Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:74

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-06-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
201304013/1/A3 en 201304013/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 oktober 2012 heeft het college een aanvraag van [appellante] om ontheffing voor het innemen van een ligplaats met een woonschip aan de Ringvaart te Zwanenburg afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201304013/1/A3 en 201304013/2/A3.

Datum uitspraak: 20 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en (met toepassing van artikel 8:86 van die wet) op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem,

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland van 24 april 2013 in de zaken nrs. 13/1653 en 13/1654 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2012 heeft het college een aanvraag van [appellante] om ontheffing voor het innemen van een ligplaats met een woonschip aan de Ringvaart te Zwanenburg afgewezen.

Bij besluit van 2 november 2012 heeft het [appellante] voorts op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 gelast de overtreding van artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening 2012 (hierna: de Apv) te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 22 februari 2013 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 april 2013 heeft de voorzieningenrechter het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Voorts heeft zij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 juni 2013, waar [appellante], bijgestaan door mr. M.W. van der Hulst, en het college, vertegenwoordigd door mrs. M.C.J. Warmerdam en M.P. Hoogewerf, beiden werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Apv is het, onverminderd het bepaalde in de Landschapsverordening Noord-Holland 2005 en het Binnenvaartpolitiereglement, aan de rechthebbende op woonschepen en overige vaartuigen verboden deze zonder ontheffing van het college binnen de gemeente te laten verblijven buiten de door de raad bij besluit van 10 september 1996 aangewezen openbare ligplaats aan de Ringvaart-Cruquiusdijk ter hoogte van de percelen […] tot en met […] te Vijfhuizen.

Ingevolge het derde lid kan een ontheffing in ieder geval worden geweigerd, indien zich strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan voordoet.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Zwanenburg West" rust op het perceel, waar het woonschip waar de last op ziet is gelegen, de bestemming "Water" met de functieaanduiding "Woonschepenligplaats".

Ingevolge artikel 13.1, aanhef en onder c, van de planregels zijn de als zodanig aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "woonschepenligplaats" bestemd voor een ligplaats voor woonschepen.

Ingevolge artikel 13.2.2, onder a, is maximaal één woonschip toegestaan.

3. Aan de weigering om ontheffing te verlenen heeft het college ten grondslag gelegd dat het innemen van ligplaats met het woonschip in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, nu daar al een ander woonschip is gelegen.

4. [appellante] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat uit het bestemmingsplan niet kan worden afgeleid dat ter plaatse van de functieaanduiding "woonschepenligplaats" slechts met een bepaald woonschip ligplaats mag worden ingenomen. Dat voor het innemen van ligplaats met een ander woonschip wel ontheffing is verleend is daarom willekeurig, te meer nu de aanvraag daarvoor later is ingediend dan haar aanvraag, aldus [appellante].

4.1. De aanvraag van [appellante] is gedateerd op 21 juni 2012. Het college stelt dat het deze eerst op 31 augustus 2012, als bijlage bij haar zienswijze op het voornemen van het college om handhavend op te treden, heeft ontvangen. Ter zitting heeft [appellante] niet met stukken of anderszins aannemelijk kunnen maken dat de aanvraag op 21 juni 2012 is ingediend. Onder deze omstandigheden dient de door het college er op gestelde datum van indiening tot uitgangspunt te worden genomen.

4.2. Naast het woonschip van [appellante] is een woonschip gelegen, dat door [bewoners] wordt bewoond. Beide woonschepen bevinden zich binnen de bestemming "Water" met de functieaanduiding "Woonschepenligplaats". Bij besluit van 25 juli 2012 heeft het college aan [bewoners] ontheffing verleend voor het innemen van ligplaats met dat woonschip. Niet in geschil is dat hiertegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend. Ten tijde van de indiening van de aanvraag door [appellante] werd derhalve binnen de grenzen van de bestemming ligplaats ingenomen met een woonschip. Aangezien daar ingevolge artikel 13.2.2, onder a, van de planregels maximaal één woonschip is toegestaan, is het innemen van ligplaats door [appellante] in strijd met het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter heeft in het door [appellante] aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet met toepassing van artikel 5:25, derde lid, van de Apv mocht weigeren haar een ontheffing te verlenen.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

6. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Herweijer

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2013

640.