Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:471

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2013
Datum publicatie
24-07-2013
Zaaknummer
201300667/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 november 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Daansbergen - Den Berg" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201300667/1/R3.

Datum uitspraak: 24 juli 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Halsteren, gemeente Bergen op Zoom,

en

de raad van de gemeente Bergen op Zoom,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Daansbergen - Den Berg" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [partij] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2013, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door drs. K. Stoffer en H.C.A. de Groen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], bijgestaan door mr. J.T.F. van Berkel, verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. [appellante], die woont aan [locatie A], kan zich niet verenigen met de bij de vaststelling van het plan gewijzigde situering van het bouwvlak voor het perceel van [partij] aan de [locatie B]. Zij betoogt dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld onzorgvuldig is, nu de raad in de nota waarin de zienswijzen worden beoordeeld, niet is ingegaan op haar verzoek de door [partij] gewenste wijziging van het bouwvlak niet mogelijk te maken. Voorts heeft de raad volgens [appellante] het plan alleen gewijzigd vastgesteld naar aanleiding van de zienswijze van [partij] en heeft de raad deze wijziging ten onrechte niet nader gemotiveerd. Dit is volgens haar onzorgvuldig nu een eerder door [partij] ingediend bouwplan door het gemeentebestuur is afgewezen. Voor de wijziging van de situering van het bouwvlak op het perceel bestaat volgens [appellante] geen noodzaak.

2.1. Blijkens de nota van commentaar op de ingekomen zienswijzen is de situering van het bouwvlak op het perceel [locatie B] bij de vaststelling gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan naar aanleiding van de zienswijze van [partij]. In de nota staat dat de door [partij] gewenste situering van het bouwvlak stedenbouwkundig aanvaardbaar is, omdat het bouwvlak centraler op het perceel komt te liggen en in het verlengde van de voorgevelrooilijnen van de naastgelegen bebouwing. Voorts blijft met de wijziging van het bouwvlak de beeldbepalende groenstructuur op het perceel intact en is de instandhouding van de landschappelijke waarden in het gebied voldoende verzekerd. Gelet hierop heeft de raad gemotiveerd waarom de situering van het bouwvlak op het perceel bij de vaststelling is gewijzigd en waarom deze wijziging ruimtelijk aanvaardbaar is. Hiermee is de noodzaak voldoende aangetoond. Met deze motivering is voorts voldoende aangegeven waarom aan het verzoek van [appellante] in haar zienswijze om het bouwvlak niet te wijzigen, niet is tegemoet gekomen. Voorts heeft de raad in het verweerschrift toegelicht dat het eerder door [partij] ingediende bouwplan uitging van een wezenlijk andere situering van het bouwvlak. De Afdeling ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen.

Het betoog faalt.

3. [appellante] betoogt dat de wijziging van de situering van het bouwvlak en de maximaal toegelaten hoogte van hoofdgebouwen binnen dit bouwvlak ertoe leiden dat de ter plaatse van het perceel [locatie B] aanwezige landschappelijke waarden worden aangetast. Zij heeft er bezwaar tegen dat deze gebouwen 9 m hoog mogen worden. Deze hoogte komt ook niet overeen met de hoogte van de bestaande woningen in de omgeving, aldus [appellante]. Volgens haar heeft de raad ten onrechte geen aanvullend onderzoek naar de gevolgen van deze bouwhoogte op de ter plaatse aanwezige landschappelijke waarden verricht. Voorts worden de landschappelijke waarden in het gebied volgens [appellante] aangetast, omdat door de bouw van de voorziene woning de kap van gezonde bomen op het perceel nodig is.

3.1. De raad stelt dat de maximale bouwhoogte van 9 m overeenkomt met het vorige bestemmingsplan "Kom Halsteren" en het daarvoor geldende plan "Kom" van de voormalige gemeente Halsteren. Voorts sluit de bouwhoogte aan bij de bestaande bouwhoogten van de gebouwen in de straat. De raad stelt dat door het plan de groenstructuur, waarbij de bomen grenzen aan openbaar gebied en die van structurele betekenis is voor de landschappelijke waarden, intact blijft. Voorts zal in de omgevingsvergunning een herplantplicht worden opgenomen ter compensatie van de bomen die worden gerooid.

3.2. Aan het perceel [locatie B] zijn de bestemming "Wonen" en de dubbelbestemming "Waarde - Landschap" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen in een woning;

b. beroepsmatige activiteiten in de woning;

c. bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals paden, tuinen, parkeervoorzieningen, erven, speelvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, zijn de voor "Waarde - Landschap" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van waardevolle houtopstanden.

Ingevolge lid 6.3, onder 6.3.1, is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning (omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden) op de in lid 6.1 bedoelde gronden de volgende andere werken en/of werkzaamheden uit te voeren:

a. het vellen of rooien van bomen;

b. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;

c. het verrichten van overige handelingen die tot ernstige schade van de houtopstanden kunnen leiden.

Ingevolge het bepaalde onder 6.3.3 mag een omgevingsvergunning als bedoeld onder 6.3.1 alleen worden geweigerd en moet deze worden geweigerd indien door het uitvoeren van de werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen een onevenredige aantasting van de landschappelijke waarden ontstaat of kan ontstaan en dit door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden voorkomen.

3.3. Zowel in het bestemmingsplan "Kom Halsteren" als het daarvoor geldende plan "Kom" mogen gebouwen een hoogte hebben van maximaal 9 m. Enkele woningen in de omgeving hebben een hoogte die hiermee overeenkomt. In het kader van het bestemmingsplan heeft een analyse plaatsgevonden van de landschappelijke waarden ter plaatse van het perceel [locatie B]. In paragraaf 3.2 van de plantoelichting staat dat Daansbergen wordt gekarakteriseerd door naaldhoutige boomsoorten. Blijkens figuur 3 bij paragraaf 1.5 van de plantoelichting zullen ten behoeve van de wijziging van de situering van het bouwvlak dertien bomen moeten worden gekapt. Gelet op artikel 6, lid 6.3, onder 6.3.3, mag een omgevingsvergunning hiervoor alleen worden geweigerd en moet deze worden geweigerd indien door het uitvoeren van deze werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen een onevenredige aantasting van de landschappelijke waarden ontstaat of kan ontstaan en dit door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden voorkomen. Nu het plan slechts voorziet in een andere situering van het bouwvlak en niet in een groter oppervlak, is op het perceel voldoende ruimte voor het herplanten van de dertien bomen die moeten worden gekapt. Er bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de in het plan voorziene bouwmogelijkheden voor het perceel leiden tot een zodanige aantasting van de landschappelijke waarden ter plaatse dat de raad hieraan doorslaggevende betekenis had moeten toekennen. Het betoog faalt.

4. [appellante] stelt dat het plan leidt tot een aantasting van haar woon- en leefklimaat, omdat het bouwvlak op het perceel [locatie B] het verlengde van de voorgevelrooilijn van haar bouwvlak overschrijdt. Zij vreest dat het plan gelet hierop leidt tot een beperking van haar uitzicht. De raad heeft haar belangen onvoldoende bij zijn afweging betrokken, aldus [appellante].

4.1. Anders dan [appellante] stelt, is het bouwvlak op het perceel [locatie B] weliswaar ongeveer 2,75 m dichter bij de weg gesitueerd, maar ligt de bouwgrens van het bouwvlak in het verlengde van de voorgevelrooilijn van het bouwvlak op het perceel van [appellante]. Door de wijziging van de situering van het bouwvlak ligt dit bouwvlak ook op 12 m afstand van de grens met het perceel van [appellante] in plaats van 4 m in het vorige plan. Voorts is, mede gelet op de ook na de uitvoering van het plan nog aanwezige bomen op de percelen [locatie B] en 22, niet aannemelijk gemaakt dat door de situering van het bouwvlak op het perceel [locatie B] het uitzicht van [appellante] zodanig kan worden aangetast dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Het betoog faalt.

5. [appellante] betoogt dat zij erop mocht vertrouwen dat het bouwvlak op het perceel [locatie B] niet zou worden gewijzigd. Zij wijst in dit verband op de bestemming "Waarde - Landschap", die aan het perceel is toegekend in het vorige bestemmingsplan "Kom Halsteren", op de omstandigheid dat dat plan nog recentelijk is vastgesteld en op een notariƫle akte waarin de verplichting is opgenomen om de aanwezige landschappelijke waarden te beschermen.

5.1. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend, ook niet in het geval het plan recentelijk is vastgesteld. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels vaststellen. Blijkens het bestreden besluit heeft de raad met de wijziging tegemoet willen komen aan de wens van [partij] om de situering van zijn bouwvlak te wijzigen. Gelet op de motivering van de raad zoals hiervoor, onder 2.1, is weergegeven, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling voldoende gemotiveerd waarom de wijziging uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is. Gelet hierop mocht [appellante] aan de toekenning van de bestemming "Waarde - Landschap" aan het perceel in het vorige bestemmingsplan "Kom Halsteren" niet het vertrouwen ontlenen dat het bouwvlak niet zou worden gewijzigd.

Aan de notariƫle akte waar [appellante] op wijst, kan niet die betekenis worden toegekend die [appellante] daaraan toegekend wil hebben, nu deze niet is aan te merken als een toezegging van de raad dat het bouwvlak op het perceel Daansbergen niet zal worden gewijzigd.

Gelet op het voorgaande heeft de raad het plan op dit punt niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Het betoog faalt.

6. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Kooijman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2013

177-653.