Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:518

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2013
Datum publicatie
24-07-2013
Zaaknummer
201303499/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 februari 2013 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 62a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2013/309
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201303499/1/V3.

Datum uitspraak: 16 juli 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 10 april 2013 in zaak nr. 13/5938 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2013 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 april 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat geen concreet aanknopingspunt bestaat dat de vreemdeling aan Spanje kan worden overgedragen en dat de enkele omstandigheid dat de naam van de vreemdeling voorkomt in het Spaanse vreemdelingenregister daartoe onvoldoende is. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat artikel 62a van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) er niet aan in de weg staat dat de staatssecretaris niettemin onderzoek verricht naar het gestelde verblijfsrecht van de vreemdeling in Spanje en dat indien de Spaanse autoriteiten dit verblijfsrecht bevestigen, de staatssecretaris alsnog toepassing dient te geven aan artikel 62a, derde lid, van de Vw 2000 en het terugkeerbesluit dient in te trekken. Artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw 2000 boden geen grond om van het nemen van een terugkeerbesluit af te zien, aldus de rechtbank.

2. In enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat de staatssecretaris reeds een verzoek om terug- of overname bij de Spaanse autoriteiten heeft ingediend. Door te overwegen dat artikel 62a van de Vw 2000 er niet aan in de weg staat dat de staatssecretaris onderzoek verricht naar het gestelde verblijfsrecht van de vreemdeling in Spanje, heeft de rechtbank volgens de vreemdeling niet onderkend dat de staatssecretaris geen terugkeerbesluit kan nemen indien een concreet aanknopingspunt voor overdracht bestaat. De vreemdeling betoogt dat de staatssecretaris dit besluit pas kan nemen, indien dit aanknopingspunt niet daadwerkelijk tot een overdracht leidt. Het terugkeerbesluit en het inreisverbod dienen derhalve te worden vernietigd, aldus de vreemdeling.

3. Ingevolge artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, dient de vreemdeling, nadat tegen hem een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, kan de staatssecretaris de voor een vreemdeling geldende termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten, dan wel, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.

Ingevolge artikel 62a, eerste lid, aanhef, van de Vw 2000 stelt de staatssecretaris de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen, tenzij:

(…)

b. de vreemdeling in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf, of

c. de vreemdeling door een andere lidstaat van de Europese Unie wordt teruggenomen op grond van een op 13 januari 2009 geldende bilaterale overeenkomst of regeling.

Ingevolge het tweede lid geldt de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, als terugkeerbesluit en kan deze tevens een inreisverbod inhouden.

Ingevolge het derde lid wordt de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, onder b, opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van de betrokken lidstaat te begeven. Indien dit bevel niet wordt nageleefd of indien om redenen van openbare orde of nationale veiligheid het onmiddellijke vertrek van de vreemdeling is vereist, wordt tegen de vreemdeling een terugkeerbesluit uitgevaardigd.

Ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, vaardigt de staatssecretaris een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten op ingevolge artikel 62, tweede lid.

4. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank blijkt dat de staatssecretaris bij die gelegenheid heeft verklaard dat de omstandigheid dat de naam van de vreemdeling voorkomt in het Spaanse vreemdelingenregister onvoldoende grond geeft voor het oordeel dat de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft in Spanje, omdat in Spanje elke vreemdeling wordt geregistreerd, ook indien de desbetreffende vreemdeling illegaal in dat land verblijft. Voorts heeft de staatssecretaris betoogd dat onduidelijk is of de vreemdeling de persoon is die hij stelt te zijn en dat hij daarom geen uitspraak kan doen over de vraag of de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft in Spanje.

4.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van 27 februari 2013 in zaak nr. 201211193/1/V3 overweegt de Afdeling dat artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met het derde lid, van de Vw 2000 niet van toepassing is in geval van twijfel aan het door de desbetreffende vreemdeling gestelde verblijfsrecht in een andere lidstaat. Uit hetgeen de staatssecretaris ter zitting bij de rechtbank heeft betoogd, volgt dat hij twijfelt aan het door de vreemdeling gestelde rechtmatig verblijf in Spanje. Gelet hierop behoefde de staatssecretaris de vreemdeling niet op te dragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van de betrokken lidstaat, in dit geval Spanje, te begeven. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 geen grond biedt om van het nemen van een terugkeerbesluit af te zien.

De grief faalt in zoverre.

4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 juli 2011 in zaak nr. 201103206/1/V3) is alleen sprake van terugkeer in de zin van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348; hierna: de Terugkeerrichtlijn) indien een vreemdeling, vrijwillig of gedwongen, terugkeert naar een land dat geen lid is van de Europese Unie.

Niet in geschil is dat de staatssecretaris de Spaanse autoriteiten heeft verzocht om terug- of overname van de vreemdeling. Daargelaten op grond van welke overeenkomst of regeling de staatssecretaris dit verzoek heeft gedaan en of daartoe een concreet aanknopingspunt bestond, volgt hieruit dat de staatssecretaris vooralsnog beoogt de vreemdeling naar Spanje uit te zetten. De staatssecretaris beoogt derhalve geen terugkeer in de zin van de Terugkeerrichtlijn, zodat de vreemdeling reeds hierom terecht betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris geen terugkeerbesluit jegens hem mocht nemen.

De grief slaagt in zoverre.

4.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 april 2013 in zaak nr. 201207433/1/V3) is ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, gelezen in verbinding met de artikelen 62 en 62a van die wet, voor de uitvaardiging van een inreisverbod een terugkeerbesluit vereist. Nu de staatssecretaris geen terugkeerbesluit mocht nemen, mocht hij ook geen inreisverbod jegens de vreemdeling uitvaardigen.

De grief slaagt in zoverre eveneens.

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 25 februari 2013 van de staatssecretaris alsnog gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.

6. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 10 april 2013 in zaak nr. 13/5938;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 25 februari 2013, kenmerk 278.504.6714;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.416,00 (zegge: veertienhonderdzestien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Van de Kolk

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2013

347-699.