Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:487

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2013
Datum publicatie
24-07-2013
Zaaknummer
201211658/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:3988, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 februari 2011 heeft het college [appellant] een tegemoetkoming in planschade van € 12.400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 april 2010 tot de dag van uitbetaling, toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2013-0225
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211658/1/A2.

Datum uitspraak: 24 juli 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Bergeijk,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 oktober 2012 in zaak nr. 11/3947 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk.

Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2011 heeft het college [appellant] een tegemoetkoming in planschade van € 12.400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 april 2010 tot de dag van uitbetaling, toegekend.

Bij besluit van 11 oktober 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 oktober 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht, om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, voor zover thans van belang, blijft van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak in ieder geval voor rekening van de aanvrager: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade.

2. Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.

3. [appellant] is eigenaar van de vrijstaande woning aan het [locatie] te Bergeijk (hierna: de woning). Het ten westen van de woning gelegen gebied (hierna: het plangebied), dat in het oude bestemmingsplan de bestemming ‘Agrarische doeleinden kernrandgebied’ had, heeft in het nieuwe bestemmingsplan een bestemming voor woondoeleinden gekregen. Op 19 april 2010 heeft [appellant] verzocht om een tegemoetkoming in planschade in de vorm van een vermindering van de waarde van de woning die hij als gevolg van de gewijzigde bestemming van het plangebied heeft geleden.

4. Het college heeft advies gevraagd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ).

In een advies van januari 2011 heeft de SAOZ een vergelijking gemaakt tussen de planologische mogelijkheden van het oude en het nieuwe planologische regime. Wat betreft de bebouwingsmogelijkheden is in het advies uiteengezet dat het, rekening houdend met de aanvullende werking van de bouwverordening van de gemeente Bergeijk van 29 april 1993 (hierna: de bouwverordening), krachtens het oude bestemmingsplan mogelijk was in het plangebied gebouwen met een nokhoogte van 15 m te realiseren. Uit deze vergelijking heeft de SAOZ de conclusie getrokken dat [appellant] door het nieuwe bestemmingsplan in een nadeliger positie is komen te verkeren en dat de waarde van de woning ten tijde van de inwerkingtreding van dat bestemmingsplan op 14 augustus 2008 van € 380.000,00 naar € 360.000,00 is gedaald. Voorts is in het advies vermeld dat, nu artikel 6.2, tweede lid, van de Wro op de aanvraag van toepassing is, van de schade een gedeelte, gelijk aan twee procent van de waarde van de woning onmiddellijk vóór het ontstaan van de schade, voor rekening van [appellant] blijft.

Het college heeft dit advies aan het besluit van 22 februari 2011 ten grondslag gelegd en dat besluit in bezwaar met verwijzing naar een advies van de commissie voor bezwaarschriften gehandhaafd.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een redelijke uitleg van de bij het oude bestemmingsplan behorende voorschriften (hierna: de planvoorschriften) met zich brengt dat voor het bepalen van de maximale hoogte van een bouwwerk, bedoeld in artikel II.12, lid A, aansluiting wordt gezocht bij artikel I.2, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, zodat artikel 2.5.24 van de bouwverordening aanvullende werking heeft. Daartoe voert hij aan dat meetvoorschriften geen invloed op de werking van bouwvoorschriften hebben. Voorts voert hij aan dat, nu in de planvoorschriften geen definitie van het begrip ‘hoogte’ is opgenomen, voor de uitleg van dat begrip dient te worden uitgegaan van hetgeen daaronder in het normale spraakgebruik wordt verstaan en dat hij er op mocht vertrouwen dat in het plangebied geen gebouw met een nokhoogte van meer dan 3 m zou worden opgericht.

5.1. Ingevolge artikel I.2, aanhef en onder c, van de planvoorschriften wordt, bij de toepassing van deze voorschriften, de hoogte van een gebouw gemeten van bovenkant goot, boeiboord of druiplijn, tot aan het gemiddelde maaiveldpeil van het aansluitend afgewerkt terrein.

Ingevolge artikel II.12, lid A, mogen op de voor agrarische doeleinden kernrandgebied bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd: bouwwerken van ondergeschikte aard ten dienste van de agrarische bedrijfsvoering, zoals schuilhokjes en gereedschapsbergingen, met uitzondering van kassen, met dien verstande dat de oppervlakte van een gebouw ten hoogste 50 m² bedraagt, de hoogte der bebouwing ten hoogste 3 m bedraagt en de onderlinge afstand van vrijstaande gebouwen ten minste 5 m bedraagt.

5.2. Dat meetvoorschriften een onzelfstandig en ondersteunend karakter hebben, laat onverlet dat deze van betekenis kunnen zijn voor de uitleg van bouwvoorschriften.

Uit de tekst van artikel I.2, aanhef en onder c, van de planvoorschriften valt af te leiden dat onder de hoogte van een gebouw, als bedoeld in artikel II.12, lid A, de goothoogte van dat gebouw wordt verstaan. In laatstvermelde bepaling is niet de maximale nokhoogte van dat gebouw geregeld. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat het onder het oude planologische regime in het plangebied slechts mogelijk was gebouwen met een nokhoogte van 3 m te realiseren.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Hazen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2013

452.