Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:87

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-06-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
201304194/1/A1 en 201304194/2/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 mei 2012 heeft het college [appellante] op straffe van een dwangsom gelast een zonder vergunning aanwezige kantoor/paardenstal op het ongenummerde perceel achter [locatie] te Kootwijkerbroek, bekend als kadastrale gemeente Garderen, sectie [.], nr. [….], te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201304194/1/A1 en 201304194/2/A1.

Datum uitspraak: 20 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb) en (met toepassing van artikel 8:86 van die wet) op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Kootwijkerbroek, gemeente Barneveld,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 maart 2013 in zaak nr. AWB 12/4656 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Barneveld.

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2012 heeft het college [appellante] op straffe van een dwangsom gelast een zonder vergunning aanwezige kantoor/paardenstal op het ongenummerde perceel achter [locatie] te Kootwijkerbroek, bekend als kadastrale gemeente Garderen, sectie [.], nr. [….], te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 6 augustus 2012 heeft het het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Op 16 oktober 2012 heeft het college tot invordering van de verbeurde dwangsom besloten.

Bij uitspraak van 26 maart 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] tegen het besluit van 6 augustus 2012 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Zij heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 mei 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door G.G. Prinsen en mr. R. Benhadi, de laatste advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Hoekstra, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het college het gemaakte bezwaar terecht wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk heeft verklaard, heeft miskend dat het het besluit van 30 mei 2012 ten onrechte niet aan haar gemachtigde heeft verzonden.

2.1. Ingevolge artikel 2:1, eerste lid, van de Awb kan een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 6:17 zendt het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar of beroep te beslissen, indien iemand zich laat vertegenwoordigen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde.

2.2. Op 18 januari 2012 heeft het college [appellante] bericht dat het voornemens is om handhavend op te treden tegen een zonder vereiste vergunning op het perceel aanwezige paardenstal/kantoor. Naar aanleiding van dit bericht heeft haar gemachtigde het college bij brieven van 18 en 23 januari en 29 februari 2012 verzocht om openbaarmaking van de stukken met betrekking tot eerdere handhavingsprocedures inzake het perceel, teneinde het indienen van een zienswijze op het voornemen mogelijk te maken. Bij brieven van 31 januari, 2 en 20 februari 2012, gericht aan de gemachtigde, heeft het college hierop gereageerd. In deze brieven heeft het tevens medegedeeld dat het uitstel verleent voor het indienen van een zienswijze.

2.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 3 april 2012 in zaak nr. 201106007/1/V1), vloeit uit artikel 2:1 van de Awb voort dat het optreden van een gemachtigde tot gevolg heeft dat het contact met de belanghebbende in beginsel via deze gemachtigde verloopt. Heeft het bestuursorgaan weet van het optreden van een gemachtigde voor de belanghebbende in een bepaalde zaak, dan zal toezending van een besluit in die zaak uitsluitend aan de belanghebbende zelf in de regel tot gevolg hebben dat geen bekendmaking 'op de voorgeschreven wijze' heeft plaatsgevonden, zodat de termijn voor het aanwenden van rechtsmiddelen daartegen niet is aangevangen. Een verplichting van het bestuursorgaan tot het toezenden van stukken aan een ander dan de belanghebbende zelf kan evenwel niet worden aangenomen op grond van de enkele omstandigheid dat de belanghebbende in een andere zaak een gemachtigde heeft, dan wel in een eerdere zaak een gemachtigde had. Een verplichting daartoe kan eerst worden aangenomen, indien de belanghebbende het bestuursorgaan er zelf van op de hoogte heeft gesteld dat zijn gemachtigde in een andere of eerdere zaak ook in de betrokken zaak voor hem optreedt.

2.4. Hoewel het college er terecht op heeft gewezen dat [appellante] weliswaar in een andere procedure door de gemachtigde werd vertegenwoordigd en zij hem er niet van op de hoogte heeft gesteld dat de gemachtigde ook in deze zaak voor haar optreedt, kon het voor het college redelijkerwijs kenbaar zijn dat de gemachtigde ook in deze zaak voor haar optrad. In dit verband wordt gewezen op de correspondentie tussen de gemachtigde en het college in deze zaak, waaruit blijkt dat de gemachtigde naar aanleiding van het uitgebrachte voornemen tot handhaving van 18 januari 2012 een zienswijze namens [appellante] wilde indienen en het college hem daarvoor uitstel heeft verleend.

Nu het besluit van 30 mei 2012 niet naar de gemachtigde is verzonden, is het niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt en is de termijn voor het maken van bezwaar niet aangevangen. Het betoog slaagt.

3. Hangende het beroep tegen de last, is ingevolge artikel 5:39, eerste lid, van de Awb van rechtswege beroep ontstaan tegen het besluit van 16 oktober 2012. Het lag in de rede dat de rechtbank dat besluit bij de behandeling van het beroep zou betrekken. Zij heeft de door [appellante] daartegen gemaakte bezwaren evenwel niet daarbij betrokken. De aangevallen uitspraak komt ook om deze reden voor vernietiging in aanmerking.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de voorzitter het beroep van [appellante] tegen het besluit van 6 augustus 2012 van het college gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het college dient een nieuw besluit op het tegen het besluit van 30 mei 2012 gemaakte bezwaar te nemen en tevens te beslissen op het tegen het besluit van 16 oktober 2012 gemaakte bezwaar.

5. Gelet op het vorenstaande, ziet de voorzitter aanleiding na te melden voorlopige voorziening te treffen.

6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 maart 2013 in zaak nr. AWB 12/4656;

III. verklaart het bij de rechtbank in deze zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Barneveld van 6 augustus 2012, kenmerk 542002;

V. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Barneveld van 30 mei 2012, kenmerk 531290, en 16 oktober 2012, kenmerk 548588, tot zes weken, nadat opnieuw op het door [appellante] tegen die besluiten gemaakte bezwaar is beslist;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Barneveld tot vergoeding aan [appellante] van bij deze in verband met de behandeling van het beroep, het hoger beroep en het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.360,00 (zegge: tweeduizend driehonderdzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Barneveld aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 1.266,00 (zegge: twaalfhonderdzesenzestig euro) voor de behandeling van het beroep, het hoger beroep en het verzoek vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Pieters

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2013

473.