Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:990

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
04-09-2013
Zaaknummer
201208623/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juli 2012 heeft het college aan [de maatschap] krachtens artikel 8.4 van de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend voor een varkenshouderij op het perceel [locatie] te Venray.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/6274
JOM 2013/689
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208623/1/A4.

Datum uitspraak: 4 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Venray,

en

het college van burgemeester en wethouders van Venray,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2012 heeft het college aan [de maatschap] krachtens artikel 8.4 van de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend voor een varkenshouderij op het perceel [locatie] te Venray.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 april 2013, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M. Billekens en ing. F. Deenen, beiden werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Voorts is ter zitting de Maatschap, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door M.M.W.J. Verscharen, als partij gehoord.

Bij tussenuitspraak van 5 juni 2013 in zaak nr. 201208623/1/T1/A4, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen vier weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van

24 juli 2012 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 2 juli 2013 heeft het college het besluit van 24 juli 2012 gewijzigd.

[appellant] heeft een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het besluit van 24 juli 2012 in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) onzorgvuldig is voorbereid, nu in het akoestisch rapport met nr. 211-VKi21-il-v5 van M & A Milieuadviesbureau B.V. van 27 september 2011 in de incidentele bedrijfssituatie ten onrechte slechts is gerekend met verkeersbewegingen bij de hoofdafvoer van mest in de dagperiode, maar in dat rapport overige geluidbronnen niet zijn meegerekend. Hierdoor komt het langtijdgemiddelde geluidniveau in de incidentele bedrijfssituatie, zoals opgenomen in vergunningvoorschrift 17.2.1, niet overeen met de beoogde situatie en is tevens de incidentele bedrijfssituatie in vergunningvoorschrift 17.2.2 niet volledig beschreven.

2. De Afdeling heeft het college in de tussenuitspraak opgedragen om binnen vier weken na verzending van die uitspraak aan de hand van een nieuw akoestisch onderzoek het langtijdgemiddelde geluidniveau in de incidentele bedrijfssituatie te beoordelen en deugdelijk te motiveren of de vergunning, gelet op de uitkomsten van dat onderzoek, kan worden verleend en, zo ja, te bezien of vergunningvoorschrift 17.2.1 dient te worden gewijzigd. Indien de vergunning naar het oordeel van het college kan worden verleend, dient het college vergunningvoorschrift 17.2.2 te wijzigen, zodat daarin de incidentele bedrijfssituatie op juiste wijze wordt beschreven.

3. Bij het besluit van 2 juli 2013 heeft het college het besluit van 24 juli 2012 gewijzigd door vergunningvoorschriften 17.2.1 en 17.2.2 aan te passen. Aan het besluit van 2 juli 2013 heeft het college een aanvullend akoestisch rapport met nr. 212-VKi21-il-aanv-v1 van M & A Milieuadviesbureau B.V. van 8 november 2012 ten grondslag gelegd.

4. [appellant] kan zich met de gewijzigde vergunningvoorschriften 17.2.1 en 17.2.2 niet verenigen. Hij betoogt dat het college de activiteit "hoofdafvoer van mest" ten onrechte heeft aangemerkt als een incidentele bedrijfssituatie. Volgens [appellant] is het afvoeren van mest naar de aard en de omstandigheden van de inrichting onderdeel van de representatieve bedrijfssituatie.

4.1. In voorschrift 17.2.1 is bepaald dat in afwijking van het gestelde in voorschrift 17.1.2 het langtijdgemiddelde geluidniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten, in de incidentele bedrijfssituatie, zoals beschreven in het akoestisch rapport nr. 211-VKi21-il-v5 en de aanvulling op het akoestisch rapport nr. 212-VKi21-il-aanv-v1, ter plaatse van de gevels van woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen niet meer mag bedragen dan:

Adres Dagperiode (7.00-19.00 uur; dB(A))

Vliezenweg 1 46

Kiekweg 16 44

Kiekweg 14 42

Kiekweg 15 44

Ref. punt zuidoostelijk 43

In voorschrift 17.2.2 is bepaald dat de in voorschrift 17.2.1 genoemde activiteiten de activiteiten betreffen zoals aangegeven op pagina 6 van het akoestisch rapport nr. 211-VKi21-il-v5. Deze activiteiten mogen per jaar maximaal 12 keer plaatsvinden, waarbij de hoofdafvoer van mest maximaal 200 minuten per keer in een aaneengesloten periode van 12 uur mag duren.

4.2. Het college heeft bij de beoordeling van de door de inrichting veroorzaakte geluidhinder de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening tot uitgangspunt genomen. In paragraaf 5.3 van de Handreiking is vermeld dat op grond van een afweging van belangen kan worden toegestaan dat maximaal twaalf keer per jaar (uitgangspunt is dat het per keer steeds gaat om één, aaneengesloten, periode van maximaal een etmaal) activiteiten worden uitgevoerd die meer geluid veroorzaken dan de geluidgrenzen voor de representatieve bedrijfssituatie uit de vergunning. Het gaat dan om bijzondere activiteiten (incidentele bedrijfssituaties), welke niet worden gerekend tot de representatieve bedrijfssituatie.

4.3. Hoewel het afvoeren van mest inherent is aan de activiteiten van een varkenshouderij en binnen de inrichting ook als onderdeel van de representatieve bedrijfssituatie varkensmest wordt afgevoerd, kan de hoofdafvoer van mest waarop vergunningvoorschrift 17.2.2 betrekking heeft, gelet op de aard en de omvang daarvan, niet als kenmerkend voor de representatieve bedrijfsvoering van de inrichting worden beschouwd. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat voor de hoofdafvoer van mest, die maximaal twaalf keer per jaar plaatsvindt, ten hoogste tien vrachtwagens in de dagperiode de inrichting zullen bezoeken en dat het oppompen van mest ten hoogste 20 minuten per vrachtwagen in beslag neemt, derhalve 200 minuten in totaal. Gelet hierop heeft het college de hoofdafvoer van mest mogen aanmerken als een bijzondere activiteit die niet kan worden gerekend tot de representatieve bedrijfssituatie.

Het betoog faalt.

5. [appellant] voert aan dat het college onvoldoende heeft beoordeeld of voor de hoofdafvoer van mest 200 minuten per keer noodzakelijk is. [appellant] stelt dat het mogelijk is deze activiteit in een korter tijdsbestek uit te uitvoeren. Voorts heeft het college volgens hem onvoldoende beoordeeld of deze activiteit minder dan twaalf keer per jaar kan plaatsvinden.

5.1. Aangevraagd is vergunning voor hoofdafvoer van mest op maximaal twaalf dagen per jaar. In het aan het besluit van 24 juli 2012 ten grondslag gelegde akoestisch rapport van 27 september 2011 staat dat het oppompen van mest 20 minuten per vrachtwagen in beslag neemt en dat per keer dat de hoofdafvoer van mest plaatsvindt, maximaal tien vrachtwagens nodig zijn. [appellant] heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van deze gegevens naar voren gebracht. In zoverre bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid in vergunningvoorschrift 17.2.2 heeft kunnen bepalen dat de hoofdafvoer in een periode van twaalf uur maximaal 200 minuten mag duren. Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college er op grond van de hem beschikbare gegevens aan had moeten twijfelen of het noodzakelijk is de hoofdafvoer van mest twaalf keer per jaar plaats te laten vinden en daar nader onderzoek naar had moeten verrichten.

Het betoog faalt.

6. [appellant] voert aan dat het college ten onrechte niet heeft afgewogen of afschermende maatregelen inpasbaar zijn ter beperking van geluidhinder in de incidentele bedrijfssituatie.

6.1. In het besluit van 2 juli 2013 wordt vermeld dat de mogelijkheden om de specifieke geluidbronnen om de afvoer van mest te reduceren, beperkt zijn en maatregelen om geluidbronnen af te schermen, nauwelijks inpasbaar zijn. Het college heeft derhalve de mogelijkheid van afschermende maatregelen onder ogen gezien. Nu [appellant] voorts geen afschermende maatregelen heeft genoemd die eventueel mogelijk zijn ter beperking van het geluidniveau in de incidentele bedrijfssituatie, heeft het college, gelet ook op de omstandigheden dat de hoofdafvoer van mest is beperkt tot maximaal twaalf dagen per jaar en ter beperking van de geluidbelasting de duur van deze activiteit is beperkt, in redelijkheid kunnen oordelen dat de in vergunningvoorschrift 17.2.1 opgenomen maximale langtijdgemiddelde geluidniveaus in de incidentele bedrijfssituatie acceptabel zijn.

Het betoog faalt.

7. [appellant] voert aan dat in vergunningvoorschrift 17.2.2 ten onrechte is bepaald dat het moet gaan om maximaal 200 minuten per keer in een aaneengesloten dagperiode van twaalf uur.

7.1. In vergunningvoorschrift 17.2.1 is uitsluitend voor de dagperiode (7.00 tot 19.00 uur) een afwijking van het langtijdgemiddelde geluidniveau in de representatieve bedrijfssituatie, zoals gesteld in vergunningvoorschrift 17.1.2, ten behoeve van de incidentele bedrijfssituatie opgenomen. Reeds gelet hierop is duidelijk dat voor de hoofdafvoer van mest, zoals omschreven in voorschrift 17.2.2, alleen in de dagperiode hogere geluidniveaus gelden.

Het betoog faalt.

8. [appellant] betoogt dat vergunningvoorschrift 17.2.2 onvoldoende handhaafbaar is. Volgens hem kan het college niet handhaven dat de hoofdafvoer van mest maximaal 200 minuten duurt.

8.1. In vergunningvoorschrift 17.2.2 is bepaald dat de hoofdafvoer van mest per keer maximaal 200 minuten mag duren. Het voorschrift is zodanig concreet dat niet valt in te zien waarom het niet handhaafbaar zou zijn. Daarbij wordt voorts in aanmerking genomen dat in de vergunningvoorschriften 17.2.3 tot en met 17.2.5 onder meer is bepaald dat de vergunninghouder ten minste vijf dagen voordat de hoofdafvoer van mest plaatsvindt, dit aan het bevoegd gezag moet melden en van de hoofdafvoer van mest een logboek moet bijhouden.

Het betoog faalt.

9. Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 24 juli 2012 is gezien de tussenuitspraak gedeeltelijk gegrond. Dit besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd, voor zover het de vergunningvoorschriften 17.2.1 en 17.2.2 betreft. Het beroep tegen dit besluit is voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 2 juli 2013 is ongegrond.

10. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Venray van 24 juli 2012, kenmerk mm080049, gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt dat besluit, voor zover het vergunningvoorschriften 17.2.1 en 17.2.2 betreft;

III. verklaart het beroep tegen dat besluit voor het overige ongegrond;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Venray van 2 juli 2013, kenmerk HZ-WIJZ-2013-0001/MM080049, ongegrond;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Venray tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 708,00 (zegge: zevenhonderdacht euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Venray aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Sorgdrager, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Heijninck, ambtenaar van staat.

w.g. Sorgdrager w.g. Heijninck

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2013

457-784.