Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:63

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
201209454/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 maart 2012 heeft het COa een aanvraag van de vreemdeling om hem verstrekkingen krachtens de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005) te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 8
Vreemdelingenwet 2000 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2013/283
RV20130088 met annotatie van Slingenberg C.H. Lieneke
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209454/1/V1.

Datum uitspraak: 17 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 31 augustus 2012 in zaak nr. 12/8775 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa).

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2012 heeft het COa een aanvraag van de vreemdeling om hem verstrekkingen krachtens de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005) te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 augustus 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Het COa heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt.

2. Bij besluit van 28 maart 2008 heeft het COa een aanvraag van de vreemdeling om hem verstrekkingen krachtens de Rva 2005 te verlenen, afgewezen. Het besluit van 13 maart 2012 is een besluit van gelijke strekking als het besluit van 28 maart 2008, zodat op het tegen het besluit van 13 maart 2012 ingestelde beroep het onder 3. en 4. weergegeven beoordelingskader van toepassing is.

3. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

4. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een hernieuwde toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

5. In zijn brief van 9 december 2011 heeft de vreemdeling verzocht om het opnieuw toekennen van verstrekkingen krachtens de Rva 2005. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat de president van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) op 2 december 2011 in zijn zaak een voorlopige maatregel (‘interim measure’) heeft getroffen, op grond waarvan hij het oordeel van het EHRM op zijn klaagschrift op het Nederlandse grondgebied mag afwachten. Voorts heeft hij het verzoek doen steunen op de, naar hij stelt, juiste uitleg van het Unierechtelijk asielstelsel. Ter toelichting heeft hij in beroep gewezen op de, naar hij stelt, gewijzigde jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 4 oktober 2011 in zaak nr. 201102753/1/V3). Ten slotte heeft hij in het verzoek gewezen op de omstandigheid dat hij sedert de uitspraak van de Afdeling van 22 september 2010 in zaak nr. 200906855/1/V1) feitelijk in de opvang heeft verbleven.

6. Volgens artikel 2, aanhef en onder b, van de Richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (PB 2003 L 31; hierna: de Opvangrichtlijn), wordt onder 'asielverzoek' verstaan een door een onderdaan van een derde land of een staatloze ingediend verzoek dat kan worden opgevat als een verzoek om internationale bescherming door een lidstaat uit hoofde van het Verdrag van Genève. Elk verzoek om internationale bescherming wordt als een asielverzoek beschouwd, tenzij de betrokkene uitdrukkelijk om een andere vorm van bescherming vraagt waarom afzonderlijk kan worden verzocht. Volgens dat artikel, aanhef en onder c, wordt onder 'asielzoeker' verstaan een onderdaan van een derde land of een staatloze die een asielverzoek heeft ingediend waarover nog geen definitief besluit is genomen. Volgens artikel 3, eerste lid, is deze richtlijn van toepassing op alle onderdanen van derde landen, die een asielverzoek aan de grens of op het grondgebied van een lidstaat indienen voor zover zij als asielzoeker op het grondgebied mogen verblijven. Volgens artikel 13, eerste lid, zorgen de lidstaten ervoor dat voor asielzoekers materiële opvangvoorzieningen beschikbaar zijn wanneer zij hun asielverzoek indienen. Volgens artikel 2, aanhef en onder b, van de Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van de Europese Unie van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (PB 2005, L 326; hierna: de Procedurerichtlijn) wordt onder 'asielverzoek' verstaan een door een onderdaan van een derde land of een staatloze ingediend verzoek dat kan worden opgevat als een verzoek om verlening van internationale bescherming door een lidstaat op grond van het Verdrag van Genève. Elk verzoek om internationale bescherming wordt als een asielverzoek beschouwd, tenzij de betrokkene uitdrukkelijk vraagt om een andere vorm van bescherming waarvoor een afzonderlijk verzoek kan worden ingediend. Volgens dat artikel, aanhef en onder c, wordt onder 'asielzoeker' verstaan een onderdaan van een derde land of een staatloze die een asielverzoek heeft ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is genomen. Volgens dat artikel, aanhef en onder d, wordt onder 'definitieve beslissing' verstaan een beslissing of de onderdaan van een derde land of de staatloze de vluchtelingenstatus wordt verleend overeenkomstig Richtlijn 2004/83/EG, waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat in het kader van hoofdstuk V, ongeacht of dit rechtsmiddel tot gevolg heeft dat de asielzoekers in de lidstaten mogen blijven in afwachting van het resultaat. Ingevolge artikel 8, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist. Ingevolge artikel 10, eerste lid, kan de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, geen aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan. Ingevolge artikel 67, derde lid, kan de ongewenst verklaarde vreemdeling in afwijking van artikel 8 geen rechtmatig verblijf hebben. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: de Wet COa) is het COa belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers. Ingevolge het tweede lid kan de minister van Justitie (thans: de minister van Veiligheid en Justitie; hierna: de minister) het COa taken als bedoeld in het eerste lid opdragen voor andere categorieën vreemdelingen. Ingevolge het derde lid kan de minister regels stellen voor verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in het tweede lid. De Rva 2005 strekt ter uitvoering van artikel 3, tweede lid, van de Wet COa. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Rva 2005 wordt voor de toepassing van deze regeling onder asielzoeker verstaan een vreemdeling wiens vrijheid niet rechtens is ontnomen, door wie of ten behoeve van wie een asielaanvraag is ingediend. Artikel 3 van de Rva 2005 bepaalt aan welke categorieën asielzoekers of daarmee gelijk te stellen categorieën vreemdelingen het COa opvang biedt. Ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder l, is de vreemdeling wiens asielaanvraag is afgewezen en die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder h, van de Vw 2000 op grond van een door de president van het EHRM getroffen voorlopige maatregel ('interim measure') waarin is bepaald dat de vreemdeling vooralsnog niet mag worden uitgezet, aangewezen als categorie asielzoekers aan wie opvang wordt geboden. Ingevolge artikel 4, tweede lid, bestaat geen recht op opvang indien de asielzoeker tot ongewenst vreemdeling is verklaard, als bedoeld in artikel 67 van de Vw 2000.

7. Bij besluit van 14 juni 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en hem tevens ongewenst verklaard. Wat betreft het onderdeel asiel is dit besluit in rechte onaantastbaar geworden bij uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 11 maart 2011, in zaak nr. 07/25181. Wat betreft de ongewenstverklaring is dit besluit evenzeer in rechte onaantastbaar geworden (uitspraak van de Afdeling van 23 december 2011 in zaak nr. 201104178/1/V1 en 201104188/1/V1 op het hoger beroep van de vreemdeling tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 11 maart 2011, in zaak nr. 08/27826). Door voormelde uitspraken is, gezien de definitie van het begrip 'definitieve beslissing' in artikel 2, aanhef en onder d, van de Procedurerichtlijn, sprake van een definitief beslissing.

8. De in zijn zaak op 2 december 2011 getroffen voorlopige maatregel maakt niet dat de vreemdeling alsnog als 'asielzoeker' in de zin van artikel 2, aanhef en onder c, van de Opvangrichtlijn is aan te merken. De bij het EHRM gestarte klachtprocedure kan niet worden beschouwd als een beroepsprocedure waarop Hoofdstuk V van de Procedurerichtlijn ziet, zodat gegeven de onder 7. vermelde uitspraken en evenvermelde definitie van 'asielzoeker', de vreemdeling niet binnen het toepassingsbereik van de Opvangrichtlijn valt. Het is derhalve op voorhand uitgesloten dat voormelde voorlopige maatregel kan afdoen aan het door het COa in het besluit van 28 maart 2008 ingenomen standpunt dat de vreemdeling als ongewenstverklaarde vreemdeling niet voor opvang in aanmerking komt.

9. Nu in hetgeen overigens is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen, zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet en voorts niet is aangetoond dat buitengewone omstandigheden bestaan waarin zeer zwaarwegende belangen op het spel staan, is voor toetsing van het besluit van 13 maart 2012 geen plaats. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

10. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen in het hogerberoepschrift is vermeld, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het inleidende beroep ongegrond worden verklaard.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 31 augustus 2012 in zaak nr. 12/8775;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. E. Steendijk, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Groeneweg

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2013

32-587