Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY7993

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-01-2013
Datum publicatie
09-01-2013
Zaaknummer
201207065/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 mei 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Kijkuit" (hierna: het plan) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/60
JG 2013/19 met annotatie van mw. mr. E.E. Schaake
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201207065/1/R2.

Datum uitspraak: 9 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Brussel (België), en anderen,

en

de raad van de gemeente Reimerswaal,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Kijkuit" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2012, waar de raad, vertegenwoordigd door R. Louwes, en vergezeld door P. Driesprong en J.K. van Rooijen-van den Berg, beiden werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

    Overwegingen

1.    Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het recreatiepark "Buitenplaats Yerseke".

2.    [appellant] en anderen kunnen zich niet verenigen met het plan, voor zover dat het gebruik van een aantal recreatiewoningen op het recreatiepark voor permanente bewoning en de huisvesting van arbeidsmigranten toestaat. Zij stellen dat dit gebruik ten onrechte als zodanig is bestemd door de in het plan opgenomen uitsterfregeling. Daartoe voeren [appellant] en anderen aan dat diegenen die de recreatiewoningen als zodanig zijn gaan gebruiken, geen rechten hebben opgebouwd waarmee de raad bij de vaststelling van het plan rekening had moeten houden. [appellant] en anderen betogen voorts dat het door de raad beoogde doel - het terugdringen van dit ongewenste gebruik - met de vastgestelde regeling niet, althans te langzaam, zal worden bereikt. Zij stellen dat in het plan persoonsgebonden overgangsrecht had dienen te worden opgenomen, dan wel een gedoogperiode van enkele jaren. Verder voeren [appellant] en anderen aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van de niet-permanente bewoners, omdat het plan afbreuk doet aan de verkoopbaarheid van hun recreatiewoningen, en dat het plan leidt tot een ongerechtvaardigde bevoordeling van de andere gebruikers.

2.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat met het plan is beoogd te voorzien in een passende regeling voor het recreatiepark. Volgens de raad is daarbij getracht rekening te houden met de belangen van de verschillende gebruikers van de recreatiewoningen.

2.2.    Op de verbeelding is weergegeven dat aan de gronden ter plaatse van het recreatiepark de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie - 1" is toegekend. Voorts is aan 15 percelen in het recreatiepark met daarop een recreatiewoning de aanduiding "specifieke vorm van wonen - permanent wonen" toegekend en aan 18 percelen de aanduiding "specifieke vorm van horeca - logies arbeidsmigranten".

    Ingevolge artikel 1, lid 1.36, van de planregels, is een recreatiewoning een permanent ter plaatse aanwezig gebouw, geen woonkeet en geen caravan of andere constructie op wielen zijnde, dat bedoeld is om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden bewoond.

    Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie - 1" aangewezen gronden bestemd voor verblijfsrecreatie in recreatiewoningen.

     Ingevolge artikel 5, lid 5.2, onder g, bedraagt het aantal recreatiewoningen niet meer dan 50.

    Ingevolge artikel 5, lid 5.4, gelden met betrekking tot het gebruik de volgende regels:

a. permanente bewoning van een recreatiewoning is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - permanent wonen";

b. logies voor arbeidsmigranten in een recreatiewoning is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - logies arbeidsmigranten";

c. indien het gebruik als bedoeld onder a of onder b is beëindigd en deze gronden in gebruik zijn als bedoeld in 5.1 onder a, mogen de betreffende gronden en bouwwerken daarna niet meer worden gebruikt voor het hiervoor onder a en b genoemde gebruik;

d. onder het bepaalde onder c wordt in ieder geval begrepen de verkoop van de recreatiewoning en daadwerkelijke ingebruikname van de recreatiewoning voor verblijfsrecreatie;

e. onder het bepaalde onder c wordt ook begrepen de situatie dat het gebruik overeenkomstig de aanduiding voor de duur van ten minste 6 maanden aaneengesloten is onderbroken, ongeacht verkoop en/of in gebruikname van de recreatiewoning voor verblijfsrecreatie.

    Ingevolge artikel 5, lid 5.5, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de aanduidingen "specifieke vorm van wonen - permanent wonen" en "specifieke vorm van horeca - logies arbeidsmigranten" te wijzigen in de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie - 1" zonder aanduiding, met inachtneming van de volgende regels:

a. de wijzigingsbevoegdheid wordt toegepast nadat het gebruik overeenkomstig de aanduiding is beëindigd;

b. onder het bepaalde onder a wordt in ieder geval begrepen de verkoop van de recreatiewoning en daadwerkelijke ingebruikname van de recreatiewoning voor verblijfsrecreatie;

c. onder het bepaalde onder a wordt ook begrepen de situatie dat het gebruik overeenkomstig de aanduiding voor de duur van ten minste 6 maanden aaneengesloten is onderbroken, ongeacht verkoop en/of in gebruikname van de recreatiewoning voor verblijfsrecreatie;

d. in het wijzigingsplan wordt aandacht besteed aan de gemaakte belangenafweging.

2.3.    In het voorgaande bestemmingsplan, "Partieel bestemmingsplan Kijkuit", vastgesteld door de raad in 1970, was aan de gronden ter plaatse van het recreatiepark de bestemming "Rekreatieve doeleinden C" toegekend. Ingevolge artikel 11, lid 11.1, in samenhang gelezen met artikel 1, lid 1.9, van de voorschriften van dit bestemmingsplan, zijn de gronden aangewezen voor "Rekreatieve doeleinden C" bestemd voor de bouw van zomerhuizen, waaronder wordt verstaan een permanent ter plaatse aanwezig seizoenwoonverblijf waarvan de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben.

     In de toelichting bij het onderhavige plan staat vermeld dat Buitenplaats Yerseke is opgezet als een recreatiegebied en dat hier ongeveer 50 recreatiewoningen zijn gerealiseerd. Een deel van de woningen wordt nog als zodanig gebruikt. In de loop der tijd zijn echter ook recreatiewoningen in gebruik genomen als permanente woning en als logiesverblijf voor arbeidsmigranten. Voorts staat in de plantoelichting vermeld dat in het vorige bestemmingsplan gebruik dat in strijd is met dit plan niet is verboden, zodat er geen sprake is van met het plan strijdig gebruik. Vanwege de ontstane situatie zijn in het kader van het plan verschillende mogelijkheden bezien. Uitgangspunt daarbij is geweest dat de raad het gebruik van de recreatiewoningen voor permanente bewoning en door arbeidsmigranten niet passend acht, maar dat wel rekening diende te worden gehouden met de gegroeide situatie en de belangen van deze gebruikers. Ook diende de nieuwe planologische regeling een basis te bieden voor een daadwerkelijke kwaliteitsverbetering van het recreatiepark. Om de recreatieve functie van het recreatiepark in het plan te bevestigen, is het bestaande recreatieve gebruik als zodanig bestemd. Het positief bestemmen van het gebruik van de recreatiewoningen voor permanente bewoning dan wel als logiesverblijf wordt niet mogelijk geacht, omdat de milieucontour van het bedrijventerrein Burenpolder over het gebied ligt. Het onder het algemene overgangsrecht brengen van dit gebruik wordt evenmin mogelijk geacht, nu niet aannemelijk is dat dit gebruik binnen de planperiode wordt beëindigd. Enerzijds is uit overleg met de betrokken partijen gebleken dat zij het gebruik niet zelf wensen te beëindigen, anderzijds beschikt de gemeente over onvoldoende financiële middelen om dit te bewerkstelligen. Tot slot staat vermeld dat, met inachtneming van het vorenstaande, is beoogd te voorzien in een passende regeling voor het recreatiepark.

2.4.    Gebleken is dat begin jaren 70 is beoogd Buitenplaats Yerseke te ontwikkelen als een verblijfsrecreatief park. Niet in geschil is dat van de 50 recreatiewoningen die op het recreatiepark staan, er 15 in gebruik genomen zijn als permanente woning en 18 als logiesverblijf voor arbeidsmigranten. De Afdeling stelt voorop dat op de gronden ter plaatse van het recreatiepark ingevolge het voorgaande bestemmingsplan de bestemming "Rekreatieve doeleinden C" rust. De Afdeling stelt vervolgens vast dat aan deze bestemming ingevolge de voorschriften van dit bestemmingsplan geen gebruiksvoorschriften waren verbonden. In verband hiermee was het gebruik van de recreatiewoningen als permanente woning dan wel als logiesverblijf voor arbeidsmigranten op grond van dit bestemmingsplan niet verboden en kon daartegen niet worden opgetreden. Dit gebruik diende ten tijde van het vaststellen van het plan, evenals het recreatieve gebruik, dan ook te worden aangemerkt als bestaand legaal gebruik.

     De raad heeft het recreatieve gebruik in het plan als zodanig bestemd door de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie - 1" toe te kennen aan de gronden ter plaatse van het recreatiepark. Voorts is een uitsterfregeling opgenomen ten behoeve van de andere twee vormen van gebruik. De rechtszekerheid vereist in het algemeen dat bestaand legaal gebruik overeenkomstig de bestaande situatie wordt opgenomen in een bestemmingsregeling. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden, indien het als zodanig bestemmen van bestaand legaal gebruik op basis van nieuwe inzichten niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. De raad kan dan in overweging nemen voor het bestaande gebruik van de gronden te voorzien in een uitsterfregeling, die inhoudt dat het bestaande gebruik als zodanig wordt toegestaan, met dien verstande dat als dit gebruik eindigt, dit niet opnieuw een aanvang mag nemen en niet langer is toegestaan.

     Niet in geschil is dat een bestemming overeenkomstig het feitelijk gebruik van de recreatiewoningen als permanente woning dan wel logiesverblijf voor arbeidsmigranten vanuit ruimtelijk oogpunt onwenselijk is vanwege de onder 2.3. genoemde redenen. Nu de raad zodanig gebruik niet passend acht en de verblijfsrecreatieve functie van het park met het plan wenst te bevestigen, is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen besluiten om in het plan de uitsterfregeling zoals voorzien op te nemen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de niet gewenste vormen van legaal gebruik niet onder het algemeen overgangsrecht kunnen worden gebracht, nu niet aannemelijk is dat deze vormen van gebruik binnen de planperiode tot een einde worden gebracht. Voorts heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het onder het persoonsgebonden overgangsrecht brengen van het gebruik van de recreatiewoningen als permanente woning dan wel als logiesverblijf voor arbeidsmigranten onvoldoende recht doet aan de belangen van de bestaande gebruikers. De raad acht in dit verband het met het plan beoogde doel om tot kwaliteitsverbetering van het recreatiepark te komen van belang. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het recreatiepark in een slechte staat verkeert, dat een aanzienlijk bedrag nodig is voor de verbetering van voorzieningen, zoals de riolering, en dat de raad verwacht dat eigenaren eerder bereid zullen zijn te investeren door de uitsterfregeling, zoals in het plan opgenomen. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de recreatieve bewoners. Hoewel niet is uitgesloten dat het gebruik van de recreatiewoningen als permanente woning dan wel als logiesverblijf voor arbeidsmigranten niet spoedig geheel zal worden beëindigd, is de uitsterfregeling naar haar aard een tijdelijke regeling en doet deze er niet aan af dat de gronden ter plaatse van het recreatiepark zijn bestemd voor verblijfsrecreatief gebruik. Door de opgenomen regeling kan bovendien het aantal recreatiewoningen dat permanent wordt bewoond of waar de huisvesting van arbeidsmigranten plaatsvindt, in ieder geval niet toenemen. [appellant] en anderen hebben tot slot niet aannemelijk gemaakt dat het plan op een zodanige wijze afbreuk zal doen aan de verkoopbaarheid van de uitsluitend recreatief bestemde recreatiewoningen, dat de raad het plan om deze reden niet had mogen vaststellen. Het betoog faalt.

2.5.    Voor het overige hebben [appellant] en anderen in het beroepschrift volstaan met het woordelijk herhalen van de ingediende zienswijze tegen het ontwerpplan. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. In het beroepschrift, noch ter zitting hebben [appellant] en anderen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze bij het bestreden besluit onjuist zou zijn.

3.    In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Broekman

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2013

12-694.