Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:441

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2013
Datum publicatie
24-07-2013
Zaaknummer
201211795/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:6532, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 augustus 2010 heeft de Belastingdienst het aan [appellante] over 2008 toegekende voorschot kinderopvangtoeslag herzien vastgesteld op € 4.198,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211795/1/A2.

Datum uitspraak: 24 juli 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 november 2012 in zaak nr. 12/1570 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2010 heeft de Belastingdienst het aan [appellante] over 2008 toegekende voorschot kinderopvangtoeslag herzien vastgesteld op € 4.198,00.

Bij besluit van 30 maart 2012 heeft de Belastingdienst het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het voorschot op nihil vastgesteld.

Bij uitspraak van 8 november 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, doch de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Nadat partijen daartoe toestemming hadden verleend, heeft de Afdeling bepaald dat behandeling van de zaak ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: Wko) is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 52 geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 53 kunnen bij regeling van Onze Minister ten behoeve van een goede uitvoering van deze wet regels worden gesteld met betrekking tot de administratie van gegevens bij kindercentra.

Ingevolge artikel 56, tweede lid, is dat van overeenkomstige toepassing op de houder van een gastouderbureau.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Awir verleent de Belastingdienst, indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de belanghebbende een voorschot tot het bedrag, waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Ingevolge het vierde lid kan de Belastingdienst het voorschot herzien.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, verstrekt een belanghebbende de Belastingdienst desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

Ingevolge artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling Wet kinderopvang (hierna: de Regeling) bevat de administratie van een gastouderbureau afschriften van alle met vraagouders overeengekomen schriftelijke overeenkomsten, vermeldende per overeenkomst: de voor de gastouderopvang te betalen prijs per uur en […] de naam, geboortedatum, adres, postcode en woonplaats van het kind, het aantal uren gastouderopvang per kind per jaar, evenals de duur van de overeenkomst.

2. [appellante] heeft een aanvraag om toeslag ingediend in verband met kinderopvang via [gastouderbureau A] met ingang van 1 januari 2008. Daarop heeft de Belastingdienst haar voorschot toegekend. Per 1 september 2008 maakt [appellante] gebruik van kinderopvang via [gastouderbureau B].

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de herziening van het voorschot tot verboden reformatio in peius leidt. De Belastingdienst mag het voorschot slechts herzien in geval de omstandigheden daartoe onafhankelijk van het bezwaar aanleiding geven. De nihilstelling is evenwel het directe gevolg geweest van het gemaakte bezwaar, nu de Belastingdienst het voorschot op nihil heeft vastgesteld naar aanleiding van hetgeen zij in haar bezwaarschrift over [gastouderbureau A] naar voren heeft gebracht. Het bezwaar daartegen klemt temeer, nu zij in het bezwaarschrift oprecht is geweest over de onregelmatigheden bij het gastouderbureau, aldus [appellante].

3.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat uit artikel 16, vierde lid, van de Awir volgt dat de Belastingdienst een voorschot ook in het nadeel van betrokkene mag herzien in geval van bezwaar tegen het eerder toegekende voorschot naar aanleiding van dat bezwaar. Dat [appellante] in haar bezwaarschrift, als gesteld, zelf melding heeft gemaakt van onregelmatigheden bij het gastouderbureau, betekent niet dat de Belastingdienst van deze bevoegdheid in haar geval geen gebruik mocht maken.

Het betoog faalt.

4. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst het voorschot ten onrechte op nihil heeft vastgesteld, omdat er geen schriftelijke overeenkomst met de houder van het gastouderbureau, als bedoeld in artikel 52 van de Wko, is. Zij verwijst naar de door haar overgelegde aktes van overeenkomsten met [gastouderbureau A] en [gastouderbureau B]. Artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling heeft betrekking op de administratie van het gastouderbureau. Uit de gedingstukken blijkt, welke uurvergoeding met het gastouderbureau is afgesproken, zodat dit onderdeel uitmaakt van de rechtsverhouding tussen de vraagouder en het gastouderbureau en niet in de overeenkomst hoeft te worden vastgelegd, aldus [appellante].

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 27 juli 2011 in zaak nr. 201100797/1/H2), volgt uit artikel 52 van de Wko, gelezen in verbinding met artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling, dat de overeenkomst, om te voldoen aan de in bedoeld in artikel 52 van de Wko gestelde eisen, in elk geval de gegevens, vermeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling, waaronder de te betalen prijs per uur, moet bevatten.

Niet in geschil is dat in de overgelegde akte van de overeenkomst met [gastouderbureau A] slechts staat dat deze overeenkomst op 29 mei 2008 is aangegaan en daarin onder meer de overeengekomen uurprijs, de bemiddelingskosten, de duur van de overeenkomst en het aantal uren gastouderopvang per kind niet zijn vermeld. In de op 1 september 2008 getekende akte van de overeenkomst met [gastouderbureau B] is evenmin melding gemaakt van onder meer de voor de gastouderopvang te betalen prijs per uur, het aantal uren gastouderopvang per kind per jaar en de duur van de overeenkomst.

De rechtbank heeft onder die omstandigheden met juistheid geoordeeld dat de Belastingdienst zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van de Wko, de basis voor de kinderopvang vormt en daarom geen aanspraak op kinderopvangtoeslag bestaat. Dat in andere stukken, waaronder facturen van [gastouderbureau A] en [gastouderbureau B], als gesteld, het aantal uren en de te betalen prijs per uur voor de diensten van het gastouderbureau wel is vermeld, doet aan het vorenstaande niet af.

Ook dit betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2013

17-680.