Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:8

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
201207523/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:4088, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2008 heeft de minister [appellante] een boete van € 24.000 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201207523/1/A2.

Datum uitspraak: 26 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 juni 2012 in zaak nr. 08/4322 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2008 heeft de minister [appellante] een boete van € 24.000 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen.

Bij besluit van 5 november 2008 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 november 2011 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak op het verzoek van [appellante] om schadevergoeding.

Bij uitspraak van 22 juni 2012 heeft de rechtbank dat verzoek afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen die uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 mei 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door haar [bestuurder], bijgestaan door mr. J.A.A. van de Westelaken, advocaat te Breda, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.E. van der Kamp, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellante] heeft aan het afgewezen verzoek ten grondslag gelegd dat zij als gevolg van het geschil met de minister directe schade heeft geleden in de vorm van opgekomen kosten voor juridische bijstand en advisering, telefoonkosten en aan het geschil bestede uren van haar bestuurder, ten bedrage van in totaal € 72.101. Voorts stelt zij gevolgschade in de vorm van gemiste opbrengsten door bedrijfsstagnatie en voortijdige verkoop van bouwgrond en opgekomen kosten door beslaglegging op haar bankrekeningen, ten bedrage van in totaal € 223.151,74.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding, in zoverre dat betrekking heeft op de bij haar opgekomen kosten voor juridische bijstand en advisering en aan het geschil bestede uren van haar bestuurder, ten onrechte heeft afgewezen. Ingevolge artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) komt zij wegens bijzondere omstandigheden in aanmerking voor een volledige vergoeding van deze kosten, aldus [appellante].

2.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het verzoek van [appellante], in zoverre het voormelde kosten betreft, betrekking heeft op kosten, als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Die bepaling bevat een andere uitsluitende regeling voor de bevoegdheid van de bestuursrechter om een partij te verwijzen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor een aanvullende vergoeding langs de weg van artikel 8:73. Bij de toepassing van artikel 8:75 van de Awb dient tevens toepassing te worden gegeven aan het Bpb en de in dat besluit geregelde forfaitaire vergoedingen. Dat heeft de rechtbank gedaan bij de uitspraak van 10 november 2011, die in rechte onaantastbaar is en in deze procedure niet ter beoordeling staat. Hetgeen [appellante] omtrent de toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb aanvoert, kan daarom niet leiden tot het ermee beoogde doel.

Het betoog faalt.

3. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding, in zoverre dat betrekking heeft op de door haar geleden gevolgschade in de vorm van gemiste opbrengsten door bedrijfsstagnatie, ten onrechte heeft afgewezen. Zij stelt daartoe met verwijzing naar een rapport van adviesbureau Exitus van 28 november 2011 (hierna: het rapport) dat de ontwikkeling van haar onderneming door het geschil met de minister is stilgevallen.

3.1. Volgens dat rapport, voor zover thans van belang, had de door [appellante] tot 2006 geëxploiteerde onderneming een gestage ontwikkeling van omvang, omzet en marges en is die ontwikkeling stilgevallen en bij negen arbeidskrachten gestokt door het ontstaan van het geschil met de minister in 2006 over de arbeidsvoorziening door Metop International Sp.Z.o.o.. Volgens het rapport zouden bij ongestoorde ontwikkeling van de onderneming drie extra arbeidskrachten werkzaam zijn.

De rechtbank heeft het verzoek, in zoverre het voormelde gestelde gevolgen betreft, terecht afgewezen, omdat [appellante] met haar stellingen over de negatieve ontwikkeling van haar onderneming sinds 2006 niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gestelde stagnatie rechtstreeks gevolg is van het besluit van 19 februari 2008. Het rapport biedt geen aanknopingspunten om dat aan te nemen.

Het betoog faalt.

4. [appellante] voert verder aan dat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding, in zoverre dat betrekking heeft op door haar geleden gevolgschade in de vorm van verminderde verkoopopbrengst van bouwgrond, ten onrechte heeft afgewezen. Zij was gedwongen om bouwgrond voortijdig te verkopen, nadat zij vergeefs naar financieringsmogelijkheden bij banken had gezocht. Ter toelichting verwijst zij naar het rapport, een verklaring van een makelaar, een business model van 2006 en enkele mailberichten.

4.1. Volgens het rapport, voor zover thans van belang, heeft [appellante] ten behoeve van het business model in 2006 en volgende jaren kosten gemaakt en is zij verplichtingen aangegaan in verband met de verwachte ontwikkeling van de omzet en marges van haar onderneming. Door het stokken van de groei ervan werden de kosten te hoog ten opzichte van de inkomsten en wilde de bank deze in 2010 niet meer financieren. Nadat zij tevergeefs op zoek was gegaan naar andere banken, werd [appellante] gedwongen om bouwgrond vroegtijdig, tegen een lagere opbrengst dan verwacht, te verkopen, aldus het rapport.

De rechtbank heeft het verzoek, in zoverre het deze gestelde gevolgen betreft, terecht afgewezen, omdat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gestelde verkoop van bouwgrond tegen een te lage prijs rechtstreeks gevolg is van het besluit van 19 februari 2008. De overgelegde stukken bieden geen aanknopingspunten om aan te nemen dat [appellante] bouwgrond heeft moeten verkopen ter financiering van de bij dat besluit opgelegde boete.

Het betoog faalt.

5. [appellante] voert voorts aan dat de rechtbank, door het verzoek om schadevergoeding, in zoverre dat betrekking heeft op de door haar geleden schade als gevolg van de executoriale beslaglegging, af te wijzen, heeft miskend dat de minister, ondanks zijn voornemen om het besluit van 19 februari 2008 in te trekken en ondanks de uitspraak van de rechtbank van 10 november 2011, op 18 november 2011 executoriaal beslag heeft doen leggen op haar bankrekening ter verrekening van de betaling van de bij dat besluit opgelegde boete, waardoor bij haar kosten zijn opgekomen.

5.1. De rechtbank heeft het verzoek, in zoverre het deze kosten betreft, terecht afgewezen, nu de gestelde kosten niet kunnen worden aangemerkt als direct gevolg van het besluit van 19 februari 2008. De rechtbank heeft om die reden terecht geen aanleiding gezien voor vergoeding van deze kosten langs de weg van artikel 8:73 van de Awb.

Het betoog faalt.

6. [appellante] voert voorts aan dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), is overschreden, doordat sinds de boetekennisgeving op 21 januari 2008 intussen meer dan vier jaren zijn verstreken.

6.1. De beslechting van het geschil over de boetekennisgeving is geëindigd met de uitspraak van de rechtbank van 10 november 2011. Deze uitspraak en de duur van die procedure ligt in deze schadeprocedure niet ter beoordeling voor. In geschil is de afwijzing door de rechtbank van het verzoek van [appellante] om schadevergoeding krachtens artikel 8:73 van de Awb. Gesteld noch gebleken is dat deze procedure onnodig lang heeft geduurd.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. T.G. Drupsteen en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Larsson-van Reijsen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2013

344.