie B] te Tilburg. Volgens [appellant sub 2] is het door het toekennen van deze aanduiding aan een groot deel van deze percelen en het niet opnemen van bouwvlakken onmogelijk om de twee door hem gewenste villa's te realiseren. Hij wijst erop dat de Afdeling in haar uitspraak van 29 december 2010 in zaak nr. 201004505/1/H1 heeft overwogen dat het college van burgemeester en wethouders de verwachting bij [appellant sub 2] heeft gewekt dat het de raad zou voorstellen om een voorbereidingsbesluit voor het perceel te nemen. [appellant sub 2] betoogt dat de raad bij zijn belangenafweging in het kader van dit plan met de door het college gewekte verwachtingen rekening had moeten houden.

4.1.    Aan het perceel [locatie A] en [locatie B] is de bestemming "Wonen" en de aanduiding "natuurwaarden" toegekend. Ingevolge artikel 16, lid 16.1.1, onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen. Het bouwen van een hoofdgebouw is ingevolge artikel 16, lid 16.2.2, onder a, binnen de bestemming "Wonen" toegestaan binnen het bouwvlak. Aan de door [appellant sub 2] gewenste bouwlocaties is geen bouwvlak toegekend. Ingevolge artikel 16, lid 16.1.2, onder b, zijn ter plaatse van de aanduiding "natuurwaarden" op de voor "Wonen" aangewezen gronden mede bestemd voor het behoud en ontwikkeling van de bestaande natuurwaarden.

4.2.    De raad stelt dat de aanvankelijke principebereidheid van het college om medewerking te verlenen aan de bouwplannen, zoals neergelegd in een brief van 22 mei 2008, door hem in de belangenafweging bij de vaststelling van het plan is betrokken. Dit blijkt volgens hem uit de besluitvorming die ertoe heeft geleid dat door de raad op 11 april 2011 is besloten om de percelen [locatie A] en [locatie B] in het ontwerpbestemmingsplan slechts conserverend op te nemen met een woonbestemming en functie-aanduiding natuurwaarden zonder de gewenste bouwmogelijkheden. [appellant sub 2] is hierover geïnformeerd en heeft ook de mogelijkheid gehad om in de raadscommissie Fysiek zijn standpunt mondeling toe te lichten, aldus de raad. De raad wijst er voorts op dat hij met gebruikmaking van zijn eigen bevoegdheid ter zake van de vaststelling van een bestemmingsplan heeft besloten de door [appellant sub 2] tegen het ontwerpplan ingediende zienswijze op dit punt ongegrond te verklaren en het plan in zoverre ongewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan vast te stellen.

4.3.    Uit de stukken kan worden afgeleid dat de raad er genoegzaam van op de hoogte was dat [appellant sub 2] aan de brief van het college van 22 mei 2008 het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat het college zich zou inspannen voor verlening van vrijstelling op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening ter realisering van zijn bouwplannen. Deze omstandigheid kan niet leiden tot een verplichting van de raad om aan gronden een bestemming te geven, die de raad niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening acht. De raad heeft immers een eigen bevoegdheid bij het vaststellen van een bestemmingsplan.

    Gezien de ligging van de percelen van [appellant sub 2], direct grenzend aan het gebied De Drijflanen, dat tot de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) behoort, heeft de raad besloten om de aanduiding "natuurwaarden" zonder bouwmogelijkheden op te nemen in het plan. De bouw van twee woningen op korte afstand van dit ecologisch waardevolle gebied leidt volgens de raad tot aantasting en verstoring van dit gebied. Gelet op de ecologische waarde van het gebied De Drijflanen is aantasting van dit gebied door de bouw van twee woningen niet gewenst en ook niet mogelijk. Aantasting van de EHS, waartoe De Drijflanen behoren, kan alleen indien zich zwaarwegende maatschappelijke belangen en pas nadat onderzoek heeft aangetoond dat er geen alternatieve locaties voorhanden zijn die niet leiden tot aantasting van de EHS. Onder zwaarwegende maatschappelijke belangen moeten in elk geval openbare belangen worden verstaan en niet uitsluitend overwegend particuliere belangen.

    Gelet op het bovenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de door het college bij [appellant sub 2] gewekte verwachtingen of dat de raad het belang van [appellant sub 2] onvoldoende bij de belangenafweging ten behoeve van de vaststelling van het plan heeft betrokken. Het betoog faalt.

5.    [appellant sub 2] betoogt verder dat op het perceel Reeshofdijk 1 wel woningbouw mogelijk is gemaakt en dat de door hem gewenste villa's landschappelijk gezien in dezelfde lijn liggen met de aangrenzende bebouwing. Tot slot voert hij aan dat de percelen in het aangrenzende plangebied van het bestemmingsplan "Wandelbos 2007", eveneens grenzen aan het Drijflanengebied en een woonbestemming hebben, maar niet de aanduiding "natuurwaarden" of een vergelijkbare aanduiding hebben.

5.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat in het hiervoor geldende plan "Reeshof 1" de aanduiding "te handhaven groen" was toegekend aan het perceel van [appellant sub 2]. Deze aanduiding is inhoudelijk gelijkwaardig aan de aanduiding "natuurwaarden".

    Verder stelt de raad zich op het standpunt dat het perceel Reeshofdijk 1B alsnog naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 2] de aanduiding "natuurwaarden" heeft gekregen, voor zover dat de delen van het perceel betreft die in het plan "Reeshof 1" reeds de aanduiding "te handhaven groen" hadden.

5.2.    De percelen Reeshofdijk 1A en Reeshofdijk 1 (thans bekend als het perceel Simon Vestdijkhof 1 tot en met 5) liggen binnen de grenzen van het bestemmingsplan "Wandelbos 2007". In dit plan is aan het perceel Reeshofdijk 1A een woonbestemming toegekend. De aanduiding "natuurwaarden" of "te handhaven groen" is niet toegekend omdat dit perceel niet in de EHS ligt en omdat aan dit perceel in het daarvoor geldende bestemmingsplan "Wandelbos II" evenmin een met "natuurwaarden" of "te handhaven groen" te vergelijken aanduiding was toegekend. Het perceel Simon Vestdijkhof 1 tot en met 5 ligt volgens de raad in een gebied dat in de Verordening Ruimte 2011 als "Bestaand stedelijk gebied - Stedelijk concentratiegebied" is aangeduid en aansluit bij de stedelijke bebouwing van Tilburg. [appellant sub 2] heeft het voorgaande niet inhoudelijk gemotiveerd bestreden. Gezien het voorgaande heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat van gelijke gevallen geen sprake is en zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat daarin geen redenen liggen om de door [appellant sub 2] gewenste bouwmogelijkheden mogelijk te maken.

6.    In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor zover bestreden strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. P.A. Koppen, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Van Helvoort

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2013

361.