Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:95

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
201301468/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Infrastructuur Turnhoutsweg-Boeierweg, Zwolle" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201301468/1/R6.

Datum uitspraak: 26 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Zwolle,

en

de raad van de gemeente Zwolle,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Infrastructuur Turnhoutsweg-Boeierweg, Zwolle" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2013, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door mr. P.J.E. van den Broek-Bredewold, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. De raad stelt dat [appellant] geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het plan maakt onder meer een nieuwe uitrit voor vrachtwagenproducent Scania en de herinrichting van de Turnhoutsweg-Boeierweg mogelijk. Het verkeer en de overlast daarvan op de Turnhoutsweg zal daardoor afnemen, zodat [appellant] niet gebaat is bij een vernietiging van het plan.

2.1. De Afdeling overweegt dat [appellant] vreest dat de regeling in het bestemmingsplan onvoldoende is om de overlast te doen afnemen. Gelet hierop heeft hij naar het oordeel van de Afdeling belang bij een beoordeling van zijn beroep.

3. [appellant] woont op de [locatie], nabij het plangebied. Hij betoogt dat de illegaal aangelegde ontsluitingsweg voor vrachtwagenproducent Scania ten onrechte in het plan is opgenomen, terwijl het plan juist een nieuwe uitrit voor dit bedrijf mogelijk maakt vanwege de bestaande overlast. Volgens [appellant] bestaat geen noodzaak om de bestaande ontsluitingsweg open te houden voor alle verkeer en zou deze alleen opengesteld moeten worden voor Rijkswaterstaat om de reservesluisdeuren bij het Zwolle-IJsselkanaal te bereiken.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bedoelde weg geen deel uitmaakt van het bestemmingsplan. Het plan maakt een nieuwe uitrit voor Scania mogelijk. Na realisatie daarvan zal Scania geen gebruik meer maken van de door [appellant] bedoelde ontsluitingsweg. Daarmee zal het grootste deel van het verkeer op de Turnhoutsweg worden weggenomen, aldus de raad.

3.2. De Afdeling stelt vast dat de door [appellant] bedoelde weg buiten het plangebied valt en daarmee in de onderhavige procedure niet aan de orde kan komen.

Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat het open houden van deze weg zodanige gevolgen heeft voor het verkeer en de verkeerssituatie op de Turnhoutsweg dat niettemin een plangrensoverschrijdende beoordeling dient plaats te vinden, overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting heeft gesteld dat rekening is gehouden met beperkt verkeer van de oude uitrit naar de Turnhoutsweg. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding daaraan te twijfelen. Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat het plan onvoldoende onderbouwing bevat met betrekking tot de gevolgen voor geluid. Aangezien geen onderzoek hiernaar is gedaan is niet duidelijk wat de akoestische gevolgen van het plan zijn.

4.1. Ingevolge artikel 74, eerste lid, onder a, sub 1, van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh), heeft een weg in stedelijk gebied een zone die zich uitstrekt vanaf de as van de weg, bestaande uit een of twee rijstroken of een of twee sporen, tot een breedte van 200 m aan weerszijden van de weg.

Ingevolge het tweede lid, onder b, geldt het eerste lid niet met betrekking tot een weg waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/u geldt.

Ingevolge artikel 80, eerste lid, wordt vanwege de wegaanlegger binnen de zone een akoestisch onderzoek van de in artikel 77 omschreven strekking ingesteld.

Ingevolge artikel 99, eerste lid, wordt tot reconstructie van een weg, indien binnen de aanwezige of toekomstige zone van die weg woningen aanwezig zijn, niet overgegaan dan na een met overeenkomstige toepassing van artikel 80 ingesteld onderzoek.

Ingevolge het derde lid, worden bij het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid de waarden die ingevolge artikel 100 als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt, in acht genomen.

Ingevolge het vierde lid, wordt ingeval bij de reconstructie het aantal rijstroken zal worden verhoogd, de zone in aanmerking genomen, die uit het hogere aantal rijstroken zal voortvloeien.

Ingevolge artikel 100, eerste lid, is de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege een te reconstrueren weg van de gevel van woningen binnen de zone 48 dB.

4.2. Met betrekking tot de akoestische situatie vermeldt de plantoelichting dat als gevolg van het plan alleen ter hoogte van de Boeierweg en de Schoenerweg een nieuwe verbinding wordt gerealiseerd. Aangezien de afstand tot de meest nabijgelegen woningen meer dan 200 m bedraagt is akoestisch onderzoek niet noodzakelijk, zo staat in de plantoelichting. De overige maatregelen zijn onder andere gericht op het ontlasten van het gebruik door vrachtverkeer van de Turnhoutsweg-Boeierweg om de ervaren geluidsoverlast voor de direct omwonenden door sluipverkeer terug te dringen.

4.3. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting wordt beoogd om de Turnhoutsweg in te richten als 30 km/u-weg. De Afdeling stelt echter vast dat ten tijde van de vaststelling van het plan, noch ten tijde van de zitting, een verkeersbesluit was genomen dat voorziet in de beoogde maximumsnelheid van 30 km/u voor de Turnhoutsweg. Het verkeersbesluit van 7 maart 2013 voorziet slechts in een adviessnelheid. Ook is de beoogde inrichting van de Turnhoutsweg niet in het plan of elders bindend vastgelegd. Het standpunt van de raad ter zitting dat de bestemming "Verkeer-Erftoegangsweg" een 30 km/u-weg impliceert is onjuist, aangezien de planregels niet tot een dergelijke inrichting van de weg verplichten. Derhalve dient te worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het plan en niet van een 30 km/u-weg. Gezien de breedte van het plandeel "Verkeer-Erftoegangsweg" en gelet op het feit dat het maximumaantal rijstroken binnen deze bestemming niet is vastgelegd in het plan, is niet uitgesloten dat ter plaatse van de Turnhoutsweg een reconstructie in de zin van de Wgh plaats kan vinden. Gelet hierop bestond ingevolge artikel 99 van de Wgh de verplichting tot het instellen van een akoestisch onderzoek.

De raad heeft dit niet onderkend, zodat het betoog slaagt.

5. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Verkeer-Erftoegangsweg", is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

6. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden van [appellant] geen bespreking meer.

7. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Voor zover [appellant] verzocht heeft om vergoeding van de gemaakte kosten voor het opstellen van een deskundigenrapport overweegt de Afdeling dat van een dergelijk rapport niet is gebleken. Derhalve komen deze genoemde kosten niet voor vergoeding in aanmerking.

De verzochte kosten van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand komen evenmin voor vergoeding in aanmerking, aangezien van beroepsmatig verleende rechtsbijstand sprake is wanneer de proceshandelingen worden uitgevoerd door een rechtshulpverlener. In dit geval was volgens [appellant] sprake van kosten voor advies bij het opstellen van een op eigen titel ingediend beroepschrift. Deze kosten voldoen niet aan dit uitgangspunt.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Zwolle van 10 december 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Infrastructuur Turnhoutsweg-Boeierweg, Zwolle", voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Verkeer-Erftoegangsweg";

III. draagt de raad van de gemeente Zwolle op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Zwolle tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 87,08 (zegge: zevenentachtig euro en acht cent);

V. gelast dat de raad van de gemeente Zwolle aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Bošnjaković

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2013

410-667.