Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:796

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-08-2013
Datum publicatie
21-08-2013
Zaaknummer
201205411/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2012:BW9362, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2010 heeft het dagelijks bestuur een verzoek van [wederpartij] om openbaarmaking van een mediationverslag afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2013/354 met annotatie van P.J. Stolk
JG 2014/43 met annotatie van mw. mr. dr. C. Raat
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205411/1/A3.

Datum uitspraak: 21 augustus 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 april 2012 in zaak nrs. 10/4062 en 11/4213 in het geding tussen:

1. [wederpartij], wonend te [woonplaats],

2. [appellant]

en

het dagelijks bestuur van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden (hierna: VGGM), voorheen: Hulpverlening Gelderland Midden.

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2010 heeft het dagelijks bestuur een verzoek van [wederpartij] om openbaarmaking van een mediationverslag afgewezen.

Het dagelijks bestuur heeft ingestemd met het verzoek van [wederpartij] om het door hem daartegen gemaakte bezwaar door te sturen naar de rechtbank ter behandeling als rechtstreeks beroep, als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht.

Bij besluit van 26 september 2011 heeft het dagelijks bestuur het mediationverslag alsnog, geanonimiseerd, openbaar gemaakt.

Bij uitspraak van 17 april 2012 heeft de rechtbank het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 29 oktober 2010 niet-ontvankelijk verklaard, de beroepen van hem en [appellant] tegen het besluit van 26 september 2011 ongegrond verklaard en het verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juni 2013, waar [appellant] is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder bestuurlijke aangelegenheid: een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 6, vijfde lid, wordt, indien het bestuursorgaan heeft besloten informatie te verstrekken, de informatie verstrekt tegelijk met de bekendmaking van het besluit, tenzij naar verwachting een belanghebbende bezwaar daartegen heeft, in welk geval de informatie niet eerder wordt verstrekt dan twee weken nadat de beslissing is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

2. [appellant] heeft namens zijn zoon [wederpartij] een verzoek ingediend op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wob ter verkrijging van de versie van het verslag van het mediationoverleg van 21 september 2010 zoals die door de VGGM is ingezien, zo nodig in geanonimiseerde vorm. Bij het besluit van 26 september 2011 heeft het dagelijks bestuur naar aanleiding van een tussenuitspraak van de rechtbank van 31 augustus 2011 het mediationverslag in geanonimiseerde vorm openbaar gemaakt. Het heeft zich op het standpunt gesteld dat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen zwaarder dient te wegen dan het belang van openbaarmaking. [appellant] is daar vervolgens persoonlijk tegen opgekomen.

3. [appellant] betoogt allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat de Wob in dit geval niet van toepassing is. Hij voert hiertoe aan dat het mediationverslag geen document is als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wob, nu het niet ziet op een bestuurlijke aangelegenheid.

3.1. Een bestuurlijke aangelegenheid in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van de Wob is een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan. Het begrip "bestuurlijke aangelegenheid" dient ruim te worden uitgelegd. Uit de stukken die zich in het dossier bevinden en hetgeen ter zitting uiteen is gezet blijkt dat de mediation is opgestart wegens problemen tussen [appellant] en de VGGM, die zijn ontstaan in verband met een medische indicatie van [wederpartij], gegeven door een bij de VGGM werkzame arts, ten behoeve van een verzoek om een urgentieverklaring voor de toewijzing van een prikkelluwe woning. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het mediationverslag geen document is als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wob en die wet derhalve niet van toepassing is.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur onvoldoende heeft aangetoond dat openbaarmaking van het mediationverslag het publieke belang dient.

4.1. Het recht op openbaarmaking op grond van de Wob dient uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering, welk belang de Wob vooronderstelt. Bij de te verrichten belangenafweging wordt het algemene of publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie afgezet tegen de door de weigeringsgronden te beschermen belangen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat een bestuursorgaan dient aan te tonen of met openbaarmaking van bepaalde informatie het publieke belang daadwerkelijk is gediend.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu het mediationverslag geanonimiseerd openbaar is gemaakt, het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer niet aan de orde is. Hij voert hiertoe aan dat de rechtbank er kennelijk ten onrechte van uit is gegaan dat andere personen niet op de hoogte zijn van de conflictsituatie tussen hem en de VGGM en het mediationtraject. Ook door geanonimiseerde openbaarmaking wordt zijn persoonlijke levenssfeer derhalve aangetast, aldus [appellant].

5.1. Uit het openbaar gemaakte mediationverslag kan door de anonimisering ervan niet worden afgeleid om welke personen het gaat. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer gelet daarop niet aan de orde is. De stelling van [appellant] dat andere personen op de hoogte zijn van zijn conflictsituatie met de VGGM en het mediationtraject doet daar niet aan af, aangezien het mediationverslag geen, althans geen belangrijke informatie bevat die deze personen niet reeds bekend zal zijn.

Het betoog faalt.

6. Ten slotte betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid hoefde te verwachten dat een belanghebbende bezwaar zou hebben tegen openbaarmaking van het mediationverslag en dat verslag daarom tegelijk met de bekendmaking van het besluit van 26 september 2011 openbaar mocht maken. Hij voert hiertoe aan dat hij op 21 juni 2011 en 19 juli 2011 de burgemeester van Arnhem, voorzitter van het dagelijks bestuur, schriftelijk heeft laten weten ernstig bezwaar te hebben tegen schending van de geheimhoudingsplicht, zoals die volgt uit de mediationovereenkomst. Het dagelijks bestuur had derhalve kunnen verwachten dat hij als belanghebbende bezwaar zou hebben tegen openbaarmaking van het mediationverslag. Dat hij als gemachtigde van [wederpartij] het verzoek heeft ingediend is daarvoor niet relevant, nu de visie van een gemachtigde er niet toe doet. Daarnaast zijn nog vier andere personen belanghebbenden bij openbaarmaking van het mediationverslag. Van hen is ten onrechte geen toestemming voor openbaarmaking gevraagd, aldus [appellant].

6.1. Uit artikel 6, vijfde lid, van de Wob volgt dat, indien het bestuursorgaan heeft besloten informatie openbaar te maken, het die informatie tegelijk met de bekendmaking van het besluit verstrekt, tenzij naar verwachting een belanghebbende bezwaar daartegen heeft. Het dagelijks bestuur heeft het besluit van 26 september 2011 tegelijk met een geanonimiseerde versie van het mediationverslag op 27 september 2011 aan [appellant], als gemachtigde van [wederpartij], gezonden.

6.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid hoefde te verwachten dat [appellant] als belanghebbende bezwaar zou hebben tegen de geanonimiseerde openbaarmaking van het mediationverslag. De rechtbank heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat [appellant] namens [wederpartij] het verzoek op grond van de Wob heeft ingediend. Hoewel [appellant] terecht betoogt dat de persoonlijke visie van een gemachtigde bij beoordeling van een verzoek om informatie niet van belang is, mocht voormelde omstandigheid wel meewegen in de beoordeling of het dagelijks bestuur kon verwachten dat [appellant] als belanghebbende bezwaar zou hebben tegen openbaarmaking.

De door [appellant] in hoger beroep overgelegde e-mails van 21 juni 2011 en 19 juli 2011 leiden niet tot een ander oordeel. In die e-mails heeft [appellant] niet uitdrukkelijk afstand genomen van het verzoek om openbaarmaking van het mediationverslag. Nu hij als gemachtigde bij dat verzoek optrad en in het verzoek zelf zijn bezwaren omtrent openbaarmaking van het mediationverslag niet kenbaar had gemaakt, had het op zijn weg gelegen het dagelijks bestuur uitdrukkelijk van die bezwaren in kennis te stellen.

Nu het geanonimiseerde mediationverslag niet naar personen te herleiden is, hoefde het dagelijks bestuur evenmin te verwachten dat een andere belanghebbende dan [appellant] tegen openbaarmaking daarvan bezwaar zou hebben. Voor het oordeel dat het dagelijks bestuur voor de openbaarmaking toestemming aan belanghebbenden had moeten vragen, biedt de Wob dan ook geen grond.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. De Vries

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2013

582-730.