Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:654

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-08-2013
Datum publicatie
07-08-2013
Zaaknummer
201113089/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 november 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een pluimveehouderij aan de [locatie] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:15
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/6313
JOM 2013/656
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201113089/1/A4.

Datum uitspraak: 7 augustus 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Hardenberg,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Hardenberg,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een pluimveehouderij aan de [locatie] te [plaats].

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2013, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigden], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. T. Pothast, en het college, vertegenwoordigd door A.M. Zwiers, A. van der Zwan-Wenneker en T. Casula-Visser, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door K.A.P.J. Weren, als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht Wabo

1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht van de Invoeringswet Wabo volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Ingetrokken beroepsgronden

2. Ter zitting heeft [appellant sub 2] zijn beroepsgronden over de aanvraag, het milieueffectrapport, de luchtkwaliteit en geur ingetrokken.

Nieuwe grond ten opzichte van zienswijze

3. [vergunninghouder] heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de beroepsgrond van [appellant sub 2] over het bouwblok buiten beschouwing dient te blijven, omdat [appellant sub 2] hierover geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

3.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

Uit artikel 6:13 vloeit voort dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

3.2. Anders dan [vergunninghouder] kennelijk meent, heeft de beroepsgrond van [appellant sub 2] dat de nieuw te bouwen stal van de inrichting voor een gedeelte buiten het bouwblok valt, zodat de inrichting in zoverre in strijd is met het geldende bestemmingsplan, geen betrekking op een te onderscheiden besluitonderdeel als hiervoor bedoeld. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat [appellant sub 2] deze grond niet voor het eerst in beroep mocht aanvoeren.

Algemeen toetsingskader

4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd.

Het tweede lid, aanhef en onder a, bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend.

Ingevolge het derde lid worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college beoordelingsvrijheid toe.

Bestemmingsplan

5. [appellant sub 2] betoogt dat het college de vergunning had moeten weigeren, omdat de inrichting in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Daartoe voert hij aan dat de nieuw te bouwen stal van de inrichting voor een gedeelte buiten het bouwblok valt.

5.1. Ingevolge artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer kan de vergunning, in afwijking van het eerste lid, tevens worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met het bestemmingsplan.

5.2. Artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer houdt een bevoegdheid en geen verplichting in tot het weigeren van een vergunning in geval van strijd met het bestemmingsplan. Volgens het college valt de nieuw te bouwen stal inderdaad voor een deel buiten het bouwblok, maar is het mogelijk om de stal door middel van een ontheffing planologisch in te passen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college onder deze omstandigheden niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het weigeren van de vergunning op grond van artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer.

De beroepsgrond faalt.

Geluid

6. [appellant sub 2] betoogt dat het college de woning [locatie b] ten onrechte niet als geluidgevoelig object heeft aangemerkt. Daartoe voert hij aan dat de woning wordt verhuurd.

6.1. Het college was gehouden te beoordelen of voor de inrichting, zoals aangevraagd, vergunning kon worden verleend. Uit de bij de aanvraag behorende tekening volgt dat vergunning is gevraagd voor een inrichting waarvan de woning [locatie b] als bedrijfswoning deel uitmaakt. Gelet hierop, heeft het college de woning [locatie b] terecht buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van de door de inrichting veroorzaakte geluidbelasting. Voor zover [appellant sub 2] beoogt aan te voeren dat de woning [locatie b] niet overeenkomstig de vergunning als bedrijfswoning wordt gebruikt, heeft dit betoog geen betrekking op de rechtmatigheid van de verleende vergunning, maar op de naleving en handhaving daarvan.

De beroepsgrond faalt.

7. [appellant sub 2] betoogt dat het college het in de nachtperiode afvoeren van vleeskuikens ten onrechte twaalf keer per jaar heeft toegestaan. Het college heeft volgens hem niet onderzocht of met minder dan twaalf keer per jaar kon worden volstaan.

7.1. Het college heeft bij de beoordeling van de door de inrichting veroorzaakte geluidbelasting de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) gehanteerd. Paragraaf 5.3 van de Handreiking biedt de mogelijkheid om bijzondere activiteiten (incidentele bedrijfssituaties), welke niet worden gerekend tot de representatieve bedrijfssituatie en meer geluid veroorzaken dan de geluidgrenswaarden voor de representatieve bedrijfssituatie, maximaal twaalf keer per jaar uit te zonderen van die geluidgrenswaarden.

Het college heeft met toepassing van paragraaf 5.3 van de Handreiking in vergunningvoorschrift 7.3 ten behoeve van het maximaal twaalf keer per jaar laden en afvoeren van vleeskuikens in de nachtperiode hogere grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vastgesteld dan gelden voor de representatieve bedrijfssituatie.

7.2. Volgens het college is het voor de bedrijfsvoering van de inrichting noodzakelijk om maximaal twaalf keer per jaar in de nachtperiode vleeskuikens af te kunnen voeren naar de slachterij. Hetgeen [appellant sub 2] aanvoert, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

De beroepsgrond faalt.

8. [appellant sub 2] betoogt dat ten onrechte geen voorschrift aan de vergunning is verbonden dat ertoe verplicht de nachtelijke afvoer van vleeskuikens te registreren.

8.1. Ingevolge vergunningvoorschrift 7.3 mag het in de nachtperiode afvoeren van vleeskuikens maximaal twaalf keer per jaar plaatsvinden. Indien de nachtelijke afvoer van vleeskuikens vaker plaatsvindt, kan het college bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen treffen. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet nodig is om de door [appellant sub 2] gewenste registratieplicht in de voorschriften op te nemen.

De beroepsgrond faalt.

Geur

9. [appellante sub 1] betoogt dat het college haar woning, [locatie a], ten onrechte heeft aangemerkt als een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wet geurhinder). Zij voert in dit verband aan dat de woning al sinds 1972 feitelijk als burgerwoning wordt gebruikt. Het gebruik als burgerwoning valt volgens haar onder het overgangsrecht van het geldende bestemmingsplan, zodat de woning juridisch-planologisch als burgerwoning moet worden aangemerkt.

9.1. Ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder, wordt onder een geurgevoelig object verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor wonen of menselijk verblijf en dat daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, bedraagt, in afwijking van het eerste lid, de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, ten minste 50 m indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen.

9.2. Bij de beantwoording van de vraag of de woning [locatie a] een geurgevoelig object is dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet geurhinder, is de juridisch-planologische status van de woning van belang. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2009 in zaak nr. 200806627/1/H1. In dat kader moet worden gekeken naar het geldende bestemmingsplan, met inbegrip van het overgangsrecht.

9.3. De gronden waarop de woning [locatie a] ligt, hebben ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ de bestemming ‘Agrarische doeleinden (agrarisch gebied, bouwperceel)’.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de voorschriften bij het bestemmingsplan mag op gronden met deze bestemming een bedrijfswoning aanwezig zijn.

Ingevolge artikel 1, onder l, is een bedrijfswoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, bestemd voor (het gezin van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of terrein, noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 50, tweede lid, is, indien het gebruik van de in het bestemmingsplan begrepen gronden en bouwwerken op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan in strijd is met het gebruik, zoals dit in deze voorschriften is geregeld, het verboden dit strijdige gebruik te wijzigen in die zin, dat door dit nieuwe gebruik de bestaande afwijkingen van de voorschriften naar de aard worden vergroot.

9.4. Het college stelt zich op het standpunt dat op grond van de door [appellante sub 1] aangevoerde feiten en omstandigheden weliswaar kan worden geoordeeld dat het gebruik van de woning [locatie a] als burgerwoning onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan viel, maar dat de werking van het overgangsrecht teniet is gegaan doordat de woning tussen 1991 en 15 oktober 1993 overeenkomstig de bestemming als bedrijfswoning bij de veehouderij aan de [locatie c] is gebruikt. In dit verband merkt het college op dat [appellante sub 1] de moeder is van de drijver van de veehouderij aan de [locatie c], dat zij vanaf 17 april 1991 staat ingeschreven op het adres [locatie a] en dat de woning [locatie a] in de hiervoor genoemde periode voorkwam op de balans en de winst- en verliesrekening van het veehouderijbedrijf, maar - anders dan voorheen - niet langer als verhuurd object.

9.5. Dat [appellante sub 1] de moeder is van de drijver van de veehouderij aan de [locatie c] biedt op zichzelf geen grond voor het oordeel dat de woning [locatie a] in de door het college genoemde periode als bedrijfswoning bij de veehouderij aan de [locatie c] is gebruikt. Ook de stelling van het college dat, zo begrijpt de Afdeling, de woning [locatie a] eigendom was van het veehouderijbedrijf en [appellante sub 1] deze woning in de genoemde periode heeft bewoond zonder daarvoor huur te hoeven betalen, is daarvoor niet voldoende. [appellante sub 1] heeft ter zitting onweersproken gesteld dat zij, noch haar man, die de woning [locatie a] tot 7 mei 1992 met haar heeft bewoond, in de door het college genoemde periode actief zijn geweest in de veehouderij aan de [locatie c]. Gelet hierop, mede in aanmerking genomen de gevorderde leeftijd van [appellante sub 1] en de leeftijd en gezondheidstoestand van haar echtgenoot in die periode, en in aanmerking genomen de definitie van bedrijfswoning in artikel 1, onder l, van de planvoorschriften, kan niet worden geoordeeld dat de woning [locatie a] in de door het college genoemde periode als bedrijfswoning bij de veehouderij aan de [locatie c] is gebruikt en dat om die reden de werking van het overgangsrecht teniet zou zijn gegaan.

Overigens is de Afdeling op grond van de door het college in deze zaak toegezonden onderdelen van het bestemmingsplan niet gebleken van een planvoorschrift waarmee het gebruik van de woning [locatie a] als burgerwoning in strijd is. Voor zover het college ervan uitgaat dat artikel 3, vijfde lid, onder a, van de planvoorschriften dit gebruik verbiedt, overweegt de Afdeling dat dit niet het geval is. In artikel 3, vijfde lid, onder a, is slechts bepaald dat het verboden is bedrijfswoningen geheel of gedeeltelijk anders te gebruiken dan voor bewoning.

9.6. Het moet er voor worden gehouden dat het gebruik van de woning [locatie a] als burgerwoning ten tijde van het nemen van het bestreden besluit juridisch-planologisch was toegestaan. Het college heeft deze woning in het bestreden besluit ten onrechte aangemerkt als een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet geurhinder.

Op grond van de bij de aanvraag behorende geurberekening is aannemelijk dat ter plaatse van de woning [locatie a] niet wordt voldaan aan de krachtens de Wet geurhinder geldende geurnorm van 14,0 odour units per kubieke meter lucht. Het bestreden besluit is, gelet hierop, in strijd met de Wet geurhinder.

De beroepsgrond slaagt.

Slotoverwegingen

10. Het beroep van [appellante sub 1] is gegrond. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

11. Het college dient ten aanzien van [appellante sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 1] gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg van 7 november 2011, kenmerk 2010-334;

III. verklaart het beroep van [appellant sub 2] ongegrond;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg tot vergoeding van bij [appellante sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg aan [appellante sub 1] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2013

462-720.