Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY7984

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-01-2013
Datum publicatie
09-01-2013
Zaaknummer
201204940/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Barneveld-Oost" (hierna: het plan) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/279
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204940/1/R2.

Datum uitspraak: 9 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Barneveld,

en

de raad van de gemeente Barneveld,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Barneveld-Oost" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2012, waar [appellanten] en de raad, vertegenwoordigd door J.M.T. Merkenij, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

    Overwegingen

1.    Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor het grondgebied van Barneveld-Oost.

2.    [appellanten], wonend aan [locatie 1] en [locatie 2], kunnen zich niet verenigen met het plan. Zij stellen dat het plan ten onrechte niet voorziet in uitbreidingsmogelijkheden voor hun woningen, terwijl daarin voor de woningen aan de achterzijde van hun percelen, aan de Barnseweg, wel in wordt voorzien.

3.    De raad stelt dat het bouwvlak in dezelfde omvang als in het vorige plan is overgenomen. Gelet op het conserverend karakter van het plan, ziet de raad geen aanleiding om nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden toe te kennen. Wat betreft de vergelijking met het bouwvlak van de achterliggende woningen stelt de raad dat de bouwdiepte voor zowel deze woningen als de woningen van [appellanten] 12 meter bedraagt. Omdat ter plaatse van de achterliggende woningen het bouwvlak nog niet geheel is benut, bestaat in zoverre nog ruimte om de woningen uit te breiden, aldus de raad.

4.    Ter zitting hebben [appellanten] nader toegelicht dat in het vorige plan de mogelijkheid bestond om door middel van een ontheffing de woning uit te breiden en dat deze mogelijkheid thans is vervallen. Hieromtrent wordt als volgt overwogen. Op grond van het vorige plan "uitwerking Fase I van het bestemmingsplan Norschoten" waren ter plaatse van de woningen van [appellanten] met de bestemming "Wonen-1" uitbouwen met een goothoogte van maximaal 3 meter toegestaan. De maximaal toegestane oppervlakte van bijgebouwen bij eenzelfde woning bedroeg 45 m², met de mogelijkheid voor het college van burgemeester en wethouders om vrijstelling te verlenen tot een oppervlakte van 60 m².

    In het thans voorliggende plan zijn uitbouwen met een maximale goothoogte van 3 meter toegestaan en een maximale bouwhoogte van 7 meter. De maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen bedraagt 60 m² met de mogelijkheid voor het bevoegd gezag hiervan af te wijken tot maximaal 30% van het bouwperceel.

    Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de mogelijkheden voor het realiseren van uitbouwen ten opzichte van het vorige plan zijn ingeperkt. Voor zover [appellanten] stellen dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid om uit te breiden tot de gehele tweede bouwlaag van de woning, wordt overwogen dat de raad hierin in redelijkheid niet heeft hoeven voorzien. Hierbij wordt betrokken dat in het vorige plan evenmin was voorzien in deze mogelijkheid en [appellanten] ter zitting hebben aangegeven geen concrete uitbreidingsplannen in die zin te hebben. Voor zover [appellanten] stellen dat voor de aangrenzende woningen aan de Barnseweg wel is voorzien in genoemde uitbreidingsmogelijkheden, wordt overwogen dat voor deze woningen hetzelfde planologische regime gold en thans geldt als voor de woningen van [appellanten]. Hetgeen ter plaatse feitelijk aan bebouwing aanwezig is, is in dit verband niet relevant.

5.    Voorts stellen [appellanten] dat aan de openbare groenstroken op De Beemd ten onrechte de bestemming "Verkeer" is toegekend. Volgens hen had aan deze groenstroken de bestemming "Groen" moeten worden toegekend. Hoewel binnen de verkeersbestemming ook groen is toegestaan, stellen zij dat een wijziging van het gebruik kan worden doorgevoerd zonder dat zij daartegen iets kunnen doen. Ter zitting hebben [appellanten] gesteld in dit verband te vrezen voor het verwijderen van de thans aanwezige bosschages in ruil voor verharding.

6.    De raad stelt dat aan deze groenstroken in het vorige plan evenmin een groenbestemming was toegekend. Uitsluitend indien sprake is van structureel groen, zoals wijkparken, wordt de bestemming "Groen" toegekend. De raad merkt de door [appellanten] bedoelde groenstroken niet aan als structureel groen.

7.    In het plan is aan de gronden ter plaatse van de groenstroken de bestemming "Verkeer" toegekend. Binnen deze bestemming zijn ingevolge artikel 15, lid 15.1, van de planregels, toegestaan: wegen, straten en paden, voet- en rijwielpaden, parkeer-, groen- en speelvoorzieningen, waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen alsmede bermen.

    Ingevolge artikel 10, lid 10.1 van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Groen" bestemd voor: groenvoorzieningen, bermen en beplanting, paden, speelvoorzieningen, waterlopen, waterpartijen en waterberging, met daaraan ondergeschikt verhardingen en parkeervoorzieningen.

7.1.    De Afdeling ziet in hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad aan de door hen bedoelde gronden niet in redelijkheid de bestemming "Verkeer" heeft kunnen toekennen. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat ter plaatse van de bosschages sprake is van zodanig waardevol groen dat aan deze gronden de bestemming "Groen" had moeten worden toegekend.

    Voor zover [appellanten] wijzen op een inrichtingenschets waarop de groenstroken zijn ingetekend, wordt overwogen dat deze schets niet bindend is, zodat hieruit voor de raad niet de verplichting voortvloeit om aan de gronden de bestemming "Groen" toe te kennen.

    Overigens wordt overwogen dat indien aan de gronden de bestemming "Groen" zou zijn toegekend, dit niet de door [appellanten] gewenste garantie zou bieden dat de ter plaatse aanwezige bosschages blijven gehandhaafd, nu binnen de bestemming "Groen" ook andere doeleinden dan groenvoorzieningen zijn toegestaan.

8.    In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.V. Fenwick, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek    w.g. Fenwick

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2013

608.