Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY7997

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-01-2013
Datum publicatie
09-01-2013
Zaaknummer
201205013/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 augustus 2010 heeft het college geweigerd [wederpartij] een reguliere bouwvergunning te verlenen voor het veranderen van een schuur op het perceel [locatie] te Zelhem (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/281
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205013/1/A1.

Datum uitspraak: 9 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 18 april 2012 in

zaak nr. 11/498 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Zelhem, gemeente Bronckhorst

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2010 heeft het college geweigerd [wederpartij] een reguliere bouwvergunning te verlenen voor het veranderen van een schuur op het perceel [locatie] te Zelhem (hierna: het perceel).

Bij besluit van 22 februari 2011 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 april 2012 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 februari 2011 vernietigd en het college opgedragen om met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen, opnieuw op het bezwaar te beslissen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. IJsseldijk, en [wederpartij], in persoon, zijn verschenen.

    Overwegingen

1.    Het bouwplan voorziet volgens de aanvraag in het gedeeltelijk vernieuwen van een bestaande schuur om deze geschikt te maken voor de opslag van agrarisch materieel.

2.    Ingevolge het ten tijde van belang ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Herziening 2-1988, gemeente Zelhem" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarisch produktiegebied A", met een agrarisch bouwperceel I.

    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn de op de kaart voor "Agrarisch produktiegebied A" aangewezen gronden, alsmede de volgens dit artikel mogelijke bouwwerken, voor zover thans van belang, bestemd voor de agrarische produktie.

    De op de kaart als "Agrarisch bouwperceel I" aangegeven gronden zijn bedoeld voor gebouwen en andere bouwwerken, voor zover deze verband houden met de bedrijfsmatige agrarische produktie en met bijbehorende woondoeleinden, alsmede voor erfbeplanting.

3.    De rechtbank heeft de bestemming "Agrarisch produktiegebied A" en het begrip "bedrijfsmatige agrarische produktie" uitgelegd aan de hand van de vaste jurisprudentie van de Afdeling inzake het begrip "agrarisch bedrijf".

4.    Het college keert zich uitsluitend tegen het oordeel van de rechtbank dat op het perceel ten tijde van belang een reëel agrarisch bedrijf aanwezig was. Het voert daartoe aan dat de rechtbank, door doorslaggevende betekenis toe te kennen aan het winstoogmerk waarmee [wederpartij] agrarische activiteiten verricht, onvoldoende oog heeft gehad voor de overige relevante factoren die volgens vaste rechtspraak een rol spelen bij de beoordeling van de vraag of het gaat om een reëel agrarisch bedrijf. Volgens het college leidt de combinatie van die factoren niet tot de conclusie dat op het perceel een reëel agrarisch bedrijf aanwezig is.

4.1.    Ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar beschikte [wederpartij], naar niet in geschil is, over 5,5 ha grond, waarvan hij ongeveer 4,9 ha aan derden verhuurde. Op die gronden werden jaarlijks maïs, bieten en aardappels geteeld. Het resterende gedeelte van de gronden was destijds bij [wederpartij] zelf in gebruik als grasland waarop hooibouw plaatsvond. In een brief van [wederpartij] aan het college van 16 februari 2010, stelt [wederpartij]    dat de totale omzet van het bedrijf op het perceel op dat moment ongeveer € 10.000,00 per jaar was.

    Het college betoogt terecht dat bij de vraag of [wederpartij] ten tijde van belang op het perceel een reëel agrarisch bedrijf uitoefende, volgens de jurisprudentie van de Afdeling, zoals die is weergegeven in de uitspraken van 30 maart 2005 en 16 februari 2011 (in zaak nrs. 200204616/1 en 201006382/1/H1), meer factoren van belang zijn en dat de rechtbank in het licht van de relevante factoren ten onrechte aan het winstoogmerk doorslaggevende betekenis heeft toegekend.

    Ten tijde van belang oefende [wederpartij] geen reëel agrarisch bedrijf uit op het perceel, nu de verhuur van gronden geen agrarische activiteit is en het bewerken van het kleine niet verhuurde deel voor hooibouw, niet kan worden aangemerkt als bedrijfsmatig. Immers, volgens de brief van [wederpartij] van 16 februari 2010 werd van dit niet verhuurde deel met de hooibouw een opbrengst van ongeveer € 800,00 per jaar verkregen, hetgeen geen reëel inkomen is. Verder is dit grondareaal slechts 0,6 ha groot en is de tijd die [wederpartij] aan agrarische activiteiten kon besteden niet substantieel, nu hij destijds een voltijds aanstelling als ambtenaar bij het Ministerie van Defensie had.

    Het betoog slaagt.

5.    Het college betoogt voorts dat [wederpartij] ter zitting bij de rechtbank wel heeft verklaard dat hij de gronden vanaf 1 januari 2012 niet meer verhuurde en voornemens was deze zelf weer te gaan bewerken, maar dat deze intentie ten tijde van het besluit op bezwaar nog niet bestond of kenbaar was. Daartoe voert het college aan dat [wederpartij] in juni 2009 een verzoek heeft ingediend om de functie van het perceel te wijzigen van agrarisch naar een woonbestemming en dat hij dit verzoek eerst na het besluit op bezwaar, in een gesprek op 25 mei 2011, bevestigd bij brief van 1 juni 2011, heeft ingetrokken en toen te kennen heeft gegeven dat hij voornemens was de agrarische activiteiten uit te breiden.

5.1.    Gelet hierop was ten tijde van het besluit op bezwaar niet duidelijk dat [wederpartij] daadwerkelijk van plan was de agrarische activiteiten tot een reëel agrarisch bedrijf uit te breiden. Ook de enkele omstandigheid dat hij, zoals hij stelt, het college van de aanvang af duidelijk heeft gemaakt dat, indien voor hem het gebruikmaken van de zogenoemde Rood-voor-Rood-regeling en daarmee het verkrijgen van de woonbestemming toch geen aantrekkelijke optie zou blijken, hij zou willen vasthouden aan de agrarische bestemming, leidt niet tot het oordeel dat ten tijde van het besluit op bezwaar duidelijk was of moest zijn dat [wederpartij] van plan was een reëel agrarisch bedrijf te gaan uitoefenen.

    Het betoog slaagt.

6.    Gelet op het in 4.1 en 5.1 overwogene is het college, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, er terecht vanuit gegaan dat [wederpartij] geen reëel agrarisch bedrijf uitoefende.

    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 18 april 2012 in zaak nr. 11/498;

III.    verklaart het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld    w.g. Bolleboom

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2013

641.