Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:49

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
201210197/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:5104, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2010 heeft de minister van Justitie het koninklijk besluit van 26 november 2007, waarbij aan [naam A], mede voor [naam B], het Nederlanderschap is verleend, ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210197/1/V6.

Datum uitspraak: 26 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], zich voorheen noemende [naam A], wonend te [woonplaats], naar gesteld in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [persoon], zich voorheen noemende [naam B] (hierna: [naam B]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 september 2012 in zaak nr. 11/2142 in het geding tussen:

[appellant], in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [naam B]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister).

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2010 heeft de minister van Justitie het koninklijk besluit van 26 november 2007, waarbij aan [naam A], mede voor [naam B], het Nederlanderschap is verleend, ingetrokken.

Bij besluit van 14 april 2011 (hierna: het besluit van 14 april 2011) heeft de minister het daartegen door [appellant], mede voor [naam B], gemaakte bezwaar gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 september 2012 heeft de rechtbank het door [appellant], in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [naam B], ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant], naar gesteld in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [persoon], hoger beroep ingesteld.

De minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de staatssecretaris), heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 april 2013, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M. Wiersma, advocaat te Rotterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. De staatssecretaris heeft ter zitting van de Afdeling betoogd dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is, omdat uit het nader stuk blijkt dat [appellant] niet de wettelijk vertegenwoordiger van [persoon] is.

2.1. Ingevolge artikel 8:21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) worden natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, in het geding vertegenwoordigd door hun vertegenwoordigers naar burgerlijk recht.

Ingevolge het tweede lid kunnen de in het eerste lid bedoelde personen zelf in het geding optreden, indien zij tot redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht.

2.2. [appellant] heeft bij het nader stuk een beschikking overgelegd van de rechtbank Rotterdam, sector civiel, van 22 februari 2012, waarin die rechtbank heeft bepaald dat de op naam van [naam B] gestelde geboorteakte van [persoon] moet worden doorgehaald, onder gelijktijdige aanvulling van het geboorteregister met een akte waarin zijn geslachtsnaam wordt gewijzigd in ‘[persoon]’, zonder vermelding van de vadergegevens. De rechtbank Rotterdam heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het huwelijk tussen [naam A] en de moeder van [persoon] nooit heeft bestaan omdat de huwelijksakte valselijk is opgemaakt. [appellant] heeft ter zitting van de Afdeling weliswaar aangevoerd dat een verzoek is ingediend tot vaststelling van zijn vaderschap ten aanzien van [persoon], maar hij heeft desgevraagd bevestigd dat dit verzoek thans nog niet is toegewezen. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat [appellant] niet de vertegenwoordiger naar burgerlijk recht is van [persoon] als bedoeld in artikel 8:21, eerste lid, van de Awb. Nu voorts niet is gebleken dat de wettelijk vertegenwoordiger van [persoon] geen rechtsgeldig hoger beroep heeft kunnen instellen, kan [appellant] niet in zijn hoger beroep worden ontvangen.

3. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Groenendijk

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2013

164-670.