Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:682

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-07-2013
Datum publicatie
07-08-2013
Zaaknummer
201305339/1/A1 en 201305339/2/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 maart 2013 heeft het college aan [vergunninghoudster] omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een machinefabriek op het perceel Venrayseweg ong. te Horst, kadastraal bekend gemeente Horst, sectie 0, nummer 673.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201305339/1/A1 en 201305339/2/A1.

Datum uitspraak: 29 juli 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Limax B.V., gevestigd te Horst, gemeente Horst aan de Maas,

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg van 31 mei 2013 in zaak nrs. 13/996 en 13/997 in het geding tussen:

Limax

en

het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas.

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2013 heeft het college aan [vergunninghoudster] omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een machinefabriek op het perceel Venrayseweg ong. te Horst, kadastraal bekend gemeente Horst, sectie 0, nummer 673.

Bij uitspraak van 31 mei 2013 heeft de voorzieningenrechter het door Limax daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Limax hoger beroep ingesteld. Zij heeft voorts de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[vergunninghoudster] heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 juli 2013, waar Limax, vertegenwoordigd R.J. Menheere, bijgestaan door mr. T.I.P. Jeltema, advocaat te Veldhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.M. Tummers en K. Oudmaijer, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is ter zitting verschenen [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door J.W.D. Geurts.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een machinefabriek op het perceel. [vergunninghoudster] produceert fruitoogstmachines, spuitmachines voor land- en tuinbouw en hoge druk plunjerpompen. Het perceel is thans in gebruik als weiland en is gelegen op het bedrijventerrein Venrayseweg. Limax is gevestigd op het perceel naast dat van [vergunninghoudster].

Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan "Venrayseweg". Het college heeft krachtens artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht omgevingsvergunning verleend.

3. Limax betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist. Zij voert hiertoe aan dat het bouwplan valt onder de door de raad van de gemeente Horst aan de Maas op 20 december 2011 aangewezen categorieën van gevallen waarin een dergelijke verklaring wel is vereist.

3.1. Bij besluit van 20 december 2011 heeft de raad categorieën van gevallen aangewezen waarbij een verklaring van geen bedenkingen van de raad nodig is. Het gaat hierbij onder meer om ontwikkelingen die niet concreet in een visie (waarmee volgens het besluit wordt bedoeld structuurvisie en beleidsnota's, waaronder ook de onder de oude Wet op de Ruimtelijke Ordening vastgestelde gebieds- en structuurvisies zoals de Structuurvisie Centrum Horst en de Gebiedsvisie LOG Witveldweg) zijn afgekaderd en nieuwe industriële vestigingen.

3.2. In de op 9 april 2013 door de raad vastgestelde structuurvisie Horst aan de Maas is vermeld dat de gemeente de aanleg van nieuwe bedrijventerreinen niet voorstaat, maar bestaande bedrijventerreinen, bijvoorbeeld het bedrijventerrein Venrayseweg, op kleine schaal kunnen worden uitgebreid op voorwaarde dat het terrein of de individuele bedrijven daarbinnen landschappelijk goed ingepast kunnen worden.

Aan de orde is de hervestiging van [vergunninghoudster], een reeds vele jaren in Horst gevestigd bedrijf dat tegen een woonwijk aan is gelegen en geen uitbreidingsmogelijkheden meer heeft. Weliswaar is, zoals Limax betoogt, in de structuurvisie het bouwplan op zichzelf niet als een concrete ontwikkeling opgenomen, maar daarin wordt wel de uitbreiding van het bedrijventerrein op kleine schaal uitdrukkelijk mogelijk maakt. Voor zover Limax onder verwijzing naar het ontwerp bestemmingsplan "Werkgelegenheidsgebieden II" stelt dat de in de structuurvisie mogelijk gemaakte uitbreiding niet ziet op bedrijven als [vergunninghoudster], die vallen onder milieucategorie 4.1, faalt dit betoog, nu de planvoorschriften daarvoor geen aanknopingspunten bieden. In dit verband wordt nog overwogen dat uit de toelichting op het bestemmingsplan kan worden afgeleid dat de vestiging van bedrijven op het bedrijventerrein tot en met de milieucategorie 4.2 onder verlening van vrijstelling van het bestemmingsplan niet wordt uitgesloten.

Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter met juistheid overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in deze zaak géén van de door de raad aangewezen categorieën van gevallen aan de orde zijn. In de omstandigheid dat de structuurvisie eerst na het besluit is vastgesteld, heeft de voorzieningenrechter terecht geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen. Het college heeft zijn standpunt gebaseerd op de ontwerp structuurvisie, zoals die in procedure was ten tijde van de totstandkoming van het besluit. De structuurvisie, zoals die na de totstandkoming van dat besluit is vastgesteld, is op dit punt niet gewijzigd. Het betoog faalt.

4. Limax betoogt voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college het gewijzigde groenplan niet bij de beoordeling van de aanvraag had mogen betrekken. Zij voert daartoe aan dat zij niet heeft kunnen reageren op dit groenplan. Volgens haar is met het door [vergunninghoudster] overgelegde groenplan van een goede landschappelijke inpassing van het bedrijf geen sprake is. Zij wijst in dit verband op de laad- en losplaats en parkeerplaatsen die worden gerealiseerd op het gedeelte van het perceel dat grenst aan haar perceel.

4.1. Het college heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat met het groenplan sprake is van een goede landschappelijke inpassing van het bouwplan. Dat Limax niet bij het vooroverleg tussen [vergunninghoudster] en omwonenden is betrokken, laat onverlet dat zij haar bezwaren tegen het groenplan in beroep heeft kunnen aanvoeren. De enkele stelling van Limax dat het, gelet op de aanwezige laad- en losplaats en parkeerplaatsen, de vraag is of er sprake is van een goede landschappelijke inpassing, biedt geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op voormeld standpunt heeft kunnen stellen.

5. Limax betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Zij wijst erop dat het bouwplan in strijd is met het provinciaal beleid en het gemeentelijk beleid.

5.1. In de aan het besluit ten grondslag gelegde Ruimtelijke onderbouwing 'Machinefabriek Venrayseweg' van 21 januari 2013 is bezien of het bouwplan past in het provinciale beleid, zoals dat is neergelegd in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg van 2006, dat in 2011 is geactualiseerd. Vermeld is dat het bouwplan valt onder de gebieden die in het Omgevingsplan zijn aangeduid als P3 en P5a en grenst aan het gebied dat is aangeduid als P6a. Volgens de ruimtelijke onderbouwing zijn aansluitend aan het gebied, aangeduid als P6a, uitleglocaties toelaatbaar. De ontwikkeling van het bouwplan is binnen het provinciaal beleid derhalve mogelijk, aldus de ruimtelijke onderbouwing. In het tevens bij het besluit behorende zienswijzenrapport heeft het college aangegeven dat het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg bij brieven van 23 januari 2013 en 8 februari 2013 heeft aangegeven geen bezwaren te hebben tegen verlening van de omgevingsvergunning te hebben.

5.2. In het Omgevingsplan worden 9 perspectieven onderscheiden, waarin in hoofdlijnen per gebied de ontwikkelingsvisie wordt beschreven. Het perceel ligt in het gebied dat is aangeduid als P3 en P5a en grenst aan het gebied dat is aangeduid als P6a.

Over het perspectief P3, veerkrachtige watersystemen, is vermeld dat de daaronder vallende gebieden een relatief open karakter hebben en zijn ingericht voor gebruik door vooral grondgebonden landbouw. Lokaal komt ook niet-grondgebonden landbouw voor. Met name langs waterplassen, maar ook verspreid over het gebied zijn veel toeristische voorzieningen aanwezig. De ontwikkeling van deze functies in deze gebieden is mogelijk mits dit aansluit op het bieden van ruimte aan een voldoende veerkrachtig watersysteem, aldus het Omgevingsplan. Vermeld is dat van gemeenten wordt verwacht dat zij initiatieven voor nieuwe bebouwing en infrastructuur voor advies aan de provincie zullen voorleggen.

Over het perspectief P5a, ontwikkelingsruimte voor landbouw en toerisme, is vermeld dat de hieronder vallen gebieden een overwegend landbouwkundig karakter hebben. Met respect voor de aanwezige kwaliteiten wordt, aldus het Omgevingsplan, de inrichting en ontwikkeling van de gebieden in belangrijke mate bepaald door de landbouw. Daarnaast wordt in deze gebieden extra belang gehecht aan verbreding van de plattelandseconomie, bijvoorbeeld door het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor de toeristische sector en voor kleinschalige vormen van bedrijvigheid in vrijkomende agrarische en niet-agrarische gebouwen. Vermeld is dat verwacht wordt dat gemeenten de ruimtelijke ontwikkeling van niet-grondgebonden landbouw, grootschalige toeristisch-recreatieve functies en functiewijzigingen tot werklocatie of woongebied voor advies aan de provincie zullen voorleggen, omdat deze ontwikkelingen kunnen conflicteren met de provinciale belangen.

Over P6a, plattelandskern, is in het Omgevingsplan vermeld dat de plattelandskernen overwegend kleinschalig van karakter zijn. De vitaliteit van deze dorpen en stadjes moet behouden blijven. Met het oog daarop wordt ruimte geboden voor de opvang van de woningbehoefte van de eigen bevolking, en voor de groei van lokaal, in een enkel geval ook regionaal georiënteerde bedrijvigheid. Alleen in Noord en Midden Limburg kan volgens het Omgevingsplan nog sprake zijn van uitleglocaties aansluitend aan de contour rondom de plattelandskernen. Vermeld is voorts dat de provincie verwacht van gemeenten dat deze transformatieprojecten, en functiewijzigingen tot werklocatie of woongebied buiten de (verbale) contour voor advies zullen voorleggen, omdat deze ontwikkelingen kunnen conflicteren met de provinciale belangen.

In de Interim-Belangenstaat 2012-2013 is per in het Omgevingsplan opgenomen perspectief vermeld bij welke ontwikkelingen de provincie om advies moet worden gevraagd. Bij het perspectief P3 dient bij alle ontwikkelingen om advies te worden gevraagd. Bij ontwikkelingen in P5a en P6a dient, voor zover thans van belang, advies te worden gevraagd indien de ontwikkeling een nieuwe of een wijziging van een bestaande werklocatie betreft.

5.3. Het college heeft in het kader van het vooroverleg over het bouwplan gedeputeerde staten om advies gevraagd. Het heeft voorts het ontwerpbesluit ter advisering aan gedeputeerde staten voorgelegd. Bij brieven van 23 januari 2013 en 8 februari 2013 hebben gedeputeerde staten aangegeven dat zij de vergunning hebben beoordeeld op de adequate doorwerking van de provinciale belangen, zoals opgenomen in de Interim-Belangenstaat 2012-2013. Zij hebben geen aanleiding gezien tot het maken van opmerkingen. Voor de stelling van Limax ter zitting van de Afdeling dat gedeputeerde staten de in het Omgevingsplan vermelde belangenafweging niet hebben gemaakt, bestaan geen aanknopingspunten. Gelet op de beoordeling van gedeputeerde staten, waar het college naar heeft verwezen, wordt overwogen dat de voorzieningenrechter terecht geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan niet met het provinciale beleid in strijd is.

5.4. Het college heeft zich in het besluit, onder verwijzing naar het daarbij behorende zienswijzenrapport van maart 2013, voorts op het standpunt gesteld dat het bouwplan past in het gemeentelijk beleid, waarbij het wijst op de ontwerp structuurvisie Horst aan de Maas. Gelet op hetgeen onder 3.2 is overwogen, heeft de voorzieningenrechter dan ook terecht overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan niet met het gemeentelijk beleid in strijd is.

6. Limax betoogt dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het bouwplan niet past in het ontwerp bestemmingsplan "Werkgelegenheidsgebieden II". Zij voert daartoe aan dat het bouwplan in strijd is met de ingevolge dat bestemmingsplan op het perceel rustende bestemming "Agrarisch" en tevens met het doel van dat bestemmingsplan, zoals dat uit de toelichting blijkt. Volgens Limax blijkt uit de toelichting dat het bestemmingsplan, mede in verband met de zwaar belaste infrastructuur, de uitbreiding van het bedrijventerrein niet beoogt, het bedrijventerrein Venrayseweg alleen geschikt is voor agrarische bedrijven en Agrowarehousing en bovendien bedrijven in de milieucategorie 4.1 zich daar niet mogen vestigen.

6.1. Anders dan Limax betoogt, heeft de voorzieningenrechter terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen omdat het bouwplan in strijd is met het ontwerp bestemmingsplan "Werkgelegenheidsgebieden II". Hoewel het bouwplan in strijd is met de ingevolge dat bestemmingsplan op het perceel rustende bestemming, is in artikel 16.2 van de planvoorschriften aan het college de bevoegdheid gegeven de bestemming "Agrarisch" te wijzigen in de bestemming "Bedrijventerrein" ten behoeve van uitbreiding van het bedrijventerrein. Dit artikel bevat geen beperking ten aanzien van het type bedrijven, waarvoor het college van die bevoegdheid gebruik kan maken. In dit verband wordt nog overwogen dat in de toelichting weliswaar is vermeld dat het bedrijventerrein geschikt is voor bedrijven binnen de agrobusiness, maar de vestiging van andere type bedrijven, die op het bedrijventerrein bovendien al zijn gevestigd, niet wordt uitgesloten. Evenmin wordt, zoals hiervoor onder 3.2 is overwogen, in de toelichting de vestiging van bedrijven tot en met de milieucategorie 4.2 uitgesloten. Dat het college de in artikel 16.2 neergelegde bevoegdheid eerst mag toepassen indien aan een aantal nader opgesomde voorwaarden is voldaan, doet aan het bestaan van die bevoegdheid niet af. Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Pieters

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2013

473.