Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:60

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
201210350/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 augustus 2011 heeft het college aan de woning en de kantoorruimte van [appellant] aan de [locatie] te Baarlo de nummeraanduidingen [nummer A] onderscheidenlijk [nummer B] toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210350/1/A3.

Datum uitspraak: 26 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Baarlo, gemeente Peel en Maas,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 20 september 2012 in zaak nr. 12/383 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas.

Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2011 heeft het college aan de woning en de kantoorruimte van [appellant] aan de [locatie] te Baarlo de nummeraanduidingen [nummer A] onderscheidenlijk [nummer B] toegekend.

Bij besluit van 14 februari 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 september 2012 heeft de rechtbank het door

[appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij

DAS Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door

L. van der Sanden-Vermeulen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder l, van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen (hierna: de Wet bag) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder nummeraanduiding: door het bevoegde gemeentelijke orgaan als zodanig toegekende aanduiding van een verblijfsobject, een standplaats of een ligplaats.

Ingevolge deze aanhef en onder q wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder verblijfsobject: kleinste binnen een of meer panden gelegen en voor woon-, bedrijfsmatige of recreatieve doeleinden geschikte eenheid van gebruik, die ontsloten wordt via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte, onderwerp kan zijn van goederenrechtelijke rechtshandelingen en in functioneel opzicht zelfstandig is.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, kent de gemeenteraad nummeraanduidingen toe aan de op het grondgebied van de gemeente gelegen verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder v, van de Verordening naamgeving en nummering 2010 van de gemeente Peel en Maas (hierna: de Verordening) wordt in deze verordening en de daarop berustende bepalingen verstaan onder verblijfsobject: de kleinste binnen een of meer panden gelegen en voor woon-, bedrijfsmatige of recreatieve doeleinden geschikte eenheid van gebruik, die ontsloten wordt via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte, onderwerp kan zijn van goederenrechtelijke rechtshandelingen en in functioneel opzicht zelfstandig is.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, kent het college binnen het grondgebied van de gemeente nummers toe aan verblijfsobjecten, ligplaatsen en standplaatsen.

Ingevolge het derde lid bepaalt het college de afbakening van panden, verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen.

2. [appellant] verkoopt vanuit de kantoorruimte in de inpandige garage van zijn woning kleding, waarbij het echter niet gaat om een winkel. Het college heeft ambtshalve een afzonderlijk huisnummer toegekend aan die ruimte. De kantoorruimte is volgens het college als verblijfsobject in de zin van de Wet bag aan te merken, nu deze ruimte een eigen afsluitbare toegang heeft, onderwerp kan zijn van goederenrechtelijke rechtshandelingen en in functioneel opzicht zelfstandig is.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de kantoorruimte geen verblijfsobject is. Daartoe voert hij aan dat deze ruimte wegens haar onlosmakelijke verbondenheid met de woning geen zelfstandig onderwerp van goederenrechtelijke rechtshandelingen kan zijn. Hij verwijst hierbij naar de memorie van toelichting bij de Wet bag (Kamerstukken II, 2006/07, 30 968, nr. 3, blz. 27). Voorts voert hij aan dat de kantoorruimte ten onrechte is aangemerkt als een van zijn woning afgescheiden eenheid van gebruik die in functioneel opzicht zelfstandig is, omdat deze geen eigen brievenbus en riool- en elektriciteitsaansluiting heeft en slechts in combinatie met de woning geschikt is voor bedrijfsmatige doeleinden. Hierbij verwijst [appellant] naar de memorie van toelichting bij de wijziging van de Wet bag (Kamerstukken II, 2008/09, 31726, nr. 3, blz. 6). Daaruit valt volgens [appellant] niet op te maken dat de wetgever een situatie als hier aan de orde voor ogen heeft gehad.

3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de kantoorruimte juridisch gezien onderwerp zou kunnen zijn van de goederenrechtelijke rechtshandeling eigendomsoverdracht door verkoop, alsmede van het vestigen van een recht van opstal. De garage is een van de woning afgescheiden eenheid van gebruik, die ontsloten wordt via een eigen afsluitbare toegang. Door [appellant] wordt de vervreemdbaarheid van de kantoorruimte op zichzelf ook niet bestreden. Zoals [appellant] ter zitting bij de Afdeling heeft gesteld, kan de kantoorruimte volgens hem alleen pas worden vervreemd als de toegangsdeur wordt afgesloten en kan een nieuwe eigenaar de ruimte niet als bedrijfsruimte gebruiken op grond van het thans geldende bestemmingsplan. Deze aspecten zijn echter in dit kader niet relevant. Met de rechtbank ziet de Afdeling in de Wet bag, de Verordening of de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten voor het volgen van het betoog van [appellant] dat ook de praktische uitvoerbaarheid bij de beoordeling of de kantoorruimte juridisch gezien onderwerp zou kunnen zijn van een goederenrechtelijke rechtshandeling relevant is. Zoals het college terecht in het verweerschrift in hoger beroep heeft gesteld, is in de memorie van toelichting bij de Wet bag bovendien duidelijk vermeld dat de nuancering waar [appellant] in dit verband naar heeft verwezen (Kamerstukken II, 2006/07, 30 968, nr. 3, blz. 27), ziet op een bepaalde soort eenheden, die zouden kunnen worden aangemerkt als een verblijfsobject, maar dat gezien hun aard niet zijn. Het gaat daarbij om vormen van institutioneel wonen, zoals slaapruimten in verzorgingshuizen en cellen in gevangenissen, en hotelkamers. Niet valt in te zien dat de kantoorruimte in de inpandige garage van [appellant] daarmee is gelijk te stellen.

3.2. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de woning en de kantoorruimte functioneel zelfstandig zijn. Beide eenheden van gebruik zijn immers van elkaar te onderscheiden. In de memorie van toelichting bij de wijziging van de Wet bag (Kamerstukken II, 2008/09, 31726, nr. 3, blz. 6) is opgemerkt dat als een garage niet meer ondersteunend aan een andere eenheid van gebruik wordt gebruikt, bijvoorbeeld omdat er een bedrijf in wordt gevestigd, deze garage een afzonderlijk verblijfsobject vormt. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de garage in dit geval niet meer ondersteunend is aan de woning en zich aldus een situatie voordoet als hiervoor omschreven. Dat verscheidene voorzieningen zowel voor de woning als voor de kantoorruimte worden gebruikt, doet niet af aan de functionele zelfstandigheid van de woning en de kantoorruimte. Het al dan niet aanwezig zijn van riool- en elektriciteitsaansluiting is bij de vaststelling van een eenheid van gebruik en daarmee bij de afbakening van verblijfsobjecten niet bepalend.

Het betoog faalt.

4. Voor zover [appellant] in hoger beroep zijn bezwaar- en beroepsgronden slechts heeft herhaald en ingelast dan wel bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden letterlijk heeft herhaald, wordt overwogen dat het hoger beroep een niet nader gemotiveerde herhaling daarvan betreft. In de overwegingen van de aangevallen uitspraak is de rechtbank daarop ingegaan. [appellant] heeft in het hogerberoepschrift noch ter zitting, behoudens hetgeen hiervoor is besproken, redenen aangevoerd waarom de weerlegging daarvan in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Nell, ambtenaar van staat.

w.g. Michiels w.g. Nell

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2013

597