Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:973

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
04-09-2013
Zaaknummer
201101215/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoogstede-Klingelbeek" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101215/1/R2.

Datum uitspraak: 4 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] (hierna: [appellanten sub 1]), beiden wonend te Arnhem,

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Arnhem,

3. de vereniging Buurtvereniging Hoogstede-Klingelbeek (hierna: de Buurtvereniging), gevestigd te Arnhem,

en

de raad van de gemeente Arnhem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoogstede-Klingelbeek" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen, de Buurtvereniging en [belanghebbende A] en [belanghebbende B] (hierna: [belanghebbende]) beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 november 2011, waar [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], de Buurtvereniging, vertegenwoordigd door R. ten Hoedt, [belanghebbende], bijgestaan door mr. A.M. de Wit en M.O. Meij, en de raad, vertegenwoordigd door mr. G. Paling, mr. J.W. van der Bij, Th.P. Kalsbeek en U. Buitenhuis, allen werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. V.A. Textor, advocaat te Arnhem, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 7 maart 2012 met zaaknummer 201101215/1/T1/R2 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 13 december 2010 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 14 juni 2012 heeft de raad verzocht om verlenging van de in de tussenuitspraak bepaalde termijn. Bij beschikking van 5 juli 2012 heeft de Afdeling daarop besloten de termijn te verlengen tot en met 25 september 2012. Deze beschikking is aangehecht.

Bij brief van 19 september 2012 heeft de raad te kennen gegeven het gebrek te hebben hersteld door een nadere motivering te geven.

[belanghebbende] is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze hierover naar voren te brengen. [belanghebbende] heeft bij brief van 17 oktober 2012 verzocht de termijn voor het indienen van een zienswijze te verlengen. De Afdeling heeft daarop bij brief van 22 oktober 2012 de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen verlengd tot en met 12 november 2012.

[belanghebbende] heeft daarop een zienswijze naar voren gebracht. Daarin heeft [belanghebbende] onder meer aangegeven dat de raad en hij in overleg zijn over het mogelijk bereiken van minnelijke overeenstemming. Bij brief van 20 november 2012 heeft de raad gesteld dat de mogelijkheid bestaat dat hij zijn nadere motivering zal wijzigen. Door zowel [belanghebbende] als de raad is verzocht met voornoemde ontwikkelingen rekening te houden. Daarop is door de Afdeling bij brief van 5 december 2012 bericht dat de zaak zal worden aangehouden tot uiterlijk 5 april 2013.

Bij brieven van 28 maart 2013 en 29 maart 2013 hebben [belanghebbende] respectievelijk de raad de Afdeling verzocht de zaak aan te houden tot 1 juli 2013, vanwege hun stellige overtuiging tot overeenstemming te kunnen komen op basis van een uitvoeringsvoorstel. De Afdeling heeft daarop bij brief van 4 april 2013 besloten de zaak aan te houden tot 1 juli 2013.

Bij fax van 17 juli 2013 heeft [belanghebbende] zijn beroep ingetrokken.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Het beroep van [belanghebbende]

1. In de tussenuitspraak van 7 maart 2012 heeft de Afdeling overwogen dat zij in hetgeen [belanghebbende] heeft aangevoerd aanleiding ziet voor het oordeel dat het besluit van 13 december 2010, voor zover dat ziet op de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" ter plaatse van de verbindingsweg, niet berust op een deugdelijke motivering. De Afdeling heeft de raad daarbij opgedragen het geconstateerde gebrek in het besluit te herstellen. De raad heeft beoogd dit gebrek te herstellen door het besluit te handhaven onder aanvulling van een nadere motivering.

1.1. [belanghebbende] heeft, nadat hij met de raad tot overeenstemming is gekomen, zijn beroep op 17 juli 2013 ingetrokken.

De beroepen van [appellant sub 2] en anderen en de Buurtvereniging

2. Gelet op de overwegingen 2.7.6, 2.8.2 en 2.10 van de tussenuitspraak zijn de beroepen van [appellant sub 2] en anderen en de Buurtvereniging ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 1]

3. Voor zover [appellanten sub 1] hebben betoogd dat de bebouwingsgrens dient te worden opgeschoven, volgt uit overweging 2.11.2 van de tussenuitspraak dat hun betoog niet slaagt.

Gelet op overweging 2.11.2 van de tussenuitspraak is het beroep van [appellanten sub 1] gegrond. Het bestreden besluit dient daarom, voor zover dat het plandeel met de bestemming "Groen", voor het perceel [locatie], betreft, wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te worden vernietigd.

Uit overweging 2.11.2 van de tussenuitspraak volgt voorts dat door de raad is erkend dat de bestemming "Groen" op het perceel van [appellanten sub 1] niet passend is, nu de bestemming "Groen" voorziet in openbare groenvoorzieningen. De raad heeft bij brief van 16 februari 2011 de Afdeling te kennen gegeven de wens van [appellanten sub 1] om de bestemming te wijzigen van "Groen" naar "Wonen" te onderschrijven.

Nu de raad heeft verklaard dat de bestemming "Groen", voor zover dat het perceel van [appellanten sub 1] aan de [locatie] betreft, kan worden gewijzigd naar "Wonen", en nu niet aannemelijk is dat hierdoor belangen van derden worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, zelf voorziend de bestemming voor voornoemde gronden aan te passen als hierna onder III vermeld en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit voor zover dat is vernietigd.

Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskostenveroordeling

4. Ten aanzien van [appellanten sub 1] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, niet gebleken. Ten aanzien van [appellant sub 2] en anderen en de Buurtvereniging bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Arnhem van 13 december 2010 voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Groen", voor het perceel [locatie] te Arnhem;

III. bepaalt dat de bestemming "Groen" op het perceel [locatie] te Arnhem wordt gewijzigd in de bestemming "Wonen";

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dat is vernietigd en daarbij is besloten omtrent de vaststelling van het onder III. genoemde plandeel;

V. draagt de raad van de gemeente Arnhem op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel III wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 2] en anderen en de vereniging Buurtvereniging Hoogstede-Klingelbeek ongegrond;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Arnhem aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Tuit

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2013

425-704.