Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY7983

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-01-2013
Datum publicatie
09-01-2013
Zaaknummer
201204245/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 januari 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Hoogstad" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.6
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/277
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204245/1/R4.

Datum uitspraak: 9 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Flenium Beheer B.V., gevestigd te Vlaardingen,

appellante,

en

de raad van de gemeente Vlaardingen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Hoogstad" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft Flenium Beheer B.V. beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2012, waar partijen niet zijn verschenen.

    Overwegingen

1.    Het plan betreft een hoofdzakelijk conserverend plan voor het gebied, globaal begrensd door de rijksweg A20, de Westlandse weg en de Vlaardingsevaart.

2.    Flenium Beheer B.V. richt zich tegen de wijzigingsbevoegdheid in artikel 7, lid 7.3, van de planregels, die het college de bevoegdheid geeft aan het bouwvlak op de gronden aan de Westlandseweg 260 de aanduiding "karakteristiek" toe te kennen. Zij stelt dat ten onrechte geen criteria voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid zijn opgenomen terwijl in de Staat van wijzigingen en nota van zienswijzen staat dat de planregels worden aangepast zodat het toekennen van de aanduiding "karakteristiek" alleen plaats zal vinden als de aanwijzing van het kantoorpand aan de Westlandseweg 260 te Vlaardingen als beeldbepalend object in stand blijft.

Ook is volgens Flenium beheer B.V. niet duidelijk wat onder "karakteristieke waarden" in lid 7.3, onder b, wordt verstaan. Zij betoogt voorts dat lid 7.3 inconsequent is nu onder sub a het bouwvlak het uitgangspunt is, onder sub b het object en onder sub c het gehele gebouw.

2.1.    De raad stelt dat het pand aan de Westlandseweg 260 bij besluit van 29 mei 2012 op grond van de erfgoedverordening is aangewezen als beeldbepalend object. Tegen deze aanwijzing heeft Flenium Beheer B.V. beroep ingesteld. Volgens het gemeentelijk beleid heeft Westlandseweg 260 als beeldbepalend object in het ontwerpplan de aanduiding "karakteristiek" gekregen. Omdat de aanwijzing ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet definitief was en Flenium Beheer B.V. een zienswijze heeft ingediend tegen de aanwijzing, heeft de raad de aanduiding gewijzigd naar een wijzigingsbevoegdheid voor de aanduiding "karakteristiek". De raad betoogt dat alleen gebruik gemaakt zal worden van de wijzigingsbevoegdheid als de aanwijzing op grond van de erfgoedverordening stand zal houden en dat deze werkwijze is gewaarborgd doordat deze is bevestigd door de betrokken wethouder per e-mail op 19 december 2011, door een ambtenaar op 4 januari 2012 en door het hoofd ruimtelijke ordening en volkshuisvesting per brief van 5 januari 2012.

    De raad stelt dat de karakteristieke waarden gedetailleerd zijn beschreven in de lijst van beeldbepalende objecten en dat de waardering van de objecten volgens een algemeen aanvaarde waarderingssystematiek is uitgevoerd. Het kantoorgebouw is zowel een pand als een object zodat de terminologie in zoverre geen onderscheid met zich meebrengt.

2.2.    Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen.

    Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd.

    De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid.

2.3.    De raad stelt dat de wijzigingsbevoegdheid slechts zal worden toegepast voor zover de aanwijzing als karakteristiek object op grond van de erfgoedverordening in stand blijft.

    In artikel 7, lid 7.3, onder a, van de planregels zijn geen voorwaarden gesteld aan de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid, zodat het college, los van de vraag of de aanwijzing als karakteristiek object in stand blijft, gebruik kan maken van deze bevoegdheid. De planregels stemmen in zoverre niet overeen met het besluit tot vaststelling van het plan. Het bestreden besluit is dan ook in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vastgesteld. Nu het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan  bestaat uit de planregels en de verbeelding wordt dit niet anders door de mededeling dat slechts toepassing wordt gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid als de aanwijzing als beeldbepalend object onherroepelijk is geworden.

    Hierbij komt dat vanwege het ontbreken van criteria voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 7, lid 7.3, onder a, evenmin blijkt in welke gevallen gebruik mag worden gemaakt van deze bevoegdheid. De wijzigingsbevoegdheid is in zoverre niet door voldoende objectieve normen begrensd. Het betoog van de raad dat onder karakteristieke waarden, de waarden worden bedoeld, die in de lijst van beeldbepalende objecten zijn omschreven, slaagt niet, nu iedere concretisering in de planregels ontbreekt. Het plan is in zoverre in strijd met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro.

2.4.    Het beroep is gegrond. Gelet op hetgeen onder 2.3 is overwogen, dient artikel 7, lid 7.3, van de planregels wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro, te worden vernietigd. De overige beroepsgronden van Flenium Beheer B.V. behoeven derhalve geen bespreking meer.

3.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Vlaardingen van 26 januari 2012, kenmerk VLD/2011/20130, wat betreft artikel 7, lid 7.3 van de planregels;

III.    gelast dat de raad van de gemeente Vlaardingen aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Flenium Beheer B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek    w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2013

375-725.