Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:982

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
04-09-2013
Zaaknummer
201206870/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2012:591, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 30 maart 2010 heeft het college op een verzoek van [appellant] om de eerste 100 krachtens de Wet werk en bijstand vanaf 1 januari 2008 gegeven herzieningsbeschikkingen openbaar te maken beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201206870/1/A3.

Datum uitspraak: 4 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Almere,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 1 juni 2012 in zaak nr. 12/97 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Almere.

Procesverloop

Op 30 maart 2010 heeft het college op een verzoek van [appellant] om de eerste 100 krachtens de Wet werk en bijstand vanaf 1 januari 2008 gegeven herzieningsbeschikkingen openbaar te maken beslist.

Bij besluit van 6 juli 2010 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 november 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college, met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen, opnieuw op het gemaakte bezwaar beslist.

Bij besluit van 15 december 2011 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 juni 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juli 2013, waar [appellant], vertegenwoordigd door R.V. Tjon en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Veenman, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) kan een ieder een verzoek om informatie, neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid, richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, verstrekt het bestuursorgaan de informatie met betrekking tot de documenten die de verlangde informatie bevatten door:

a. kopie ervan te geven of de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken,

b. kennisneming van de inhoud toe te staan,

c. een uittreksel of een samenvatting van de inhoud te geven, of

d. inlichtingen daaruit te verschaffen.

Ingevolge het tweede lid verstrekt het bestuursorgaan de informatie in de door de verzoeker verzochte vorm, tenzij:

a. het verstrekken van de informatie in die vorm redelijkerwijs niet gevergd kan worden;

b. de informatie reeds in een andere, voor de verzoeker gemakkelijk toegankelijke vorm voor het publiek beschikbaar is.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege, voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen:

[…];

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

[…].

Ingevolge het derde lid, is het tweede lid, aanhef en onder e, niet van toepassing, voor zover de betrokken persoon met de openbaarmaking heeft ingestemd.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Verordening inzake de behandeling van bezwaar- en beroepschriften (hierna: de Verordening) wordt in deze verordening onder wet verstaan: de Algemene wet bestuursrecht.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is er een commissie ter voorbereiding van de beslissing op gemaakte bezwaren en ingestelde administratieve beroepen, als bedoeld in artikel 1:5 van de wet.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, beraadslaagt en beslist de commissie achter gesloten deuren over het door haar uit te brengen advies.

2. [appellant] heeft aanvankelijk verzocht om toezending van de criteria die worden toegepast bij het toekennen of afwijzen van herzieningsverzoeken en de in 2008 en 2009 ten gunste van cliënten herziene besluiten. Na overleg met het college heeft hij verzocht om openbaarmaking van de eerste 100 herzieningsbesluiten vanaf 1 januari 2008. Het college heeft de eerste 100 herzieningsbesluiten vanaf 1 januari 2008 bij het besluit van 30 maart 2010 openbaar gemaakt. Het heeft daarbij geweigerd de namen van de in de beschikkingen genoemde behandelend ambtenaren openbaar te maken, omdat het belang van openbaarmaking van die namen niet tegen dat van de eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer opweegt.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college hem meer documenten heeft verstrekt, dan waarom hij heeft verzocht. Hij heeft - naast begunstigende beschikkingen - ook besluiten ontvangen, waarbij niet begunstigend is beschikt. Hiervoor zijn hem kosten in rekening gebracht, zonder dat daartegen rechtsmiddelen openstaan. Verder heeft de rechtbank in de omstandigheid dat één van de herzieningsbeschikkingen hem niet bij besluit van 30 maart 2010, maar bij brief van 30 juni 2010, is toegezonden ten onrechte geen grond gezien om het beroep gegrond te verklaren.

Het college heeft de ontbrekende herzieningsbeschikking pas na het ingediende bezwaarschrift aan hem toegezonden en voor het niet verstrekken van dit stuk geen verschoonbare reden gegeven, aldus [appellant].

3.1. De Afdeling begrijpt het betoog aldus, dat de rechtbank heeft miskend dat het college er ten onrechte van uit is gegaan dat zijn verzoek om openbaarmaking op de eerste 100 herzieningsbeschikkingen in plaats van de eerste 100 herzieningsbeschikkingen met een begunstigend karakter ziet.

Hoewel het oorspronkelijke verzoek van [appellant] op alle beschikkingen uit 2008 en 2009 met een begunstigend karakter ziet, is niet in geschil dat nader overleg heeft plaatsgevonden tussen het college en [appellant] en deze de uitkomsten hiervan schriftelijk heeft bevestigd en verzocht om toezending van de eerste 100 herzieningsverzoeken vanaf 1 januari 2008. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college het verzoek desondanks ten onrechte niet heeft geduid als uitsluitend gericht op beschikkingen met een begunstigend karakter. Zij heeft terecht geoordeeld dat het besluit van 30 maart 2010 strekt tot openbaarmaking van de door [appellant] verzochte documenten.

Het college heeft één herzieningsbeschikking niet toegezonden, omdat die eerder in een andere procedure door het college aan de gemachtigde van [appellant], die namens hem om toezending had verzocht, was toegezonden. De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het college met de verlate toezending bij brief van 30 juli 2010 niet gedeeltelijk aan het bezwaar tegemoet is gekomen. Bij brief van 30 maart 2010 had het al tot openbaarmaking van dit document beslist, zodat de enkele verlate toezending niet de rechtmatigheid van dit besluit betreft.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften ten onrechte aan het in beroep bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, nu de commissieleden niet hebben beraadslaagd, maar zich slechts per email individueel met de inhoud van het advies akkoord hebben verklaard, zodat het in strijd met artikel 16, eerste lid, van de Verordening tot stand is gekomen. Verder heeft de commissie ten onrechte na de hoorzitting door het college ingebrachte stukken toegelaten en hem niet in de gelegenheid gesteld om erop te reageren, aldus [appellant].

4.1. Aan de uitspraak van 3 november 2011 heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat niet is gebleken of aannemelijk gemaakt dat het aan het besluit van 6 juli 2010 ten grondslag liggende advies door ten minste drie leden van de commissie is uitgebracht. Na deze uitspraak is het eerder uitgebrachte advies op 1 december 2011 als concept aan de commissieleden voorgelegd. Zij hebben in dat stadium, zowel het advies, als de uitspraak van de rechtbank van 3 november 2011, toegezonden gekregen, terwijl hun voorts de overige op de zaak betrekking hebbende stukken ter beschikking stonden. Per e-mailbericht hebben de commissieleden hun standpunt kenbaar gemaakt. Nu de commissieleden het conceptadvies hebben ingezien en hun standpunt hieromtrent kenbaar hebben gemaakt, kan een beraadslaging, als bedoeld in artikel 16, eerste lid van de Verordening, over het conceptadvies geacht worden te hebben plaatsgevonden.

Blijkens het verslag van de hoorzitting werd ter zitting bij de bezwaarschriftencommissie geen duidelijkheid verkregen over de vraag of de eerste 100 herzieningsbesluiten van 2008 aan [appellant] zijn toegestuurd.

Op verzoek van de commissie heeft het college nader onderzoek gedaan en haar bij brief van 21 juni 2010 in kennis gesteld van de resultaten van dat onderzoek. Dat [appellant] - naar deze onweersproken heeft gesteld - niet in de gelegenheid is gesteld hierop te reageren, leidt niet tot vernietiging van het bestreden besluit. Niet is gebleken dat [appellant] hierdoor in zijn belangen is geschaad, nu de brief, inhoudelijk gezien, niets nieuws bevatte en de inhoud van de brief grotendeels overeenkomt met hetgeen bij de hoorzitting van de bezwaarcommissie ter sprake is gekomen.

Ook dit betoog faalt.

5. Vervolgens betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de behandelend ambtenaren zwaarder dient te wegen dan dat van openbaarmaking van deze informatie. Voor zover de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zich tegen openbaarmaking van de namen van de ambtenaren verzet, had het college in elk geval hun initialen in de herzieningsbeschikkingen niet mogen weglaten, aldus [appellant].

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 juni 2008 in zaak nr. 200706367/1), kan, waar het gaat om beroepshalve functioneren van ambtenaren, het belang van eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer slechts in beperkte mate aan openbaarmaking in de weg staan. Dit ligt anders, indien het het openbaar maken van namen van de ambtenaren betreft. Namen zijn persoonsgegevens en het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kan zich tegen het openbaar maken daarvan verzetten. Voorts gaat het hier niet om het opgeven van een naam aan een individuele burger die met een ambtenaar in contact treedt, maar om openbaarmaking ervan. Dat de namen van de ambtenaren in een beschikking, gericht tot een persoon, staan, betekent niet dat zij met openbaarmaking van hun persoonsgegevens hebben ingestemd. De rechtbank heeft terecht in het in beroep aangevoerde geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in dit geval zwaarder weegt dan dat van openbaarmaking.

Voorts verzet de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich evenzeer tegen openbaarmaking van de initialen, omdat deze eenvoudig tot de persoon te herleiden zijn. Vervanging van persoonsgegevens door initialen of een andere wijze van geïndividualiseerde aanduiding kan ertoe leiden dat door het leggen van verbanden alsnog wordt achterhaald, welke ambtenaren het betreft.

Het betoog faalt.

6. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het aan hem toesturen van papieren versies van de herzieningsbesluiten niet onredelijk is, wordt overwogen dat het college in het bestreden besluit en ter zitting heeft toegelicht dat, gelet op de wijze waarop het digitale proces is ingericht, het verstrekken van de informatie in digitale vorm in dit geval redelijkerwijs niet kon worden gevergd. Gelet op het bepaalde in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, heeft het college, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, daarom met het toesturen van papieren versies van de documenten mogen volstaan.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2013

317-782.