Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:84

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
201211526/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Eiland van Heesen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211526/1/R4.

Datum uitspraak: 26 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Leerdam,

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Leerdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Mikro Beheermaatschappij B.V. en [appellant sub 3B] (hierna: Mikro en [appellant sub 3B]), beide gevestigd te Sliedrecht,

appellanten,

en

1. de raad van de gemeente Leerdam,

2. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leerdam

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Eiland van Heesen" vastgesteld.

Bij besluit van 16 oktober 2012 heeft het college aan de vennootschap onder firma Leerdamse Projectontwikkelingsmaatschappij V.O.F een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een winkel en 17 appartementen met parkeergarage, het aanleggen van een uitrit en het kappen van bomen op het perceel Industrieweg 1 en 2 te Leerdam.

Bij besluit van 1 december 2011 heeft de raad besloten voornoemde besluiten gecoördineerd voor te bereiden en bekend te maken zoals bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).

Tegen deze besluiten hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en Mikro en [appellant sub 3B] beroep ingesteld.

[appellant sub 2] en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2013, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. B. van Eijk, advocaat te Amersfoort, [appellant sub 2] en anderen, in de persoon van [appellant sub 2], Mikro en [appellant sub 3B], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en ing. R. Snijders en bijgestaan door mr. R.J.G. Bäcker, advocaat te Rotterdam, en de raad en het college, vertegenwoordigd door J. Alkema en A.A. Siesling, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. Nettorama Verbruikersmarkten Oosterhout, vertegenwoordigd door H.H. Sulmann, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Staton Bouw B.V., vertegenwoordigd door ir. A.M.B. Dirken, gehoord.

Overwegingen

Het plan

Algemeen

1. Het plan voorziet in de realisering van een supermarkt van ongeveer 1.250 m2 bruto vloeroppervlak en 17 appartementen inclusief de bijbehorende parkeervoorzieningen op het perceel Industrieweg 1 en 2 te Leerdam. Blijkens de toelichting op het plan gaat het om de verplaatsing van de in de binnenstad gelegen supermarkt Nettorama naar deze nieuwe locatie.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Strijd met provinciaal beleid

3. [appellant sub 2] en anderen en Mikro en [appellant sub 3B] betogen dat het mogelijk maken van detailhandel aan de Industrieweg 1 en 2 te Leerdam in strijd is met artikel 9, eerste en tweede lid, van de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland. Daartoe voeren zij aan dat het plangebied is gelegen buiten de bestaande winkelconcentraties in de centra van Leerdam dan wel nieuwe wijkgebonden winkelcentra.

3.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Verordening Ruimte wijzen bestemmingsplannen voor gronden die zijn gelegen buiten de bestaande winkelconcentraties in de centra van steden, dorpen en wijken of nieuwe wijkgebonden winkelcentra, geen bestemmingen aan die nieuwe detailhandel mogelijk maken.

Ingevolge het tweede lid is het bepaalde in het eerste lid niet van toepassing op bestemmingsplannen die de volgende ontwikkelingen mogelijk maken:

a) perifere detailhandel, zoals bedoeld in het derde lid, mits de gronden op kaart 7 zijn aangewezen als opvanglocatie voor perifere detailhandel;

b) perifere detailhandel, zoals bedoeld in het derde lid, onder a, b, c en d, buiten de op kaart 7 aangewezen opvanglocaties voor perifere detailhandel, mits het gaat het om de vestiging van een individueel bedrijf en geen nieuwe perifere detailhandelsconcentratie ontstaat en, voor zover vestiging plaatsvindt op een bedrijventerrein, het aandeel van bedrijven in perifere detailhandel niet meer bedraagt dan 10% van het totale oppervlak van het bedrijventerrein;

c) nieuwe regionale winkelcentra op de locaties die zijn aangeduid op kaart 7;

d) kleinschalige detailhandel tot een bruto vloeroppervlak van 200 m2, zoals buurt- en gemakswinkels;

e) de verkoop van consumentenartikelen bij sport-, culturele, medische, recreatie- en vrije tijdsvoorzieningen (zoals stadions en ijsbanen), mits het assortiment aansluit bij deze voorzieningen;

f) de aflevering van door consumenten bestelde producten op een bedrijfslocatie waar deze producten worden geassembleerd en/of geproduceerd (zoals PC-configuraties op bestelling) of

g) uitbreiding van bestaande detailhandel, eenmalig met ten hoogste 10% van het bruto vloeroppervlak per vestiging.

Ingevolge het derde lid wordt onder perifere detailhandel, zoals bedoeld in het tweede lid, onder a en b, het volgende verstaan:

a) detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen;

b) detailhandel in zeer volumineuze goederen: auto’s, motoren, boten, caravans, keukens, badkamers, vloerbedekking, parket, zonwering, tenten, grove bouwmaterialen en landbouwwerktuigen;

c) tuincentra;

d) bouwmarkten;

e) grootschalige meubelbedrijven (inclusief in ondergeschikte mate woninginrichting en stoffering) met een bruto vloeroppervlak van minimaal 1.000 m2.

Op kaart 7 van de Verordening Ruimte zijn in Leerdam geen nieuwe regionale winkelcentra aangewezen.

3.2. De raad heeft bij brief van 7 mei 2013 te kennen gegeven dat na intern beraad en overleg met de provincie Zuid-Holland is gebleken dat het plan in strijd met artikel 9, eerste en tweede lid, van de Verordening Ruimte is vastgesteld. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. De betogen slagen.

Conclusie

4. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen en Mikro en [appellant sub 3B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen van [appellant sub 2] en anderen en Mikro en [appellant sub 3B] zijn gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Gezien deze vernietiging behoeven de overige beroepsgronden van [appellant sub 2] en anderen en Mikro en [appellant sub 3B] geen bespreking meer. Tevens bestaat, gelet op de aard van het aan het bestreden besluit klevende gebrek, hierin aanleiding het beroep van [appellant sub 1] gegrond te verklaren, zodat ook zijn beroepsgronden, wat daar verder ook van zij, geen bespreking behoeven.

5. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

De omgevingsvergunning

Algemeen

6. De bij het besluit van 16 oktober 2012 verleende omgevingsvergunning ziet op het bouwen van een winkel en 17 appartementen met parkeergarage, het aanleggen van een uitrit en het kappen van bomen op het perceel Industrieweg 1 en 2 te Leerdam. De Afdeling begrijpt de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en Mikro en [appellant sub 3B] aldus dat deze zijn gericht tegen de bij het besluit van 16 oktober 2012 verleende omgevingsvergunning voor zover deze ziet op het bouwen van de winkel en 17 appartementen met parkeergarage.

Strijd met bestemmingsplan

7. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en Mikro en [appellant sub 3B] voeren aan dat het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de winkel en 17 appartementen met parkeergarage dient te worden vernietigd, omdat het onderhavige plan geen stand kan houden en het bouwplan in strijd is met het voorheen geldende plan.

7.1. Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), voor zover hier van belang, wordt een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op de activiteit bouwen, geweigerd indien die in strijd is met het bestemmingsplan.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is.

7.2. Gelet op hetgeen onder 4 is overwogen en nu niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het voorheen geldende plan, heeft het college niet onderkend dat het in zoverre in strijd met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo een omgevingsvergunning heeft verleend voor het bouwen van de winkel en 17 appartementen met parkeergarage. Hieruit volgt dat het college, gelet op artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo, ten onrechte heeft nagelaten te beoordelen of het bereid is om in afwijking van het bestemmingsplan en met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van de winkel en 17 appartementen met parkeergarage. De betogen slagen.

Conclusie

8. De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en Mikro en [appellant sub 3B] tegen het besluit van 16 oktober 2012, voor zover in dit besluit een omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van een winkel en 17 appartementen met parkeergarage, zijn gegrond. Het besluit van 16 oktober 2012 voor zover daarbij een omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van een winkel en 17 appartementen met parkeergarage dient te worden vernietigd. Gezien deze vernietiging behoeven de overige beroepsgronden van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en Mikro en [appellant sub 3B] geen bespreking meer.

Proceskosten

9. De raad en het college dienen ten aanzien van [appellant sub 1] en Mikro en [appellant sub 3B] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is ten aanzien van [appellant sub 2] en anderen niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Leerdam van 11 oktober 2012;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leerdam van 16 oktober 2012 voor zover in dit besluit een omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van een winkel en 17 appartementen met parkeergarage;

IV. draagt de raad van de gemeente Leerdam op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II. wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

V. veroordeelt de raad van de gemeente Leerdam en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leerdam tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de gemeente Leerdam aan als rechtspersoon die dit bedrag dient te vergoeden;

veroordeelt de raad van de gemeente Leerdam en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leerdam tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Mikro Beheermaatschappij B.V. en [appellant sub 3B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en wijst de gemeente Leerdam aan als rechtspersoon die dit bedrag dient te vergoeden;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Leerdam en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leerdam aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 1], € 115,00 (zegge: honderdvijftien euro) voor [appellant sub 2] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Mikro Beheermaatschappij B.V. en [appellant sub 3B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en wijst de gemeente Leerdam aan als rechtspersoon die deze bedragen dient te vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Lodeweges, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Lodeweges

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2013

625.