Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:50

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
201210227/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Brandweerkazerne" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210227/1/R4.

Datum uitspraak: 26 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Barendrecht,

en

1. de raad van de gemeente Barendrecht,

2. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barendrecht,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Brandweerkazerne" vastgesteld.

Bij besluit van 25 september 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een brandweerkazerne en voor het kappen van vijf bomen binnen het plangebied.

Tegen deze besluiten hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2013, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door M.J.T. Bannenberg, en de raad en het college, vertegenwoordigd door mr. B. Huizenaar, A. Raaijmakers, ing. D. Amesz en ir. M. Kitselar, allen werkzaam bij de gemeente, en door drs. J. van Belzen, burgemeester, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (hierna: de VRR), vertegenwoordigd door R.H.J. Wolters en H. Meijer, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij besluit van 29 november 2011 heeft de raad besloten voornoemde besluiten gecoördineerd voor te bereiden en bekend te maken, zoals bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).

Ontvankelijkheid

2. De raad betwist de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant] en anderen voor zover het betreft een aantal over de bestreden besluiten gevoerde betogen, omdat [appellant] en anderen volgens de raad in zoverre geen zienswijze over de ontwerpbesluiten naar voren hebben gebracht.

2.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), zoals dit luidde ten tijde van belang, kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

Dit leidt ertoe dat besluitonderdelen die in de zienswijze niet zijn bestreden en die ongewijzigd worden vastgesteld, in de beroepsfase niet alsnog kunnen worden bestreden. Artikel 6:13 van de Awb staat er niet aan in de weg dat in beroep tegen een in de zienswijzenfase aan de orde gesteld besluitonderdeel nieuwe gronden en argumenten worden aangevoerd. De zienswijze van [appellant] en anderen heeft betrekking op de gehele ontwerpbesluiten. Hetgeen [appellant] en anderen in beroep hebben aangevoerd tegen de onderhavige besluiten stuit derhalve niet af op het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb.

Het bestemmingsplan

3. Met het plan wordt beoogd de bouw van een brandweerkazerne op het perceel naast cultureel centrum "De Baerne", tussen de 2e Barendrechtseweg en de Dr. Kuyperstraat te Barendrecht mogelijk te maken.

Procedureel

4. Het plan is volgens [appellant] en anderen onzorgvuldig voorbereid nu het is vastgesteld zonder kennisname en inhoudelijke behandeling van hun reactie op de Nota van Beantwoording Zienswijzen.

4.1. De Afdeling overweegt dat, in overeenstemming met artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wro, een ieder gedurende de zienswijzetermijn in de gelegenheid is gesteld om zienswijzen omtrent het ontwerpplan naar voren te brengen en dat [appellant] en anderen van deze gelegenheid gebruik hebben gemaakt. In de Nota van Beantwoording Zienswijzen is op de zienswijze van [appellant] en anderen gereageerd. Dat het plan volgens [appellant] en anderen is vastgesteld zonder uitdrukkelijke beantwoording van hun reactie op de Nota van Beantwoording Zienswijzen, leidt niet tot het oordeel dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten, nu een dergelijke verplichting niet uit de Wro of enige andere wettelijke bepaling voortvloeit. Het betoog faalt.

Woon- en leefklimaat

5. [appellant] en anderen wonen aan onderscheidenlijk de [locatie 1] en de [locatie 2], direct ten noorden van het plangebied. De afstand tussen deze woningen en het in het plan ten behoeve van de brandweerkazerne voorziene bouwvlak binnen de bestemming "Bedrijf-Brandweerkazerne" bedraagt ongeveer 9 m.

[appellant] en anderen betogen - samengevat weergegeven - dat de voorziene brandweerkazerne vooral vanwege de daarvan te vrezen geluidhinder als gevolg van het met hoge snelheid arriveren van de personenauto’s van de vrijwillige brandweerlieden, het dichtslaan van de autoportieren en het met sirenes uitrukken van de brandweerauto’s een onaanvaardbare inbreuk maakt op hun woon- en leefklimaat. Een brandweerkazerne op 9 m van hun woningen moet volgens [appellant] en anderen gezien de in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) aanbevolen afstand van 30 m onaanvaardbaar worden geacht. De representatieve bedrijfssituatie is om aan de geldende geluidnormen te kunnen voldoen zodanig aangepast dat deze in de praktijk niet kan worden gehandhaafd. [appellant] en anderen betogen voorts dat, nu volgens een rapport van AV Consulting B.V. een geluidscherm met een hoogte van 5 m op stedenbouwkundige bezwaren stuit, bij hun woningen en andere woningen niet aan de geldende geluidnormen kan worden voldaan.

Zij betogen voorts dat het plaatsen van de noodzakelijke geluidschermen, gezien de hoogte, uitvoering en afstand ten opzichte van hun woningen, een onaanvaardbare inbreuk maakt op hun woon- en leefklimaat.

[appellant] en anderen wijzen er voorts op dat op de eerste verdieping een fitnessruimte en een ruimte voor bijeenkomsten zijn voorzien. [appellant] en anderen voeren aan dat deze voorzieningen een niet noodzakelijke druk leggen op de parkeervoorzieningen.

Ten slotte voeren [appellant] en anderen aan dat sprake zal zijn van kleinschalige opslag van gevaarlijke stoffen. Er ontstaat hierdoor volgens hen een gevaarlijke situatie.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat wat betreft de woningen van [appellant] en anderen weliswaar niet wordt voldaan aan de in de VNG-brochure opgenomen richtafstand, maar dat deze afwijking in dit geval aanvaardbaar kan worden geacht. Aan zijn standpunt legt de raad onder meer ten grondslag dat uit het akoestisch onderzoek van 14 december 2011, opgesteld door ingenieursbureau AV Consulting B.V. (hierna: het geluidsrapport), blijkt dat wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (thans: Activiteitenbesluit milieubeheer; hierna: Activiteitenbesluit) mits - zoals het plan mogelijk maakt - geluidschermen worden geplaatst van 3 m en 2 m hoog tussen de brandweerkazerne en de woningen van [appellant] en anderen en van 2 m hoog parallel aan de Dr. Kuyperstraat. De te verwachten geluidhinder vanwege het uitrukken met sirenes - die ten aanzien van de geluidgrenswaarden van het Activiteitenbesluit op grond van artikel 2.22 van dat besluit buiten beschouwing blijft - acht de raad niet onevenredig nu deze lager is dan het geluidniveau voor indirecte hinder (verkeersaantrekkende werking) dat in het toetsingskader voor geluid van paragraaf B5.3 van bijlage 5 van de VNG-brochure ten hoogste toelaatbaar wordt geacht. Daarbij heeft de raad er verder betekenis aan toegekend dat het uitrukken met sirenes een incidenteel karakter heeft en voorts dat met de brandweerkazerne wordt voorzien in een maatschappelijk noodzakelijke functie ten behoeve van de veiligheid van de burgers van Barendrecht.

5.2. De geluidsbelasting op de gevels van de voorziene woningen dient te voldoen aan de in de artikelen 2.17 en volgende van de in het Activiteitenbesluit gestelde grenswaarden.

Ingevolge artikel 2.22, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, zoals dat ten tijde hier van belang gold, blijft bij het bepalen van het maximaal geluidsniveau LAmax, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.20 dan wel 6.12, buiten beschouwing het geluid als gevolg van het uitrukken van motorvoertuigen ten behoeve van ongevallenbestrijding en brandbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval.

5.3. In paragraaf B5.3 van bijlage 5 van de VNG-brochure is een toetsingssystematiek opgenomen die toegepast kan worden bij een planherziening waarbij beoordeeld dient te worden of ter plaatse van een beoogd geluidsgevoelig object sprake is van een aanvaardbare geluidsbelasting. De toetsingssystematiek bestaat uit vier stappen, waarbij per stap een hogere geluidsbelasting aanvaardbaar wordt geacht en telkens hogere eisen worden gesteld aan het benodigde onderzoek en de motivering van het besluit waarmee planologische inpassing mogelijk wordt gemaakt. Blijkens de plantoelichting is bij het opstellen van het bestemmingsplan toepassing gegeven aan deze toetsingssystematiek.

Indien voldaan wordt aan de toepasselijke richtafstand uit de VNG-brochure, is volgens de toetsingssystematiek in beginsel sprake van een aanvaardbare geluidsbelasting (stap 1). Omdat wat betreft de woningen van [appellant] en anderen niet wordt voldaan aan de richtafstand van 30 m dient de raad, uitgaande van voornoemde toetsingssystematiek, met akoestisch onderzoek aan te tonen dat de geluidsbelasting op de gevel van de woningen voldoet aan de geluidswaarden als opgenomen in paragraaf B5.3 van bijlage 5 van de VNG-brochure. Deze geluidswaarden bedragen - in gemengd gebied - in eerste instantie 50 dB(A) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, 70 dB(A) voor het maximale piekniveau en 50 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking (stap 2). Bij overschrijding van deze waarden is planologische inpassing nog steeds mogelijk, bij een geluidswaarde van - eveneens in gemengd gebied - maximaal 55 dB(A) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, 70 dB(A) voor het maximale piekniveau en 65 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking. De raad dient dan te motiveren waarom deze geluidsbelasting in het concrete geval acceptabel is waarbij de cumulatie met de reeds bestaande geluidsbelasting moet worden betrokken in de besluitvorming. De raad kan daarbij het gemeentelijk beleid betrekken (stap 3). Indien ook laatstgenoemde waarden worden overschreden is, uitgaande van paragraaf B5.3 van bijlage 5 van de VNG-brochure, planologische inpassing doorgaans niet mogelijk (stap 4).

5.4. In het geluidsrapport, dat ten behoeve van het plan is opgesteld, is de geluidsbelasting vanwege de brandweerkazerne op de gevels van de bestaande woningen in de omgeving onderzocht. Volgens het geluidsrapport kan - uitgaande van een beoordelingshoogte van 1,5 m - in de representatieve bedrijfssituatie en de incidentele bedrijfssituatie bij de woningen van [appellant] en anderen aan de maximaal vast te stellen geluidgrenswaarden van het Activiteitenbesluit worden voldaan, mits geluidschermen worden geplaatst tussen de brandweerkazerne en de woningen van [appellant] en anderen van 2 m en 3 m hoog. In de plantoelichting staat dat het voor de woningen van [appellant] en anderen geldende bestemmingsplan een uitbreiding van deze woningen met één of meer bouwlagen mogelijk maakt. Blijkens het geluidsrapport is met deze situatie rekening gehouden. Bij een beoordelingshoogte van 5 m bij de woningen van [appellant] en anderen kan ook aan de maximaal vast te stellen geluidgrenswaarden worden voldaan, zo staat in het geluidsrapport. Wel dient in die situatie volgens het geluidsrapport het hiervoor genoemde scherm van 3 m te worden opgehoogd tot 5 m. In de afwijkingsbevoegdheid in artikel 3, lid 3.3, van de planregels is de mogelijkheid geboden om af te wijken van de maximale bouwhoogte voor geluidschermen van 3 m tot 5 m. Nu de in het Activiteitenbesluit gestelde grenswaarden onder de waarden liggen die zijn geadviseerd in stap 2 van paragraaf B5.3 van bijlage 5 van de VNG-brochure, wordt tevens aan deze laatstgenoemde waarden voldaan.

Wat betreft de geluidsbelasting die het uitrukken met sirenes meebrengt staat in het geluidsrapport vermeld dat de geluidsbelasting in deze situatie bij alle woningen hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting" van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996 van 50 dB(A) maar lager dan de maximaal toelaatbare waarde van 65 dB(A). Deze waarden komen overeen met de waarden zoals opgenomen in stap 2 en stap 3 van paragraaf B5.3 van bijlage 5 van de VNG-brochure. Blijkens de plantoelichting is verder een cumulatieberekening uitgevoerd, waaruit volgt dat de cumulatiewaarden de in stap 3 opgenomen waarde van 65 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking niet overschrijden.

[appellant] en anderen hebben de juistheid van de resultaten van het aan het plan ten grondslag liggende geluidsrapport niet bestreden en voorts niet aannemelijk gemaakt dat niet is uitgegaan van een juiste representatieve bedrijfsvoering. Hoewel het in dit geval gaat om een aanzienlijke afwijking van de richtafstand, ziet de Afdeling, gelet op het voorgaande, in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de afwijking ontoereikend heeft gemotiveerd.

De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling voorts in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan het bereiken van een aanvaardbaar geluidsniveau bij de woningen dan aan de omstandigheid dat een geluidscherm ter plaatse volgens het geluidsrapport stedenbouwkundig minder wenselijk is.

5.5. Volgens de plantoelichting is het vanwege de brandweerkazerne benodigde aantal parkeerplaatsen berekend. Voor deze berekening is de CROW-publicatie 182 (de CROW-normen) gebruikt. De totale parkeerbehoefte die hieruit volgt, bedraagt 11 parkeerplaatsen. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit voorziene aantal aan te leggen parkeerplaatsen niet voldoet aan de CROW-normen en dat de berekening van de parkeerbehoefte vanwege de brandweerkazerne onjuist is. Bovendien heeft de raad ter zitting toegelicht dat de brandweerkazerne weliswaar van een fitnessruimte en een bijeenkomstruimte zal worden voorzien, maar dat deze ruimtes uitsluitend zijn bedoeld voor gebruik door de vrijwilligers bij de brandweer. De Afdeling stelt vast dat het plan deze voorzieningen slechts als onderdeel van de brandweerkazerne mogelijk maakt. [appellant] en anderen hebben gelet op het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat het plan desondanks zal leiden tot parkeeroverlast.

5.6. De raad heeft ter zitting onweersproken toegelicht dat in de brandweerkazerne zuurstofflessen worden opgeslagen, maar dat voor het overige ter plaatse niet of nauwelijks brandgevaarlijke stoffen worden opgeslagen.

5.6.1. In paragraaf 4.1.3 van het Activiteitenbesluit en paragraaf 4.1.3.2 van de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (thans: Activiteitenregeling milieubeheer) zijn voorschriften opgenomen ter voorkoming en beperking van milieugevolgen van de opslag van stoffen, waaronder zuurstof, in opslagtanks.

5.6.2. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat niet kan worden voldaan aan de voorschriften van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling milieubeheer voor de opslag van stoffen in opslagtanks. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen vanwege aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving als gevolg van de opslag van gevaarlijke stoffen in de brandweerkazerne.

Locatieonderzoek en alternatieven

6. [appellant] en anderen betogen dat de raad bij zijn afweging omtrent de vaststelling van het plan onvoldoende heeft betrokken dat alternatieve locaties beschikbaar zijn. Het locatieonderzoek dat ten grondslag ligt aan het plan is volgens hen onvolledig. [appellant] en anderen betogen onder meer dat met name de locatie die wordt aangeduid als "De Groene Driehoek" meer geschikt is voor de brandweerkazerne, vooral omdat het woon- en leefklimaat op die locatie minder wordt verstoord nu de situering van de brandweerkazerne plaats kan vinden op grotere afstand dan in de VNG-brochure aanbevolen afstand van 30 m van woningen. Ter zitting hebben [appellant] en anderen nog de leegstaande brandweerpost aan de Londen in Barendrecht als alternatief naar voren gebracht.

6.1. Wat betreft de locatie aan de Londen heeft de VRR ter zitting uiteengezet dat dit geen reëel alternatief is reeds omdat deze locatie niet ligt binnen het dekkingsgebied. Voor het overige ziet de Afdeling geen aanleiding om over deze beroepsgrond anders te oordelen dan de voorzitter heeft gedaan in zijn uitspraak van 18 december 2012, nr. 201210227/2/R4, waarbij het verzoek om voorlopige voorziening van [appellant] en anderen tegen de bestreden besluiten is afgewezen en waarbij is ingegaan op deze beroepsgrond. Deze beroepsgrond faalt dan ook.

6.2. Hoewel de voorziene brandweerkazerne ten opzichte van de bestaande feitelijke situatie ter plaatse voor [appellant] en anderen een verandering van ingrijpende aard is en het plan nadelige gevolgen meebrengt voor hun woon- en leefklimaat, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het onmogelijk is om een geschikte locatie te kiezen voor de brandweerkazerne die niet leidt tot aantasting van belangen van omwonenden. Naar het oordeel van de Afdeling geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het plan zodanige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen met zich brengt dat de raad niet in redelijkheid meer gewicht heeft mogen toekennen aan de belangen die met de realisering van het plan zijn gediend dan aan de belangen van [appellant] en anderen.

Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan

7. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het plan anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

De omgevingsvergunning

8. De omgevingsvergunning van 25 september 2012 is verleend voor het bouwen van een brandweerkazerne en het ten behoeve daarvan kappen van vijf bomen: drie stuks Alnus (els), een Sorbus (lijsterbes) en een Qercus (eik) ter plaatse.

9. [appellant] en anderen betogen dat de omgevingsvergunning en de publicatie daarvan onvolkomenheden bevatten, hetgeen volgens hen exemplarisch is voor de onzorgvuldige besluitvorming. De omgevingsvergunning gaat, gelet op de bij de omgevingsvergunning behorende tekening, uit van de kap van een Sorbus op locatie 1 terwijl het rapport van AV Consultants B.V. van 24 februari 2010 uitgaat van een Prunus zodat onduidelijk is welke boom wordt gekapt.

Daarnaast zijn de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte geluidschermen volgens [appellant] en anderen niet in de publicatie en in de redactie van de omgevingsvergunning genoemd terwijl deze wel op de bij de omgevingsvergunning behorende tekening worden vermeld.

9.1. De Afdeling stelt vast dat uit de aanvraag en de daarvan deel uitmakende tekening duidelijk blijkt op welke bomen de vergunning ziet. In het bestreden besluit staat onder het kopje "omgevingsvergunning" uitdrukkelijk vermeld dat het onder meer gaat om "1 Sorbus". Dat in het eveneens van de vergunning deel uitmakende rapport van 24 februari 2010 voor de desbetreffende boom een andere benaming is gebruikt, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Nu geen twijfel bestaat over welke boom mag worden gekapt, moet worden geoordeeld dat de verkeerde benaming in het rapport een kennelijke verschrijving betreft.

Wat betreft de geluidschermen stelt de Afdeling vast dat, nu op het aanvraagformulier staat vermeld dat geluidschermen worden geplaatst en deze op de bouwtekening die bij de vergunning hoort, zijn weergegeven, de vergunning op dit punt geen tegenstrijdigheden of inconsistenties bevat.

Wat betreft het betoog van [appellant] en anderen dat het besluit omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning vanwege door hen gestelde gebreken in de publicatie niet op de juiste wijze is bekendgemaakt, overweegt de Afdeling dat het gaat om een mogelijke onregelmatigheid die dateert van na het nemen van het besluit omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning. Dergelijke onregelmatigheden kunnen de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning niet aantasten.

10. [appellant] en anderen hebben zich in hun beroepschrift ten aanzien van de overige beroepsgronden beperkt tot het verwijzen naar hun zienswijze. In de overwegingen van het besluit omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] en anderen hebben geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze onjuist zou zijn.

Conclusie ten aanzien van de omgevingsvergunning

11. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd tegen het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit besluit is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Proceskosten

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Steenbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van Steenbergen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2013

528-685.