Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:96

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
201301968/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:1405, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 september 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 1
Vreemdelingenwet 2000 50
Vreemdelingenwet 2000 62
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2013/284
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201301968/1/V3.

Datum uitspraak: 19 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 februari 2013 in

zaak nr. 12/32395 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 13 februari 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Bij brief van 25 september 2012 heeft de vreemdeling tijdig beroep ingesteld tegen het besluit van 22 september 2012. Bij uitspraak van 20 december 2012 in zaak nr. 12/30603, waarvan een afschrift zich onder de op de zaak betrekking hebbende stukken bevindt, heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard in verband met het ontbreken van de daaraan ten grondslag liggende gronden en een afschrift van voormeld besluit. Deze uitspraak staat in rechte vast.

2. Bij brief van 11 oktober 2012 heeft de vreemdeling wederom tijdig beroep ingesteld tegen het besluit van 22 september 2012. Bij brief van 8 november 2012 heeft de vreemdeling de aan dit beroep ten grondslag liggende gronden ingediend.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van 11 oktober 2012 niet-ontvankelijk verklaard en daartoe overwogen dat de Awb geen ruimte biedt voor het gelijktijdig aanhangig zijn van twee of meer beroepen van dezelfde belanghebbende tegen hetzelfde besluit.

De vreemdeling klaagt in de enige grief onder meer dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat is voldaan aan de bij de wet gestelde vereisten voor het in behandeling nemen van voormeld beroep. De rechtbank heeft dit beroep dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, aldus de vreemdeling.

3.1. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is in de Awb noch in de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bepaald dat in een geval als dit een tweede beroep tegen hetzelfde besluit van dezelfde belanghebbende niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2012 in zaak nr. 201204324/1/V2. Voorts betoogt de vreemdeling terecht dat is voldaan aan de bij de wet gestelde vereisten voor het in behandeling nemen van het beroep van 11 oktober 2012.

De rechtbank heeft dit beroep derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

De enige grief slaagt in zoverre.

4. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen de vreemdeling overigens aanvoert, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 22 september 2012 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

5. De vreemdeling heeft betoogd dat het terugkeerbesluit onrechtmatig is, omdat de bewaringsrechter de onmiddellijk aan de inbewaringstelling van 22 september 2012 voorafgaande staandehouding onrechtmatig heeft bevonden. Nu het terugkeerbesluit aldus onrechtmatig is, houdt het inreisverbod volgens de vreemdeling ook geen stand.

5.1. Een terugkeerbesluit behelst ingevolge artikel 1, aanhef en onder s, van de Vw 2000, gelezen in verbinding met artikel 3, vierde lid, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348; hierna: de Terugkeerrichtlijn), de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld. Een aan het nemen van een terugkeerbesluit voorafgaande onrechtmatige staandehouding doet aan die vaststelling geen afbreuk. Voorts is voor het nemen van een dergelijk besluit, anders dan voor het nemen van een besluit tot het opleggen van een maatregel van bewaring, niet vereist dat de betrokken vreemdeling zich in de macht van de bevoegde autoriteiten bevindt.

Gelet hierop is, zoals de staatssecretaris terecht ter zitting van de rechtbank naar voren heeft gebracht, een staandehouding niet van directe betekenis voor het nemen van een terugkeerbesluit. De omstandigheid dat de bewaringsrechter de onmiddellijk aan de inbewaringstelling van 22 september 2012 voorafgaande staandehouding onrechtmatig heeft bevonden, maakt derhalve niet dat het terugkeerbesluit en daarmee het inreisverbod onrechtmatig zijn.

De beroepsgrond faalt.

6. De vreemdeling heeft verder betoogd dat de staatssecretaris het inreisverbod ten onrechte krachtens artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 heeft uitgevaardigd. Daartoe heeft de vreemdeling naar voren gebracht dat in zijn geval geen risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken.

6.1. Ingevolge artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan de staatssecretaris in afwijking van het eerste lid bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.

Ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, vaardigt de staatssecretaris een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid.

6.2. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 22 september 2012 op het standpunt gesteld dat een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. De vreemdeling heeft de feitelijke juistheid van de door de staatssecretaris aan dat standpunt ten grondslag gelegde gronden nimmer betwist. Die gronden zijn in beginsel voldoende om het bestaan van voormeld risico aan te nemen.

Nu de vreemdeling geen omstandigheden heeft gesteld die tot afwijking van dit uitgangspunt nopen, kunnen de gronden het onthouden van een vertrektermijn wegens het bestaan van dat risico rechtvaardigen. De staatssecretaris heeft het inreisverbod derhalve krachtens artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 mogen uitvaardigen.

De beroepsgrond faalt.

7. De vreemdeling heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de staatssecretaris op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw 2000 had moeten afzien van het uitvaardigen van het inreisverbod. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij niet crimineel is, in principe niets fout heeft gedaan en er voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Terugkeerrichtlijn geen ongewenstverklaring dan wel een signalering zou zijn opgelegd. Een inreisverbod is disproportioneel en niet noodzakelijk, aldus de vreemdeling. Hierbij wijst hij op een brief van 8 februari 2012 van de Standing committee of experts on international immigration, refugee and criminal law (Meijers Committee).

7.1. Ingevolge artikel 66a, achtste lid, van de Vw 2000 kan de staatssecretaris, in afwijking van het eerste lid, om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod.

7.2. Het betoog van de vreemdeling slaagt niet, omdat uit de formulering van deze bepaling volgt dat de staatssecretaris bij de toepassing hiervan beoordelingsvrijheid toekomt en de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden niet nopen tot de conclusie dat de staatssecretaris in redelijkheid van het uitvaardigen van het inreisverbod had moeten afzien.

De beroepsgrond faalt.

8. De vreemdeling heeft ten slotte aangevoerd dat de staatssecretaris niet heeft gemotiveerd waarom het inreisverbod voor de duur van twee jaren en niet voor een kortere duur geldt. Volgens de vreemdeling heeft de staatssecretaris de duur van het inreisverbod niet bepaald aan de hand van alle relevante individuele omstandigheden. In dit verband wijst de vreemdeling erop dat hij tijdens het gehoor bij het inreisverbod van 22 september 2012 (hierna: het gehoor) heeft verklaard dat hij het niet snapt. Dit maakt dat niet is voldaan aan de rechtswaarborgen die gelden bij het uitvaardigen van het inreisverbod, aldus de vreemdeling.

8.1. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 15 juni 2012 in zaken nrs. 201201202/1/V4 en 201202257/1/V3 overweegt de Afdeling dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de benadering van de staatssecretaris, waarin hij in het geval dat zich de omstandigheid als bedoeld in artikel 6.5a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 voordoet - behoudens bijzondere individuele omstandigheden - een inreisverbod voor de duur van twee jaren uitvaardigt, in strijd is met de tekst of strekking van de Terugkeerrichtlijn.

Voorts overweegt de Afdeling onder verwijzing naar voormelde uitspraken dat dit onverlet laat dat uit artikel 4:8, eerste lid, van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, voortvloeit dat de staatssecretaris de desbetreffende vreemdeling in de gelegenheid moet stellen om individuele omstandigheden aan te voeren op grond waarvan volgens die vreemdeling aanleiding bestaat het inreisverbod niet uit te vaardigen dan wel de duur daarvan te verkorten. Indien een vreemdeling zodanige omstandigheden heeft aangevoerd, zal de staatssecretaris, indien hij daarin geen aanleiding ziet om het inreisverbod niet uit te vaardigen dan wel de duur daarvan te verkorten, ingevolge artikel 3:46 van de Awb dit standpunt dienen te motiveren.

8.2. Blijkens het op 22 september 2012 op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van het gehoor, waarnaar de staatssecretaris in het besluit van dezelfde dag heeft verwezen, heeft de staatssecretaris de vreemdeling voldoende in de gelegenheid gesteld om vorenbedoelde individuele omstandigheden aan te voeren. Voorts blijkt uit dat proces-verbaal dat de vreemdeling de hem gestelde vragen ontkennend heeft beantwoord dan wel heeft geweigerd die vragen te beantwoorden.

Onder deze omstandigheden heeft de staatssecretaris, gelet op hetgeen onder 8.1. is overwogen, geen aanleiding hoeven zien om het inreisverbod niet uit te vaardigen dan wel de duur daarvan te verkorten en maakt de enkele verklaring van de vreemdeling tijdens het gehoor dat hij het niet snapt, niet dat het inreisverbod ondeugdelijk tot stand is gekomen.

De beroepsgrond faalt.

9. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 22 september 2012 alsnog ongegrond verklaren.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 februari 2013 in zaak nr. 12/32395;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van Dokkum

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2013

480-714.