Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:44

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
201208752/1/R1 en 201209857/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 mei 2012 heeft het college van gedeputeerde staten hogere waarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) vastgesteld ten behoeve van het inpassingsplan "N340/N48

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208752/1/R1 en 201209857/1/R1.

Datum uitspraak: 26 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding met zaaknr. 201209857/1/R1 tussen:

[appellant sub 1A], wonend te Dalfsen,

appellant,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder,

alsmede in het geding met zaaknr. 201208752/1/R1 tussen:

1. [appellant sub 1B] en anderen, allen gevestigd en wonend te Dalfsen,

2. [appellant sub 2], wonend te Zwolle,

3. [appellant sub 1A], wonend te Dalfsen,

4. [appellant sub 4], wonend te Dalfsen,

5. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], beiden wonend te Ommen,

6. [appellant sub 6], wonend te Dalfsen,

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Hotel-Café-Restaurant Zwolle B.V. (hierna: Van der Valk),

gevestigd te Kampen,

8. [appellant sub 8], gevestigd te Dalfsen,

9. [appellant sub 9], gevestigd te Zwolle,

waarvan de maten zijn [maten van appellant sub 9], allen wonend te Zwolle,

10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Resort

De Arendshorst, gevestigd te Ommen,

11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Salland Oil, gevestigd te Hasselt, gemeente Zwartewaterland,

12. [appellant sub 12], wonend te Dalfsen,

13. [appellant sub 13], wonend te Dalfsen,

14. [appellant sub 14A] en [appellant sub 14B], beiden wonend te Dalfsen,

15. [appellant sub 15], wonend te Dalfsen,

appellanten,

en

provinciale staten van Overijssel,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2012 heeft het college van gedeputeerde staten hogere waarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) vastgesteld ten behoeve van het inpassingsplan "N340/N48

Zwolle-Ommen".

Tegen dit besluit heeft [appellant sub 1A] beroep ingesteld.

Bij besluit van 12 juli 2012 hebben provinciale staten het inpassingsplan "N340/N48 Zwolle-Ommen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben alle appellanten beroep ingesteld.

Het college van gedeputeerde staten en provinciale staten hebben ieder voor het geding waarin zij verweerder zijn, een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht in elk geding een deskundigenbericht uitgebracht. Een aantal appellanten heeft een zienswijze daarop naar voren gebracht.

Een aantal appellanten en het college van gedeputeerde staten en provinciale staten hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 22 april 2013, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. Een aantal appellanten is niet verschenen en heeft zich evenmin doen vertegenwoordigen. Het college van gedeputeerde staten en provinciale staten hebben zich doen vertegenwoordigen.

Overwegingen

HET BESLUIT HOGERE WAARDEN

1. Vanwege het geluid van de nieuwe wegaanleg N340 alsmede de reconstructie van de A28 en de N340, zijn voor 21 woningen in Dalfsen en Zwolle hogere waarden vastgesteld.

2. Bij het bestreden besluit heeft het college van gedeputeerde staten voor de woning van [appellant sub 1A] aan de [locatie sub 1A] te Dalfsen een hogere waarde van 59 dB vastgesteld vanwege de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege het wegverkeerslawaai voor de reconstructie van de N340. Aan het bestreden besluit ligt het akoestisch rapport van Witteveen+Bos "Akoestisch onderzoek N340/N48" van mei 2012 (hierna: het akoestisch onderzoek) ten grondslag.

3. Uit het deskundigenbericht dat ziet op het bestreden besluit volgt dat tussen de nieuwe aansluiting van de N340 op de A28 en de bestaande kruising van de N340 met de Ankummerdijk/Cubbinghesteeg, is voorzien in de aanleg van de N340 over een nieuw tracé. Vanaf voormelde kruising volgt de N340 grotendeels het bestaande tracé in oostelijke richting. Het perceel van [appellant sub 1A], met daarop een woning en kwekerij, is gelegen nabij het laatstgenoemde tracégedeelte. De woning is gelegen op een afstand van ongeveer 500 m ten oosten van de huidige kruising met de Cubbinghesteeg en ruim 50 m ten zuiden van de as van de huidige N340.

Ter hoogte van de woning van [appellant sub 1A] zal de nieuwe N340 worden aangelegd als een autoweg met 2x2 rijstroken en een maximumsnelheid van 100 km/uur, met parallelwegen met een maximum snelheid van 60 km/uur. De afstand tussen de woning van [appellant sub 1A] en de N340 zal, gemeten vanaf het wegontwerp, ongeveer 28 m bedragen. De afstand tot de zuidelijke parallelweg zal ongeveer 14 m bedragen.

4. [appellant sub 1A] voert aan dat de parallelweg in het akoestisch onderzoek ten onrechte is aangemerkt als een akoestisch niet relevante weg. Er is bij de verkeersberekeningen uitgegaan van onjuiste weerstanden en rijsnelheden. [appellant sub 1A] voert in dit verband onder meer aan dat de etmaalintensiteit op de parallelweg van de Ankummerdijk naar de Leemculeweg op onjuiste wijze is berekend. De Engelandweg zal worden voorzien van een fietssluis, zodat het verkeer niet langer over die weg maar over de parallelweg zal gaan rijden. Voorts gaat veel verkeer uit veiligheidsoverwegingen via de verkeerslichten van de Koesteeg de N340 op. De veiligheidsoverweging om van de Koesteeg gebruik te maken zal echter als gevolg van het inpassingsplan vervallen, omdat daar een ongelijkvloerse kruising is voorzien. Bovendien is het volgens [appellant sub 1A] niet aannemelijk dat verkeer uit Dalfsen 700 m zal omrijden via de Koesteeg, uitsluitend omdat die weg net iets sneller is. Volgens [appellant sub 1A] zullen in 2028, anders dan de 1.224 motorvoertuigen per etmaal (hierna: mvt/etmaal) waar provinciale staten van uitgaan, meer dan 1.660 mvt/etmaal gebruik maken van de parallelweg, zodat sprake is van een reconstructie in de zin van de Wgh.

4.1. Het college van gedeputeerde staten heeft toegelicht dat het gehanteerde verkeersmodel naar de meest actuele inzichten is opgesteld. Met betrekking tot de verkeerscijfers van de gemeente Dalfsen heeft afstemming plaatsgevonden. De verdeling van het verkeer over de verschillende gemeentelijke wegen is berekend op basis van de snelste reistijd en de beschikbare capaciteit. De etmaalintensiteit op de parallelweg van de Ankummerdijk naar de Leemculeweg is in het verkeersmodel berekend op 1.224 mvt/etmaal in 2028.

4.2. Ingevolge artikel 1 van de Wgh betreft een reconstructie van een weg een of meer wijzigingen op of aan een aanwezige weg ten gevolge waarvan uit akoestisch onderzoek als bedoeld in artikel 77, eerste lid, onder a, en artikel 77, derde lid, blijkt dat de berekende geluidsbelasting vanwege de weg in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen ten opzichte van de geluidsbelasting die op grond van artikel 100, dan wel het bepaalde krachtens artikel 100b, aanhef en onder a, als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting geldt met 2 dB of meer wordt verhoogd.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh is, behoudens het in de artikelen 83, 100 en 100a bepaalde, de voor woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel, vanwege de weg, 48 dB.

Ingevolge artikel 83, eerste lid, van de Wgh, voor zover thans van belang, kan in nieuwe situaties voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting als bedoeld in artikel 82, eerste lid, een hogere dan de in dat artikel genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde voor woningen in buitenstedelijk gebied 53 dB niet te boven mag gaan.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder b, kan bij toepassing van het eerste lid met betrekking tot woningen die reeds aanwezig of in aanbouw zijn, voor zover het woningen in buitenstedelijk gebied betreft voor de toekomstige geluidsbelasting vanwege een weg die nog niet is geprojecteerd een hogere dan de in dat lid genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 58 dB niet te boven mag gaan.

Ingevolge artikel 100, eerste lid, van de Wgh is, behoudens het tweede en derde lid, de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege een te reconstrueren weg, van de gevel van woningen binnen de zone 48 dB.

Ingeval eerder bij of krachtens de Wgh […] een hogere waarde […] is vastgesteld dan 48 dB, en de heersende waarde hoger is dan 48 dB, geldt ingevolge artikel 100, tweede lid, van de Wgh, de laagste van de volgende twee waarden als de ten hoogste toelaatbare:

a. de heersende waarde;

b. de eerder vastgestelde.

Ingeval de weg op 1 januari 2007 aanwezig […] was en niet eerder een hogere waarde […] is vastgesteld dan 48 dB, en de heersende waarde hoger is dan 48 dB, geldt ingevolge artikel 100, derde lid, van de Wgh, als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege de te reconstrueren weg, van de gevel van woningen binnen de zone die op 1 januari 2007 aanwezig, in aanbouw of geprojecteerd was de heersende waarde.

In geval van een te reconstrueren weg kan ingevolge artikel 100a voor de […] gevel van woningen een hogere waarde dan de ingevolge artikel 100 geldende worden vastgesteld, met dien verstande dat:

a. de verhoging 5 dB niet te boven mag gaan, behoudens in gevallen waarin:

1°. ten gevolge van de reconstructie de geluidsbelasting van de gevel van ten minste een gelijk aantal woningen elders met een ten minste gelijke waarde zal verminderen, en

2°. de wegbeheerder heeft verklaard dat hij financiële middelen ter beschikking stelt uiterlijk voor afloop van de reconstructie ten behoeve van de toepassing van artikel 90 of artikel 111, tweede of derde lid, met betrekking tot woningen die door de reconstructie een hogere geluidsbelasting ondervinden, en

b. ingeval voor de betrokken woning eerder toepassing is gegeven aan artikel 83 of artikel 84, tweede lid, zoals dat luidde voor 1 september 1991 of, indien geen toepassing is gegeven aan het betrokken artikel en de heersende waarde 53 dB niet te boven gaat, de waarde niet hoger mag worden gesteld dan:

1°. 58 dB bij een reconstructie van een weg in buitenstedelijk gebied en

2°. 63 dB bij een reconstructie van een weg in stedelijk gebied.

Ingevolge het tweede lid mag de krachtens het eerste lid, onder a, te stellen hogere waarde niet hoger worden gesteld dan 68 dB. Ingevolge het derde lid mag in afwijking van het tweede lid, ingeval eerder bij of krachtens deze wet, [...] een hogere waarde dan 68 dB is vastgesteld, de waarde niet hoger worden gesteld dan de eerder vastgestelde waarde.

4.3. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting vanwege de parallelweg, uitgaande van een verkeersintensiteit van 1.224 mvt/etmaal, niet meer zal bedragen dan 48 dB. Voor zover [appellant sub 1A] aanvoert dat de aan het akoestisch onderzoek ten grondslag gelegde uitgangspunten onjuist zijn, waardoor de parallelweg ten onrechte als akoestisch niet relevant is aangemerkt, wordt als volgt overwogen.

Volgens het deskundigenbericht staat vast dat de huidige geluidsbelasting vanwege de parallelweg lager is dan 48 dB. Er is onderzocht of voor de berekening van de toekomstige geluidsbelasting vanwege de parallelweg is uitgegaan van een realistisch te achten verkeersmodel. Voor 2028 is uitgegaan van een verkeersstroom op de Hessenweg van 1.224 mvt/etmaal met een rijsnelheid van 60 km/uur. Het verkeer bestaat in die toekomstige situatie blijkens de invoergegevens van het verkeersmodel voor ongeveer 99,8% uit lichte voertuigen. In het deskundigenbericht is vastgesteld dat voor de woning van [appellant sub 1A] in het akoestisch rapport geen berekening van de toekomstige geluidsbelasting vanwege de parallelweg is opgenomen, zodat in zoverre niet kan worden vastgesteld of maar net aan de grenswaarde wordt voldaan. In dat geval zou een verhoging van de verkeersintensiteit met 15-20% resulteren in een overschrijding van de grenswaarde van 48 dB. In een door provinciale staten overgelegde reactie op het gebruikte verkeersmodel van Goudappel Coffeng van 8 november 2012 is erkend dat in het verkeersmodel voor een deel feitelijk onjuiste rijsnelheden zijn gehanteerd. Volgens Goudappel Coffeng zijn de verkeersintensiteiten echter geverifieerd aan de hand van tellingen, zodat het model een goede afspiegeling van de werkelijkheid is. In het deskundigenbericht wordt hierbij aangetekend dat de verificatie van het verkeersmodel op basis van verkeerstellingen uitsluitend betrekking heeft gehad op de huidige situatie. Het lijkt niet uitgesloten dat foutieve uitgangspunten ten aanzien van de rijsnelheid een ongewenste invloed kunnen hebben op de berekende toekomstige verkeersintensiteiten. In het deskundigenbericht wordt desalniettemin geconcludeerd dat het, hoewel het verkeersmodel met name voor de toekomstige situatie geen harde gegevens kan genereren, op voorhand niet aannemelijk is dat de afwijking van de berekende toekomstige verkeersintensiteit zo groot zal zijn, dat de geluidsbelasting vanwege de parallelweg hoger zal zijn dan 48 dB.

Voorts heeft het college van gedeputeerde staten zich op het standpunt gesteld dat het verkeer zowel bij openstelling als bij afsluiting van de Engelandweg over de parallelweg bij [appellant sub 1A] zal blijven rijden, zodat dit niets uitmaakt voor de verkeersintensiteit op de parallelweg ter hoogte van het perceel van [appellant sub 1A]. In hetgeen [appellant sub 1A] heeft aangevoerd kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat dit standpunt van het college van gedeputeerde staten niet kan worden gevolgd. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1A] dat veel verkeer thans uit veiligheidsoverwegingen via de Koesteeg de N340 oprijdt, wordt overwogen dat deze stelling niet nader is gestaafd. Overigens wordt overwogen dat een verkeersmodel geen rekening houdt met gevoelens van onveiligheid maar uitgaat van de weg van de minste weerstand. Dit is veelal de route die de minste tijd kost, zodat het college van gedeputeerde staten zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat over de Koesteeg zal worden gereden omdat deze route sneller is.

Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1A] dat in het akoestisch onderzoek geen rekening is gehouden met tractoren, heeft het college van gedeputeerde staten uiteengezet dat tractoren in de categorie-indeling van de Standaardrekenmethode II, Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006, volgens welke methode het akoestisch onderzoek is uitgevoerd, vallen onder de categorie lichte motorvoertuigen. Nu in het akoestisch onderzoek rekening is gehouden met een aandeel lichte voertuigen in elke etmaalperiode, heeft het college van gedeputeerde staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat tractoren in voldoende mate zijn betrokken in het akoestisch onderzoek.

Gezien het vorenstaande en in aanmerking genomen hetgeen in het deskundigenbericht is geconcludeerd ten aanzien van het gebruikte verkeersmodel, heeft het college van gedeputeerde staten zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hetgeen [appellant sub 1A] heeft aangevoerd niet afdoet aan de betrouwbaarheid van dat verkeersmodel. De parallelweg is gelet op het vorenstaande terecht als akoestisch niet relevant aangemerkt, zodat vanwege het geluid van de parallelweg geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld.

5. Ten aanzien van het besluit voor de woning van [appellant sub 1A] aan de [locatie sub 1A] te Dalfsen een hogere grenswaarde van 59 dB vast te stellen in verband met de reconstructie van de N340, wordt als volgt overwogen.

6. Blijkens het akoestisch onderzoek bedraagt de actuele geluidsbelasting vanwege de N340 ter plaatse van de woning van [appellant sub 1A] 57,87 dB(A). Door de reconstructie van die weg zal, indien geen maatregelen ter beperking van de geluidsbelasting worden genomen, de geluidsbelasting toenemen tot 61,37 dB(A) in 2028. Hieruit volgt dat sprake is van een toename van meer dan 2 dB, hetgeen een reconstructie in de zin van artikel 1 van de Wgh impliceert. Uit het deskundigenbericht volgt dat voor de woning van [appellant sub 1A] niet eerder een hogere waarde voor de toelaatbare geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai is vastgesteld, zodat als voorkeursgrenswaarde voor de geluidsbelasting de heersende waarde van 58 dB geldt. Indien de toename niet kan worden tenietgedaan door het treffen van maatregelen, dient een hogere waarde te worden vastgesteld. Ingevolge artikel 100a, tweede lid, van de Wgh is deze waarde maximaal 68 dB.

7. Voor zover [appellant sub 1A] betoogt dat in het akoestisch onderzoek is uitgegaan van een onjuiste ligging van de ten westen van haar woning te realiseren invoegstrook ten behoeve van de N340, zodat mogelijk een te lage waarde voor de geluidsbelasting vanwege de N340 is berekend, faalt dit betoog. Hierbij betrekt de Afdeling dat in het deskundigenrapport is vermeld dat, hoewel de invoegstrook op kortere afstand van de woning van [appellant sub 1A] is gesitueerd dan waar in het akoestisch onderzoek van is uitgegaan, de invloed van de exacte modellering van het verkeer op de invoegstrook op de geluidsbelasting ter plaatse van de woning, gelet op de verkeersintensiteit, de ligging van de invoegstrook op korte afstand van de hoofdrijbaan en de afstand tot de woning, zeer beperkt zal zijn.

Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1A] dat het akoestisch onderzoek had moeten worden verricht met inachtneming van een zonebreedte van de N340 van 600 m in plaats van 400 m, wordt overwogen dat, hoewel ter zitting van de zijde van het college van gedeputeerde staten is bevestigd dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte van een zonebreedte van 400 m is uitgegaan, in het deskundigenbericht is uiteengezet dat een verruiming van het onderzoeksgebied naar een zonebreedte van 600 m in de situatie van [appellant sub 1A] geen enkel gevolg heeft voor de berekende geluidsbelasting en de op basis daarvan vastgestelde hogere waarde. Het vorenstaande is door [appellant sub 1A] niet met objectieve gegevens betwist.

8. Voorts voert [appellant sub 1A] aan dat voor haar woning een hogere grenswaarde is vastgesteld omdat aanvullende, financieel doelmatige, geluidreducerende maatregelen niet afdoende zullen zijn om de geluidsbelasting tot onder de grenswaarde terug te brengen. Hieruit kan volgens [appellant sub 1A] worden opgemaakt dat alternatieven om de geluidsbelasting naar beneden te brengen volgens het provinciebestuur te duur zijn. Volgens [appellant sub 1A] is het onaanvaardbaar dat financiële afwegingen boven haar woongenot worden gesteld.

8.1. Ingevolge artikel 110a, eerste lid, van de Wgh, gelezen in samenhang met het zevende lid van dit artikel is, ingeval van de aanleg of reconstructie van een weg in beheer van een provincie, het college van gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de weg is gelegen bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.

Ingevolge het derde lid kan deze waarde ambtshalve of op verzoek van degenen die daartoe bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, worden vastgesteld.

Ingevolge het vijfde lid vindt het eerste en tweede lid slechts toepassing indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting vanwege [...] de weg [...] van de gevel van de betrokken woningen [...] tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de in dit lid bedoelde bevoegdheid enkel in bij die maatregel aan te geven gevallen kan worden toegepast.

Ingevolge het zesde lid geeft het college van gedeputeerde staten, voor zover van belang, indien artikel 110f van toepassing is, slechts toepassing aan het derde lid voor zover de gecumuleerde geluidsbelastingen na de correctie op grond van artikel 110f, derde lid, niet leiden tot een naar zijn oordeel onaanvaardbare geluidsbelasting.

8.2. Het college van gedeputeerde staten heeft bij de beoordeling van de financiële doelmatigheid van maatregelen de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wet geluidhinder van 14 december 2009 (hierna: Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh) toegepast. Er is niet aannemelijk gemaakt dat het college van gedeputeerde staten niet in redelijkheid heeft kunnen uitgaan van deze regeling.

8.3. Ingevolge artikel 1 van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, wordt onder geluidreductie verstaan het verschil tussen de toekomstige geluidsbelasting, die door geluidsgevoelige objecten zou worden ondervonden vanwege een weg of spoorweg in de situatie zonder maatregelen, en de toekomstige geluidsbelasting vanwege een weg of spoorweg in de situatie dat geluidbeperkende maatregelen getroffen zijn.

Ingevolge artikel 3 is een geluidbeperkende maatregel als bedoeld in tabel 1 en tabel 2 van bijlage 1 financieel doelmatig, indien het aantal maatregelpunten van de geluidbeperkende maatregel niet hoger is dan het aantal reductiepunten behorende bij het cluster waar de maatregel voor is bedoeld.

Ingevolge het tweede lid is een geluidbeperkende maatregel, in afwijking van het eerste lid, niet financieel doelmatig, indien uit het akoestisch onderzoek blijkt dat:

a. toepassing van de geluidbeperkende maatregel de grootste geluidreductie oplevert voor het cluster,

b. het aantal maatregelpunten voor deze maatregel hoger is dan het aantal maatregelpunten voor een andere geluidbeperkende maatregel die een gelijke of nagenoeg gelijke geluidreductie kan realiseren, en

c. in vergelijking met de andere maatregel de extra maatregelpunten niet in redelijke verhouding staan tot de extra geluidreductie die door het treffen van deze maatregel bereikt kan worden.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, worden overdrachtsmaatregelen bij de toepassing van deze regeling uitsluitend in overweging genomen voor zover deze maatregelen leiden tot een afname van de geluidsbelasting van ten minste 5 dB op ten minste een geluidsgevoelig object in een cluster.

8.4. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de woning van [appellant sub 1A] is opgenomen in cluster 301. De aanleg van dubbellaags ZOAB over een lengte van 1106 m is hier volgens het akoestisch onderzoek doelmatig. Dan resteren echter nog twee woningen in het cluster, waaronder die van [appellant sub 1A], waar de door de reconstructie ontstane toename van de geluidsbelasting niet geheel wordt weggenomen. De toepassing van geluidschermen met een hoogte van 2 m en een lengte van 88,87 m is op basis van de voor deze twee woningen geldende 7800 reductiepunten mogelijk, maar niet doelmatig, aangezien de maximaal te realiseren geluidsreductie met die schermen slechts 2,44 dB bedraagt en een scherm met een reductie van minder dan 5 dB ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh niet doelmatig is te achten.

[appellant sub 1A] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gehanteerde beoordelingsmethodiek, wat betreft de doelmatigheid van geluidbeperkende maatregelen, als zodanig niet in overeenstemming is met het bepaalde in de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh. Op basis van de doelmatigheidstoets diende derhalve vanwege het geluid van de N340 een hogere waarde van 59 dB te worden vastgesteld voor de woning van [appellant sub 1A].

9. Het beroep van [appellant sub 1A] tegen het besluit tot vaststelling van een hogere waarde is ongegrond.

HET INPASSINGSPLAN

Toetsingskader

10. Bij de vaststelling van een inpassingsplan hebben provinciale staten beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die zij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig achten. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Ontvankelijkheid

11. Provinciale staten betogen dat het beroep van [appellant sub 1B] en anderen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat zij geen zienswijze naar voren hebben gebracht tegen het ontwerpplan.

11.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, zoals dat luidde ten tijde van belang, en artikel 6:13 van de Awb kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Onder verwijzing naar twee door hen overgelegde formulieren hebben [appellant sub 1B] en anderen desverzocht uiteengezet dat [appellant sub 1B] tijdens de periode van terinzagelegging van het ontwerpinpassingsplan één van deze formulieren heeft ingevuld met behulp van medewerkers van de provincie. Volgens [appellant sub 1B] en anderen dient dit formulier te worden aangemerkt als zienswijze tegen het ontwerpinpassingsplan.

De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat [appellant sub 1B] en anderen zienswijzen tegen het ontwerpinpassingsplan naar voren hebben gebracht. In dit verband wordt van belang geacht dat de niet ondertekende, door [appellant sub 1B] en anderen overgelegde formulieren ongedateerd zijn en voorzien van de tekst "Reactieformulier voor inspraakreactie op het voorontwerp provinciaal inpassingsplan N340/N48 en/of de Planstudie BesluitMer N340/N48". Dit duidt er veeleer op dat de desbetreffende formulieren, wat hier verder van zij, zijn ingediend als inspraakreactie. Voor zover [appellant sub 1B] ter zitting heeft aangevoerd dat de desbetreffende formulieren tevens namens hem door medewerkers van de provincie zouden zijn ingebracht in de zienswijzeprocedure, wordt overwogen dat dit door [appellant sub 1B] niet aannemelijk is gemaakt. Bovendien is van de zijde van de provincie betwist dat deze formulieren in de zienswijzeprocedure zijn ingebracht.

Door [appellant sub 1B] en anderen zijn geen omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan dient te worden geoordeeld dat hen redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij niet tijdig een zienswijze naar voren hebben gebracht.

11.2. Het beroep van [appellant sub 1B] en anderen is niet-ontvankelijk.

12. De Afdeling overweegt verder dat [appellant sub 1A] beroepsgronden heeft aangevoerd tegen de plandelen voor de knooppunten Arriërveld (N48/N36) en Varsen (N340/N48/N348). Door [appellant sub 1A] is niet betwist dat de afstand van haar woning tot het knooppunt Varsen ongeveer 10,8 km bedraagt en de afstand tot het knooppunt Arriërveld ongeveer 14,1 km. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die op deze door [appellant sub 1A] bestreden plandelen mogelijk worden gemaakt, is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij deze plandelen betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts heeft [appellant sub 1A] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van haar rechtstreeks door deze onderdelen zou worden geraakt. Voor zover [appellant sub 1A] aanvoert dat zij als belanghebbende dient te worden aangemerkt omdat zij regelmatig gebruik maakt van de knooppunten Arriërveld en Varsen, wordt overwogen dat zij hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in zoverre een bijzonder, individueel belang heeft, welk belang zich in voldoende mate onderscheidt van dat van andere weggebruikers. De conclusie is dat [appellant sub 1A] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit wat betreft de plandelen met de bestemming "Verkeer" voor de knooppunten Arriërveld en Varsen, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, zoals dit luidde ten tijde van belang, geen beroep kan instellen.

12.1. Het beroep van [appellant sub 1A] is in zoverre niet-ontvankelijk.

Het inpassingsplan

13. In de plantoelichting staat dat de provinciale weg N340/N48 in de Omgevingsvisie Overijssel is aangewezen als een belangrijke schakel in de hoofdinfrastructuur van Noord-Overijssel. De weg is belangrijk voor de regionale ontwikkeling. Hij zorgt voor de primaire ontsluiting van Noordoost-Overijssel en vormt de verbinding tussen de economische centra Hardenberg en Zwolle. De N340/N48 heeft verder een belangrijke ontsluitingsfunctie voor Ommen, Dalfsen en Oudleusen. Een verdere verkeersgroei en een vlotte en veilige doorstroming op de huidige N340/N48 is echter niet meer mogelijk. De huidige inrichting en vormgeving van de N340/N48 zijn niet duurzaam veilig en kunnen verdere verkeersgroei zonder aanpassingen niet verantwoord opvangen. Zonder maatregelen komt de bereikbaarheid van de kernen en economische centra langs de N340/N48 onder druk te staan en neemt de verkeersonveiligheid verder toe. Verdere verkeersgroei zal leiden tot een toename van de barrièrewerking voor mens en dier, een verslechtering van de luchtkwaliteit en een toename van geluidshinder. Als gevolg hiervan zal de leefbaarheid langs de N340/N48 afnemen. De N340 kan in samenhang met de N48 tot de omleiding Ommen en de aansluiting op de A28, steeds moeilijker haar functie vervullen als belangrijke regionale oost-westverbinding. Hierdoor ontstaat sluipverkeer en neemt ook de druk op het onderliggende wegennet toe. Dit sluipverkeer leidt op het onderliggende wegennet tot een toename van de verkeersonveiligheid en een afname van de leefbaarheid. Gelet hierop is de volgende hoofddoelstelling voor het inpassingsplan geformuleerd: 'het zo duurzaam mogelijk verbeteren van de doorstroming, verkeersveiligheid en de leefbaarheid op en in de omgeving van de N340/N48, als onderdeel van de totale regionale oost-westverbinding en met voorkoming van sluipverkeer'. Daarnaast is aanvullend de volgende doelstelling geformuleerd: 'een aangepaste of nieuwe N340/N48 moet de regionale gebiedsontwikkeling ondersteunen’, aldus de plantoelichting.

14. Het inpassingsplan voorziet in een opwaardering van de N340/N48 Zwolle-Ommen tot een regionale stroomweg met een maximaal toegestane snelheid van 100 km/uur met ongelijkvloerse kruisingen en aansluitingen. Er is gekozen voor het Combinatiealternatief. Hierbij gaat het om een autoweg met 2x1 en deels 2x2 rijstroken. Er is voorzien in een nieuwe aansluiting van de N340 op de A28 en vanaf daar een nieuw tracé tot het punt waar de N340 de Ankummerdijk kruist. Daarna volgt de weg de huidige route van de N340 tot Varsen en vervolgens de N348 tot Arriërveld. Daar sluit de weg aan op de omleiding Ommen, de rijksweg N36. De huidige N340 tussen de A28 en de Ankummerdijk wordt afgewaardeerd naar een erftoegangsweg. Onderdeel van het Combinatiealternatief is ook dat de N377 Lichtmis-Slagharen mede een functie blijft vervullen in de afwikkeling van het oost/west verkeer en west/oost verkeer. De N377 wordt daarvoor duurzaam veiliger ingericht, met behoud van hetzelfde snelheidsregime.

Algemene en formele aspecten

15. [appellant sub 4] en Resort De Arendshorst voeren aan dat in de zienswijzenota niet concreet op de zienswijzen van indieners wordt ingegaan. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] betogen dat in de zienswijzenota ten onrechte niet is ingegaan op hun zienswijze betreffende een onteigeningstitel ten behoeve van de verlegging van de Bossteeg. [appellant sub 6] betoogt dat onvoldoende is ingegaan op zijn zienswijze betreffende de doorsnijding van de ecologische hoofdstructuur.

Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat provinciale staten de zienswijzen samengevat weergeven. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan en/of op sommige punten wordt verwezen naar de Structuurvisie en eerdere reactienota’s, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten van [appellant sub 4], Resort De Arendshorst, [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] en [appellant sub 6] niet in de overwegingen zijn betrokken.

16. Voor zover een aantal appellanten, waaronder [appellant sub 15] en [appellant sub 14B], in hun beroepschrift heeft verwezen naar de inhoud van hun zienswijze, overweegt de Afdeling dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op de zienswijzen. Appellanten hebben geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van hun zienswijzen in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Ecologische hoofdstructuur

17. [appellant sub 4], Resort De Arendshorst, en [appellant sub 13] voeren aan dat het Combinatiealternatief leidt tot een aantasting van de ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS). [appellant sub 13] wijst er in dit verband op dat niet wordt voldaan aan de voorwaarde uit de Omgevingsverordening Overijssel dat er geen reële alternatieven aanwezig zijn. Het noordelijke tracé, het zogenoemde alternatief Lange Omleiding, kent immers nagenoeg geen schadelijke effecten voor de EHS, zodat dit een reëel alternatief betreft. [appellant sub 4] en Resort De Arendshorst voeren aan dat geen sprake is van een groot openbaar belang dat aantasting van de EHS rechtvaardigt. [appellant sub 4] en Resort De Arendshorst voeren verder aan dat onvoldoende is verzekerd dat de compensatie daadwerkelijk wordt gerealiseerd nu ten tijde van de vaststelling van het inpassingsplan niet duidelijk was wanneer de algemene herijking en herbegrenzing van de EHS zouden plaatsvinden.

17.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat in de huidige situatie de N340 ook een doorsnijding van en een barrière in de EHS vormt, zonder dat faunavoorzieningen aanwezig zijn. De barrièrewerking van de nieuwe weg zou zonder voorzieningen groter worden, maar juist daarom is een groot aantal faunavoorzieningen in het plan opgenomen. Het profiel van de nieuwe weg is ter plekke van de EHS bovendien smal gehouden om een aantasting zoveel mogelijk te beperken.

17.2. In de Omgevingsverordening Overijssel is de EHS als zodanig aangewezen.

Ingevolge artikel 2.7.2, eerste lid, van de Omgevingsverordening Overijssel wordt het werkingsgebied van titel 2.7 begrensd door de geometrische plaatsbepaling van de EHS op de kaart EHS, Overige natuur en Nationale Landschappen nr. 09295050.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, sub i, kan het college van gedeputeerde staten bij besluit de begrenzing van het werkingsgebied bedoeld in het eerste lid wijzigen ten behoeve van de uitvoering van aanpassing van de EHS uit ecologische en sociaaleconomische overwegingen.

17.3. Bij besluit van 11 januari 2011 heeft het college van gedeputeerde staten overeenkomstig de Omgevingsverordening Overijssel besloten dat de plangrens van het inpassingsplan de nieuwe EHS-grens wordt bij de vaststelling van het inpassingsplan. Als het inpassingsplan niet wordt vastgesteld, blijft de huidige EHS-grens van kracht. Natuurwaarden die verloren gaan moeten worden gecompenseerd overeenkomstig het provinciaal compensatiebeleid, aldus het besluit van het college van gedeputeerde staten.

17.4. In zijn vergadering van 5 juni 2012 heeft het college van gedeputeerde staten besloten het inpassingsplan voor besluitvorming naar provinciale staten te sturen. Het Compensatieplan is als bijlage bij het inpassingsplan gevoegd.

17.5. In het Compensatieplan staat dat op grond van artikel 2.7.2, derde lid, aanhef en onder a, sub i, van de Omgevingsverordening Overijssel het college van gedeputeerde staten heeft besloten de begrenzing van het werkingsgebied van de EHS aan te passen ten behoeve van de uitvoering van aanpassing van de EHS uit ecologische en sociaaleconomische overwegingen. De grens van de nieuwe weg wordt de nieuwe grens van de EHS.

17.6. De Afdeling vat de betogen van [appellant sub 13], [appellant sub 4] en Resort De Arendshorst in dit geval op als mede gericht tegen de begrenzing van de EHS in de Omgevingsverordening Overijssel. In deze verordening zijn algemene regels opgenomen wat betreft planologische besluiten die betrekking hebben op de EHS.

Aan een algemeen verbindend voorschrift, zoals hier aan de orde, kan verbindende kracht worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.

17.7. Wat betreft het betoog van [appellant sub 4] en Resort De Arendshorst dat provinciale staten ten onrechte de bevoegdheid tot herbegrenzing van de EHS aan het college van gedeputeerde staten hebben gedelegeerd, overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 143, eerste lid, van de Provinciewet provinciale staten de bevoegdheid tot het vaststellen van provinciale verordeningen krachtens de wet aan het college van gedeputeerde staten kunnen toekennen. Artikel 152, eerste lid, van de Provinciewet betreft een wet in deze zin en bepaalt dat provinciale staten aan het college van gedeputeerde staten bevoegdheden kunnen overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de aard van de bevoegdheid tot herbegrenzing van de EHS zich verzet tegen delegatie aan het college van gedeputeerde staten, zoals neergelegd in artikel 2.7.2, derde lid, aanhef en onder a, sub i, van de Omgevingsverordening Overijssel. Evenmin ziet de Afdeling grond voor het oordeel dat de artikelen 2.10.2 en 2.10.5 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening zich hiertegen verzetten, reeds omdat deze artikelen pas na de datum van herbegrenzing van de EHS door het college van gedeputeerde staten, in werking zijn getreden.

17.8. De begrenzing van de EHS is gewijzigd vanwege de met het inpassingsplan mogelijk gemaakte opwaardering van de N340. In het Compensatieplan staat dat met de opwaardering van de N340 de sociaaleconomische omstandigheden zullen worden verbeterd. De N340 tussen Zwolle en Ommen vormt de primaire verbinding tussen Noordoost-Overijssel en de A28 en is in de Omgevingsvisie Overijssel aangewezen als hoofdinfrastructuur met het daarbij behorende ontwikkelingsperspectief. Voorts worden de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied door een zorgvuldige inpassing van de weg en mitigerende maatregelen, waaronder een ecoduct en andere faunavoorzieningen, niet aangetast. De aantasting die wel plaatsvindt, wordt gecompenseerd, aldus het Compensatieplan. Voorts zijn de compensatiemogelijkheden uitgewerkt in het zogenoemde scenario "Samenhang" waarin de nadruk ligt op het vergroten van de samenhang van de EHS. Tussen twee gebieden die momenteel nog niet of slechts matig met elkaar verbonden zijn, wordt de verbinding versterkt. Door het vergroten van de samenhang tussen verschillende onderdelen van de EHS wordt de robuustheid van de EHS als geheel vergroot, aldus het Compensatieplan. In hetgeen [appellant sub 13], [appellant sub 4] en Resort De Arendshorst hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de begrenzing van de EHS in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift of in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel, zodat de betogen falen. Hierbij betrekt de Afdeling dat artikel 2.7.2, derde lid, aanhef en onder a, sub i, van de Omgevingsverordening Overijssel niet de eisen stelt dat sprake is van een groot openbaar belang en reële alternatieven ontbreken.

17.9. Gelet op de genoemde begrenzing van de EHS, wordt met het inpassingsplan geen weg mogelijk gemaakt binnen de EHS. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met de Omgevingsverordening Overijssel.

17.10. Wat betreft het standpunt van [appellant sub 13] dat het provinciebestuur rechter is in eigen zaak, omdat het provinciebestuur niet alleen de te beschermen waarden en begrenzing van de EHS regelt maar ook beslist over de opwaardering van de N340 die leidt tot een aantasting van de EHS, overweegt de Afdeling dat geen rechtsregel zich hiertegen verzet.

Tracékeuze

18. De Afdeling stelt voorop dat de vaststelling van een besluit voor een infrastructureel project als het onderhavige een belangenafweging vergt, waarbij politieke en bestuurlijke inzichten een belangrijke rol spelen. De rechter heeft niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. Hij kan slechts concluderen dat de door het bestuursorgaan te maken belangenafweging in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb wanneer de betrokken belangen zodanig onevenwichtig zijn afgewogen, dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

19. [appellant sub 4], Resort De Arendshorst, [appellant sub 12], [appellant sub 6] en [appellant sub 13] voeren aan dat niet voor het Combinatiealternatief had moeten worden gekozen maar voor het alternatief Lange Omleiding. Dit alternatief scoort volgens hen beter op de aspecten doorstroming, leefbaarheid, gebiedsontwikkelingskansen, maatschappelijk draagvlak, investeringskosten en aantal te amoveren woningen. Daarnaast wordt erop gewezen dat het alternatief Lange Omleiding geografisch gezien meer voor de hand ligt, dat dit alternatief in een gebied met slechts geringe landschappelijke waarden is voorzien en dat bij dit alternatief de twee scholen in Ankum en Oudleusen worden ontzien. Wat betreft het maatschappelijk draagvlak wordt erop gewezen dat dit veel lager is voor het Combinatiealternatief dan voor het alternatief Lange Omleiding, reeds omdat er door het Combinatiealternatief veel meer mensen rechtstreeks worden getroffen. Volgens [appellant sub 4] en Resort De Arendshorst is de conclusie dat het Combinatiealternatief voldoende beantwoordt aan de gestelde doelstellingen en ruimtelijk verantwoord inpasbaar is voorts een onvoldoende motivering van de keuze voor dit alternatief. [appellant sub 12] stelt verder dat provinciale staten voor het in zijn opdracht opgestelde alternatief hadden moeten kiezen.

19.1. Provinciale staten stellen zich, onder verwijzing naar de Structuurvisie, op het standpunt dat zij in redelijkheid voor het Combinatiealternatief hebben kunnen kiezen. In dit verband wijzen zij er op dat het Combinatiealternatief beter aansluit bij het beleid uit de Omgevingsvisie Overijssel en de Omgevingsverordening Overijssel dan het alternatief Lange Omleiding. Bovendien doorsnijdt het Combinatiealternatief, anders dan het alternatief Lange Omleiding, niet het Grondwaterbeschermingsgebied Witharen.

19.2. In de plantoelichting staat dat provinciale staten bij de opstelling van het inpassingsplan handelen volgens de principes van de SER-ladder en van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, zoals onder meer verwoord in de Omgevingsvisie Overijssel en de Omgevingsverordening Overijssel. Dit komt er kort gezegd op neer dat, voordat er extra ruimtebeslag in de groene ruimte kan worden toegestaan, eerst bekeken moet worden of er geen bestaande bebouwing dan wel infrastructuur kan worden benut of door herstructurering geschikt kan worden gemaakt. In principe zullen dus geen nieuwe grootschalige uitbreidingen in de groene ruimte worden gerealiseerd, tenzij binnen het bestaand bebouwd gebied dan wel bestaande infrastructuur in de groene omgeving geen ruimte gevonden kan worden. De opwaardering van de N340/N48 kan niet binnen het bestaande wegprofiel worden gerealiseerd. Gebruik van delen van de groene ruimte voor opwaardering van de provinciale weg is dan ook noodzakelijk. Handelen in de geest van de SER-ladder en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik kan echter worden bevorderd door zo veel mogelijk gebruik te maken van het bestaande tracé van de N340/N48, aldus de plantoelichting.

19.3. In de Structuurvisie zijn het Combinatiealternatief en het alternatief Lange Omleiding met elkaar vergeleken.

Wat betreft het Combinatiealternatief worden de volgende positieve effecten genoemd:

- het scoort beter op de deelaspecten Landbouw, Natuurlijk milieu, waaronder wordt verstaan natuur, bodem en water, Landschap en Cultuurhistorie en Archeologie;

- het past - in tegenstelling tot het alternatief Lange Omleiding - in het grondwaterbeschermingsbeleid omdat zowel het grondwaterbeschermingsgebied Vechterweerd als het grondwaterbeschermingsgebied Witharen (nagenoeg) worden vermeden;

- er blijven - in tegenstelling tot het alternatief Lange Omleiding - ongestoorde gebiedsontwikkelingskansen bestaan voor het noordelijk gebied;

- het sluit - in tegenstelling tot het alternatief Lange Omleiding - aan op toepassing van de SER-ladder en het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik overeenkomstig de Omgevingsvisie Overijssel. Een geheel nieuwe doorsnijding wordt voorkomen en het contrast tussen het luwe noordelijke gebied en het huidige relatief meer dynamische gebied langs de bestaande N340 wordt gehandhaafd, en

- het is - in tegenstelling tot het alternatief Lange Omleiding - mogelijk te faseren en tussentijdse herijking van maatregelen is mogelijk.

Wat betreft het alternatief Lange Omleiding worden de volgende positieve effecten genoemd:

- het scoort beter op de aspecten Verkeer en vervoer en veiligheid;

- het scoort beter op het aspect Woon- en leefmilieu. Voorts dienen er twee woningen geamoveerd te worden terwijl bij het Combinatiealternatief dertien woningen geamoveerd moeten worden;

- er ontstaan - in tegenstelling tot het Combinatiealternatief - gebiedsontwikkelingskansen langs de huidige af te waarderen N340, en

- de N377 kan afgewaardeerd worden tot een gebiedsontsluitingsweg waarvoor een snelheid van 80 km/uur kan gaan gelden.

Verder staat in de Structuurvisie dat de kosten van beide alternatieven vergelijkbaar zijn en dat beide alternatieven een positieve baten-kosten verhouding kennen en de regionale economie ondersteunen. Voorts staat hierin dat het Combinatiealternatief bestuurlijk draagvlak kent bij de gemeenten Dalfsen en Ommen en maatschappelijk draagvlak bij bewoners van het noordelijk gebied. Het Combinatiealternatief kent daarentegen geen bestuurlijk draagvlak bij de gemeenten Zwolle en Hardenberg en geen maatschappelijk draagvlak bij direct omwonenden van de N340 en langs de N377, met name ter hoogte van de Balkbrug. Voor het alternatief Lange Omleiding is dit precies andersom.

19.4. In de zienswijzenota staat dat de kosten van het Combinatiealternatief door sommige indieners van zienswijzen ten onrechte veel hoger worden ingeschat dan die van het alternatief Lange Omleiding. In 2009 zijn het Combinatiealternatief en het alternatief Lange Omleiding met elkaar vergeleken, maar daarbij zijn volgens de zienswijzenota enkele kostenposten buiten beschouwing gelaten en bovendien was sprake van nog niet uitgewerkte alternatieven.

Het Combinatiealternatief is inmiddels verder uitgewerkt en de kostenraming is opnieuw geactualiseerd. De raming wordt daarbij steeds aangepast op het actuele prijspeil in verband met de inflatie. De actuele kostenraming van het Combinatiealternatief kan niet afgezet worden tegen de kostenraming van het niet uitgewerkte alternatief Lange Omleiding met prijspeil 2009. In de actuele kostenraming voor de N340/N48 zijn bijvoorbeeld ook de ervaringen in 2011 met de passieve grondverwerving verwerkt en dit leidt tot een hogere kostenraming voor de grondverwerving, onder andere door hogere eenheidsprijzen per hectare. Dat zou bij het alternatief Lange Omleiding ook haar uitwerking hebben gehad in de kostenraming, aldus de zienswijzenota.

19.5. Het betoog van [appellant sub 4] dat de noordelijke variant ten onrechte is aangeduid als het alternatief Lange Omleiding, nu dit alternatief een korter tracé kent dan het Combinatiealternatief, faalt. Hieromtrent overweegt de Afdeling dat de betiteling van de verschillende alternatieven als zodanig niet is gebonden aan regels. Het staat provinciale staten dan ook vrij een alternatief dat een korter tracé kent - nog los van de vraag of dit daadwerkelijk het geval is - aan te duiden als het alternatief Lange Omleiding, al is dit wellicht minder logisch. In het kader van een zorgvuldige voorbereiding dienen provinciale staten de inhoudelijke verschillen tussen de alternatieven af te wegen, ongeacht de aan die alternatieven toegekende benamingen.

19.6. Het door [appellant sub 12] voorgestelde alternatieve tracé betreft de doortrekking van de N36 vanaf Arriërveld rechtsreeks naar de A28 bij Zwolle via het noordelijke tracé. Hij ziet dit als een oplossing voor zowel het verkeer tussen oost en west Overijssel, als het verkeer van Twente naar Zwolle - in plaats van de N35 - en Noord-Nederland. Dit noemt hij het ‘Totaal verkeersplan’. In de zienswijzenota staat hieromtrent het volgende. In de Omgevingsvisie Overijssel hebben provinciale staten de hoofdinfrastructuur voor Overijssel opgenomen. De verbinding van Twente naar Zwolle gaat volgens die hoofdinfrastructuur via de op te waarderen N35. In dat kader heeft de provincie gekozen voor een ‘marsroute’ om deze weg gefaseerd op te waarderen naar een regionale stroomweg met 2x2 rijstroken. Uit het verkeersmodel voor de N340/N48 blijkt dat er via de N35 andere verkeersrelaties worden bediend dan via de N340/N48 en dat de verschillende N340 tracéalternatieven zoals onderzocht in het MER niet of nauwelijks invloed hebben op de verkeerstromen tussen Zwolle en Twente. De N35 heeft een zelfstandige functie in de hoofdinfrastructuur die niet kan worden overgenomen door een doorgetrokken N36 vanaf Arriërveld naar Zwolle. [appellant sub 12] heeft in zijn beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom deze reactie van provinciale staten op het door hem voorgestelde alternatief onjuist zou zijn dan wel waarom desondanks voor zijn alternatief gekozen had moeten te worden.

19.7. Voorop staat dat aan provinciale staten beleidsvrijheid toekomt bij de keuze voor een alternatief. In hetgeen is aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid hebben kunnen kiezen voor het Combinatiealternatief en daarbij doorslaggevend gewicht hebben kunnen toekennen aan het feit dat dit alternatief in tegenstelling tot het alternatief Lange Omleiding, in overeenstemming is met de SER-ladder en aansluit bij het principe van zuinig ruimtegebruik waarbij eerst herbenutting of uitbreiding van bestaande infrastructuur aan de orde is. Dat het alternatief Lange Omleiding beter scoort op de aspecten Verkeer en vervoer en veiligheid alsmede Woon- en leefmilieu en mogelijk een groter maatschappelijk draagvlak kent, geeft geen grond voor een ander oordeel omdat het Combinatiealternatief - zoals blijkt uit overweging 19.3 - op andere aspecten beter scoort. Voorts volgt uit overweging 19.3 dat beide alternatieven gebiedsontwikkelingskansen kennen. Wat betreft het standpunt dat het alternatief Lange Omleiding lagere kosten kent, overweegt de Afdeling dat in de zienswijzenota is toegelicht waarom dit standpunt onjuist is en dat [appellant sub 4], Resort De Arendshorst, [appellant sub 12], [appellant sub 6] en [appellant sub 13] hetgeen is vermeld in de zienswijzenota niet hebben weersproken. Bij voornoemd oordeel is verder van belang dat [appellant sub 4], Resort De Arendshorst, [appellant sub 12], [appellant sub 6] en [appellant sub 13] niet aannemelijk hebben gemaakt dat de conclusies uit de Structuurvisie wat betreft de positieve en negatieve aspecten van het Combinatiealternatief en het alternatief Lange Omleiding, in het bijzonder wat betreft het aspect Landschap, onjuist zijn. [appellant sub 12] en [appellant sub 6] hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat het alternatief Lange Omleiding waarbij een geheel nieuwe weg zal worden aangelegd - mede gelet op de omstandigheid dat het Combinatiealternatief een opwaardering van de bestaande N340/N48 inhoudt - geografisch gezien meer voor de hand ligt.

Het beroep van [appellant sub 9]

20. [appellant sub 9] voert aan dat zij beschikt over vergunningen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) en dat de voorziene lus aan de noordzijde bij de afrit A28 de uitbreidingsplannen frustreert. Bovendien is ten behoeve van deze lus ongeveer 4 ha van het huisperceel van [appellant sub 9] benodigd als gevolg waarvan de continuïteit van het bedrijf in het gedrang komt. In het bijzonder wijst [appellant sub 9] erop dat sprake is van weidegang en dat het kleinere huisperceel te klein is voor alle melkkoeien. Voorts wijst [appellant sub 9] er op dat zij weliswaar gronden aan de overzijde van De Doornweg heeft maar dat deze niet bruikbaar zijn voor de beweiding van de melkkoeien nu deze zelfstandig naar de melkrobots moeten kunnen lopen.

20.1. Provinciale staten stellen zich onder verwijzing naar de notitie "Melkkoeien beweiden of permanent opstallen" op het standpunt dat bij hantering van het zogenoemde rantsoensysteem Klei aan 7,9085 ha voldoende heeft ten behoeve van het beweiden van 130 melkkoeien. Voorts stellen provinciale staten zich op het standpunt dat de beperkingen die [appellant sub 9] zal ondervinden als gevolg van de voorziene lus, aanvaardbaar zijn.

20.2. [appellant sub 9] oefent een melkveebedrijf uit aan [locatie sub 9] in Zwolle. In het deskundigenbericht staat dat de melkkoeien worden geweid op het huisperceel ten zuiden van De Doornweg en dat sprake is van substantiële beweiding. Ter plaatse zijn twee melkrobots aanwezig waar de koeien zelfstandig naartoe lopen. Gemiddeld zijn er 2,8 melkingen per koe per dag. Voorts heeft [appellant sub 9] ten noorden van De Doornweg gronden in eigendom ten behoeve van de productie van kuilgras, aldus het deskundigenbericht.

20.3. Op het zuidwestelijke deel van het huisperceel is de aansluiting van de N340 op de A28 voorzien, ten behoeve waarvan 4 ha van het huisperceel is benodigd. Tussen partijen is niet in geschil dat het huisperceel thans bestaat uit 11,9085 ha cultuurgrond en dat derhalve na realisering van het inpassingsplan 7,9085 ha zal resteren.

20.4. Voorop staat dat de plannen van [appellant sub 9] om 200 dan wel 220 melkkoeien te houden onvoldoende concreet zijn, zodat provinciale staten hiervan niet behoefden uit te gaan bij de vaststelling van het inpassingsplan. Hierbij betrekt de Afdeling dat [appellant sub 9] weliswaar een vergunning op grond van de Nbw 1998 heeft voor het houden van 220 melkkoeien, maar dat zij niet de benodigde omgevingsvergunning voor het houden van 220 melkkoeien heeft en evenmin een melding op grond van het Besluit landbouw milieubeheer heeft gedaan voor het houden van 200 melkkoeien. Voorts is van belang dat [appellant sub 9] ter zitting heeft aangegeven dat haar stal ruimte biedt voor 180 tot 190 melkkoeien en dat het krap zou worden indien zij 220 melkkoeien zou moeten stallen. Bovendien hebben provinciale staten ter zitting onweersproken gesteld dat bij de door [appellant sub 9] gedane melding op grond van het Besluit landbouw milieubeheer en bij de aangevraagde bouwvergunning een tekening van de stal is gevoegd waarin 178 dierplaatsen zijn ingetekend.

20.5. Vast staat dat [appellant sub 9] een melding heeft gedaan op grond van het Besluit landbouw milieubeheer voor het houden van 170 melkkoeien en een vergunning op grond van de Nbw 1998 heeft voor het houden van 220 melkkoeien. Thans houdt [appellant sub 9] 130 melkkoeien en heeft zij stalruimte voor 180 tot 190 melkkoeien. Ter zitting is gebleken dat [appellant sub 9] nooit meer dan 130 melkkoeien heeft gehouden omdat zij wordt beperkt door het thans geldende melkquotum. Voorts is van belang dat het melkquotum in 2015 zal worden afgeschaft. Zonder nadere melding of vergunning kan [appellant sub 9] na afschaffing van het melkquotum derhalve 170 melkkoeien gaan houden. Niet in geschil is dat het resterende huisperceel van 7,9085 ha cultuurgrond onvoldoende groot is voor het houden van 170 melkkoeien indien wordt uitgegaan van de productie van weidemelk. Een deel van de melkkoeien zal in dat geval op de gronden van [appellant sub 9] aan de overzijde van De Doornweg geweid moeten worden. Provinciale staten hebben in dit verband ter zitting aangegeven dat het aanbod om een veetunnel aan te leggen onder deze weg door nog altijd geldt en [appellant sub 9] heeft in zijn reactie op het deskundigenbericht aangegeven dat hij een veetunnel een serieuze optie vindt. Gelet hierop hebben provinciale staten naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid de beperkingen die [appellant sub 9] zal ondervinden in haar bedrijfsvoering aanvaardbaar kunnen achten. In dit verband is voorts van belang dat de melkkoeien die aan de overzijde van De Doornweg geweid zullen worden weliswaar een grotere afstand moeten afleggen naar de stallen en naar de melkrobots en [appellant sub 9] onweersproken heeft gesteld dat het dagelijks afleggen van een grote afstand de melkproductie negatief beïnvloedt, maar dat dit alleen zal gelden voor het aantal van 40 extra melkkoeien dat [appellant sub 9] vanaf 2015 zal kunnen gaan houden. Hiertoe is van belang dat provinciale staten ter zitting hebben gesteld dat een huisperceel van 7,9085 ha voldoende groot is voor het weiden van 130 melkkoeien indien wordt uitgegaan van de productie van weidemelk. [appellant sub 9] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt, nu zij ter zitting heeft aangegeven dat het huidige huisperceel - dat bestaat uit 11,9085 ha cultuurgrond - net wel dan wel net niet voldoende groot zou zijn voor 220 melkkoeien indien wordt uitgegaan van de productie van weidemelk. Bij voornoemd oordeel is verder van belang dat [appellant sub 9] in het kader van de minnelijke verwerving dan wel onteigening van een deel van haar huisperceel schadevergoeding zal ontvangen. In het bijzonder is van belang dat provinciale staten ter zitting hebben aangegeven dat in geval van schade die zou ontstaan doordat de melk niet langer als weidemelk maar als reguliere melk zou moeten worden verkocht, een verzoek om planschadevergoeding kan worden gedaan.

21. [appellant sub 9] voert verder aan dat het woon- en leefklimaat in de woning aan [locatie sub 9], waarin de maten wonen, zal worden aangetast. In het bijzonder wijst zij op geluidhinder en lichthinder als gevolg van koplampen die in de woning en bijbehorende tuin zullen schijnen. De geluidsbelasting ter plaatse is bovendien al aanzienlijk vanwege de aanwezige rijksweg A28. De verkeersintensiteiten zullen ter plaatse extra toenemen gelet op de in aanbouw zijnde vestiging van Van der Valk en de voorziene vestiging van IKEA in de omgeving, aldus [appellant sub 9].

21.1. Provinciale staten achten de geluidsbelasting ter plaatse van de woning aanvaardbaar. Voorts is het volgens provinciale staten onwaarschijnlijk dat in en nabij de woning van [appellant sub 9] lichthinder zal ontstaan.

21.2. In het deskundigenbericht staat dat de afstand van de woning aan [locatie sub 9] tot de afrit van de A28 als gevolg van het plan zal afnemen van 550 m tot ruim 300 m. De afstand van de woning tot de A28 wijzigt niet en blijft ruim 90 m. Voorts staat in het deskundigenbericht dat hoewel de toename van de geluidsbelasting met 1,45 dB geen positieve bijdrage levert aan het woon- en leefklimaat ter plaatse, het woon- en leefklimaat vooral wordt gedomineerd door de nabije ligging van de A28, welke situatie met het onderhavige inpassingsplan niet wijzigt.

21.3. Het betoog van [appellant sub 9] dat zijn belang ondergeschikt wordt gemaakt aan de belangen van Van der Valk faalt nu uit de zienswijzenota blijkt dat met de belangen van beide ondernemingen rekening is gehouden.

21.4. In de zienswijzenota staat dat het ontstaan van lichthinder ter plaatse van de woning van [appellant sub 9] onwaarschijnlijk is. In dit verband is vermeld dat de weg in een helling ligt van laag naar hoog, waardoor koplampen meer omhoog stralen. Verder wordt een voertuigkering geplaatst waardoor lichtbundels worden gebroken. Daarnaast is de woning van [appellant sub 9] georiënteerd op de noord- en oostzijde van de verkeerslus en ligt deze op een afstand van ruim 300 m. Tussen de woning en de bocht bevindt zich bovendien nog een grote schuur. Licht van voertuigen op het perceel is niet uit te sluiten, maar gezien de oriëntatie van de woning en de afstand is direct aanlichten en daarmee ernstige lichthinder niet waarschijnlijk. Verder zal bij de woning van [appellant sub 9] de nieuwe lus niet tot beperkt zichtbaar zijn, aldus de zienswijzenota. [appellant sub 9] heeft hetgeen in de zienswijzenota staat niet gemotiveerd weersproken. Gelet hierop heeft [appellant sub 9] niet aannemelijk gemaakt dat in de woning en bijbehorende tuin meer dan beperkte lichthinder zal ontstaan.

21.5. In het akoestisch onderzoek staat dat de verkeersgegevens zijn gebruikt uit het rapport "MER N340 Technische rapportage Verkeersmodel Zwolle-Hardenberg" van Goudappel Coffeng van 4 februari 2009. In dat rapport is in de autonome ontwikkeling rekening gehouden met de verkeersaantrekkende werking van IKEA en Van der Valk. [appellant sub 9] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verhoging van het voorziene gebouw van Van der Valk een dusdanig hogere verkeersintensiteit tot gevolg heeft dat niet langer mocht worden uitgegaan van de verkeersgegevens die zijn gebruikt in het rapport "MER N340 Technische rapportage Verkeersmodel Zwolle-Hardenberg" van Goudappel Coffeng van 4 februari 2009.

Volgens het akoestisch onderzoek zal in 2014 de geluidsbelasting op de woning aan de [locatie sub 9] 58,98 dB bedragen. Na realisering van de N340 en de daarmee samenhangende wijziging van de afrit van de rijksweg A28 zal de geluidsbelasting ter plaatse van de woning 60,43 dB bedragen. Als gevolg van het inpassingsplan neemt de geluidsbelasting derhalve toe. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten deze toename aanvaardbaar kunnen achten. Hierbij betrekt de Afdeling dat in het deskundigenbericht staat dat de toename weliswaar geen positieve bijdrage levert aan het woon- en leefklimaat ter plaatse, maar dat het woon- en leefklimaat vooral wordt gedomineerd door de ligging van de woning op een afstand van 90 m van de rijksweg A28, welke situatie met het onderhavige inpassingsplan niet wijzigt. Voorts is van belang dat met het inpassingsplan een oplossing wordt geboden voor het geconstateerde probleem dat de huidige inrichting en vormgeving van de N340/N48 niet duurzaam veilig is en een verdere verkeersgroei zonder aanpassingen niet verantwoord kan opvangen. Bovendien komt zonder maatregelen de bereikbaarheid van de kernen en economische centra langs de N340/N48 onder druk te staan, zullen de verkeersonveiligheid en geluidhinder toenemen en zal de luchtkwaliteit verslechteren.

22. [appellant sub 9] betwijfelt voorts of rekening is gehouden met de cumulatieve effecten van de emissie van de A28, de verkeershinder aan de noordzijde, de aanzuigende werking van Van der Valk en IKEA en de aanwezigheid van haar melkveehouderij op het Natura 2000-gebied "Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht". In de zienswijzenota staat dat in het rapport "Passende beoordeling Natura 2000 en Natuurmonumenten N340 Zwolle - Ommen" van Arcadis van 1 september 2010 de effecten van het wegontwerp van het inpassingsplan, inclusief de lus aan de westzijde van de A28, zijn beoordeeld. Tevens is in deze passende beoordeling rekening gehouden met de extra verkeersbewegingen als gevolg van de vestigingen van Van der Valk en IKEA, aldus de zienswijzenota. In het verweerschrift hebben provinciale staten toegelicht dat eveneens rekening is gehouden met de door [appellant sub 9] gewenste uitbreiding. [appellant sub 9] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan getwijfeld dient te worden aan de juistheid van deze standpunten.

Het beroep van Van der Valk

23. Van der Valk voert aan dat provinciale staten hadden moeten ingrijpen tijdens de bestemmingsplanprocedure "Hotel Van der Valk te Zwolle". Nu zij dit hebben nagelaten en vervolgens een inpassingsplan hebben vastgesteld dat de plannen van Van der Valk frustreert, is onvoldoende rekening gehouden met de belangen van Van der Valk. Bovendien hebben provinciale staten door in het kader van het voorontwerpbestemmingsplan op de aanpassing van het kruispunt N340/A28 te wijzen, maar vervolgens geen zienswijze naar voren te brengen en evenmin een reactieve aanwijzing te geven, het vertrouwen gewekt dat het bestemmingsplan de aanpassing van het kruispunt N340/A28 niet zou frustreren. Ook aan de zijde van het gemeentebestuur van Zwolle is sprake van gewekt vertrouwen. Verder wijst Van der Valk erop dat aan het bestemmingsplan onder meer het uitgangspunt ten grondslag ligt dat het open karakter en zichtlijnen behouden dienen te blijven en dat in dat kader onder meer een bouwregel is opgenomen die ziet op de realisering van een onderdoorgang van 6 m hoog. Hieraan zijn voor haar aanzienlijke kosten verbonden terwijl dit vereiste niet gesteld zou zijn indien het gemeentebestuur op de hoogte was van de plannen de aansluiting van de N340 op de A28 via een ongelijkvloerse wegaansluiting te realiseren. Voorts wijst Van der Valk erop dat, anders dan provinciale staten stellen, het parkeerterrein niet zomaar kan worden verplaatst, omdat dat niet past in de bedrijfsfilosofie van Van der Valk dat het parkeren zoveel mogelijk aan de zijde van de hoofdentree plaatsvindt. Bovendien worden hierdoor de plannen voor een trainingsveld, tennisbanen en een Pitch en Puttbaan beperkt.

23.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat zij niet in strijd met het vertrouwensbeginsel hebben gehandeld en dat het inpassingsplan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de bedrijfsvoering van Van der Valk.

23.2. In de Structuurvisie, die op 14 oktober 2009 is vastgesteld, staat dat het Combinatiealternatief - dat in de Structuurvisie wordt aangewezen als het voorkeursalternatief - onder meer een ongelijkvloerse wegaansluiting van de N340 op de Kranenburgweg en de A28 inhoudt. Voorts staat in de Structuurvisie dat een MER zal worden opgesteld waarin verschillende inrichtingsvarianten van het voorkeursalternatief zullen worden uitgewerkt en met elkaar zullen worden vergeleken.

23.3. Het bestemmingsplan "Hotel Van der Valk te Zwolle" is op 26 april 2010 vastgesteld door de raad van de gemeente Zwolle.

In het kader van het overleg op grond van artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening, zoals dat toen luidde, hebben provinciale staten in 2007 in reactie op het voorontwerp van het bestemmingsplan het gemeentebestuur verzocht maximale ruimte te reserveren voor een eventuele toekomstige aanpassing van de aansluiting op de A28 en, gelet hierop, de situering van de parkeeraccommodatie bij het toekomstige hotel kritisch te bezien. Het gemeentebestuur heeft hierop de reactie gegeven dat het bestemmingsplan zodanig wordt aangepast dat de ombouw van de N340 niet juridisch-planologisch wordt gefrustreerd of onmogelijk wordt gemaakt.

23.4. Van der Valk is eigenaar van de gronden langs de rijksweg A28 ter hoogte van de aansluiting van de N340 op de A28. Het hotel wordt thans afgebouwd. De hoofdentree bevindt zich aan de zuidzijde van het gebouw. Ongeveer 34.000 m2 van het perceel van Van der Valk is in het inpassingsplan bestemd als "Verkeer" ten behoeve van de aanleg van de nieuwe oprit van de N340 naar de A28. Ongeveer de helft daarvan was in het bestemmingsplan "Hotel Van der Valk te Zwolle" bestemd als "Horecadoeleinden" ter plaatse waarvan parkeervoorzieningen waren toegestaan. Voorts was ten noordwesten van het hotel een oppervlakte van meer dan 34.000 m2 in het bestemmingsplan bestemd als "Groenvoorzieningen" aan welke gronden bij het inpassingsplan de bestemming "Horeca" is toegekend, zodat ter plaatse thans parkeervoorzieningen zijn toegestaan. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat gelet daarop het inpassingsplan ruim voldoende ruimte biedt om het verlies aan parkeerplaatsen op te vangen. Voorts staat in het deskundigenbericht dat slechts een klein aantal van het totale aantal van 782 benodigde parkeerplaatsen aan de noordwestzijde van het hotel gerealiseerd dient te worden. Volgens het deskundigenbericht is niet uitgesloten dat bezoekers op zeer drukke dagen gebruik zullen moeten maken van deze parkeerplaatsen en derhalve niet aan de voorzijde van het hotel kunnen parkeren.

23.5. Over het betoog van Van der Valk dat de vaststelling van het inpassingsplan in strijd is met de door het gemeentebestuur van Zwolle gewekte verwachtingen, overweegt de Afdeling dat - wat daar verder ook van zij - in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een inpassingsplan berust niet bij het gemeentebestuur van Zwolle maar bij provinciale staten. Gelet hierop heeft Van der Valk geen gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen aan toezeggingen van het gemeentebestuur van Zwolle.

23.6. De Afdeling overweegt verder dat provinciale staten reeds in 2007 het gemeentebestuur van Zwolle hebben gewezen op de toekomstige aanpassing van de N340. Daarnaast is enkele maanden voor de vaststelling van het bestemmingsplan "Hotel Van der Valk te Zwolle" de Structuurvisie vastgesteld, waaruit blijkt dat op dat moment een ongelijkvloerse wegaansluiting van de N340 op de Kranenburgweg en de A28 aan de orde was. Bij de vaststelling van het inpassingsplan hebben provinciale staten bovendien rekening gehouden met de plannen van Van der Valk, door het inpassingsplan niet over het bouwvlak van Van der Valk te situeren. Voorts zijn ter beperking van de schade van Van der Valk de inrichtingsmogelijkheden op het resterende terrein van Van der Valk vergroot door in het inpassingsplan parkeervoorzieningen mogelijk te maken aan de noordwestzijde van het hotel. Deze parkeervoorzieningen liggen weliswaar niet aan de zijde van de hoofdentree, terwijl dit wel een uitgangspunt vormt van het concept van Van der Valk, maar in het deskundigenbericht staat hieromtrent dat deze parkeervoorzieningen alleen op zeer drukke dagen benodigd zijn. Voorts is van belang dat het bestemmingsplan "Hotel Van der Valk te Zwolle" het gewenste trainingsveld, tennisbanen en een Pitch en Putt-baan niet toestaat. Gelet op het vorenstaande wordt in het aangevoerde geen grond gevonden voor het oordeel dat provinciale staten onvoldoende gewicht hebben toegekend aan de belangen van Van der Valk. Hierbij betrekt de Afdeling dat, anders dan Van der Valk veronderstelt, provinciale staten bij de vaststelling van het inpassingsplan verder niet zijn gebonden aan het bestemmingsplan "Hotel Van der Valk te Zwolle" en de uitgangspunten die daaraan ten grondslag zijn gelegd. Aan voornoemd oordeel doet niet af dat een bestemmingsplan met andere bouwregels zou zijn vastgesteld en een ander bouwplan waaraan lagere kosten zijn verbonden, zou zijn ingediend - wat daarvan ook zij - indien provinciale staten duidelijkheid hadden geboden over de plannen voor een ongelijkvloerse kruising ter plaatse reeds omdat zij deze plannen in de Structuurvisie, die dateert van ruim voor de vaststelling van het bestemmingsplan, kenbaar hebben gemaakt. Nu voorts Van der Valk geacht wordt bekend te zijn met het feit dat de definitieve besluitvorming omtrent het kruispunt N340/A28 pas plaatsvindt bij de vaststelling van het inpassingsplan, heeft zij geen gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen aan het uitblijven van een zienswijze en een reactieve aanwijzing van provinciale staten wat betreft het bestemminsplan "Hotel Van der Valk te Zwolle".

23.7. Wat betreft het standpunt van Van der Valk dat de door haar te lijden schade had moeten worden vergoed alvorens het inpassingsplan vast te stellen, overweegt de Afdeling dat er geen wettelijke regeling valt aan te wijzen die hiertoe verplicht en in het aangevoerde evenmin grond wordt gevonden voor het oordeel dat in dit geval het zorgvuldigheidsbeginsel hiertoe noopte.

23.8. Gelet op het vorenstaande wordt in hetgeen Van der Valk heeft aangevoerd geen grond gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het vertrouwensbeginsel en onzorgvuldig is voorbereid, in het bijzonder dat de belangen van Van der Valk onvoldoende in de belangenafweging zijn betrokken.

Het beroep van [appellant sub 8]

24. [appellant sub 8] vreest negatieve gevolgen voor zijn bedrijfsvoering vanwege de als gevolg van het inpassingsplan verslechterde bereikbaarheid van zijn bedrijf.

24.1. Ter hoogte van het perceel van [appellant sub 8] aan de [locatie sub 8] te Dalfsen, waarop zijn woning en hoveniersbedrijf zijn gelegen, wordt de Hessenweg afgewaardeerd tot een erftoegangsweg. De noordelijke parallelweg zal komen te vervallen, terwijl de zuidelijke parallelweg zal worden gewijzigd in een fietspad. Het perceel ligt op ongeveer 1200 m van de aansluiting van de nieuwe N340 op de Hessenweg-Ankummerdijk-Cubbinghesteeg.

24.2. Uit het deskundigenbericht blijkt dat de bereikbaarheid en zichtbaarheid van het bedrijf van [appellant sub 8] als gevolg van het inpassingsplan weliswaar zullen verslechteren ten opzichte van de huidige situatie, waarin het perceel van [appellant sub 8] is gelegen aan de hoofdroute, maar het perceel zal zichtbaar blijven vanaf de Hessenweg en tevens zichtbaar zijn vanaf de N340. Provinciale staten hebben voorts toegezegd dat met [appellant sub 8] in de realisatiefase afspraken zullen worden gemaakt omtrent de bewegwijzering naar het bedrijf, waarmee de verslechterde traceerbaarheid ervan kan worden gecompenseerd. [appellant sub 8] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze verslechtering zal leiden tot een meer dan beperkte afname van het totale aantal bezoekers aan zijn bedrijf. Gezien het vorenstaande wordt in hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd geen grond gevonden voor het oordeel dat het inpassingsplan zal leiden tot een meer dan beperkte aantasting van de bedrijfsvoering als gevolg van de verslechterde bereikbaarheid en zichtbaarheid van het bedrijf.

25. Voor zover [appellant sub 8] voorts vreest voor schaduwwerking vanwege bomen die mogelijk voor zijn woning zullen worden geplant, wordt overwogen dat in de beschrijving van het wegontwerp is aangegeven dat aan beide zijden van de rijbaan in een plasberm is voorzien. De vraag op welke wijze deze bermen zullen worden beplant, betreft echter een uitvoeringsaspect. Uitvoeringsaspecten zijn in deze procedure niet aan de orde. Overigens is ter zitting van de zijde van provinciale staten toegezegd dat de bermen uit veiligheidsoverwegingen obstakelvrij zullen worden ingericht. Er zullen geen bomen worden geplant. Bij de herinrichting van de Hessenweg zullen volgens provinciale staten evenmin bomen worden geplant.

Het beroep van [appellant sub 1A] voor het overige

26. [appellant sub 1A] betoogt dat als gevolg van het inpassingsplan niet langer sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van haar perceel. In dit verband voert zij aan dat provinciale staten ten onrechte geen medewerking willen verlenen aan verplaatsing van haar woning naar de achterzijde van de kassen. Bij verplaatsing van de woning kan van het overgebleven deel van de tuin deels een opstelstrook worden gemaakt voor aanhangers, hetgeen volgens [appellant sub 1A] veiliger is dan wanneer wordt geparkeerd op de parallelweg. Bovendien kunnen vrachtwagens dan draaien op het terrein van [appellant sub 1A]. Ook krijgt het gezin van [appellant sub 1A] bij verplaatsing van de woning meer leefruimte.

Voorts voert [appellant sub 1A] aan dat zij aan de gevelmaatregelen die moeten worden getroffen om te zorgen voor een acceptabel geluidniveau in de woning, niets zal hebben als het gaat om het geluidniveau in de tuin. Verder is volgens [appellant sub 1A] ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat nergens een geluidsluwe gevel is. Evenmin zijn de specifieke medische omstandigheden van [appellant sub 1A] bij de besluitvorming betrokken.

26.1. Provinciale staten hebben naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid geen noodzaak aanwezig hoeven achten om mee te werken aan verplaatsing van de woning van [appellant sub 1A] naar achteren op het perceel. De Afdeling acht in dit verband van belang dat de toename van de geluidbelasting op de woning van [appellant sub 1A] als gevolg van het inpassingsplan slechts 1 dB bedraagt. Verder zullen conform artikel 5.4, eerste lid, onder d, van het Besluit geluidhinder maatregelen worden getroffen aan de gevel van de woning van [appellant sub 1A] indien de geluidbelasting vanwege de weg binnen de woning bij gesloten ramen meer bedraagt dan de toegestane binnenwaarde. Voorts hebben provinciale staten in de belangenafweging expliciet aandacht besteed aan de effecten van geluid, luchtkwaliteit en trillinghinder, waarbij is geconcludeerd dat zich ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1A] geen onaanvaardbare effecten voordoen.

In de omstandigheid dat de tuin als gevolg van het inpassingsplan aanzienlijk wordt verkleind hebben provinciale staten voorts evenmin aanleiding hoeven zien voor medewerking aan verplaatsing van de woning. Hierbij betrekt de Afdeling dat provinciale staten hebben voorgesteld een afscheiding tussen de Parallelweg en de tuin aan te brengen en om gronden ten oosten van [appellant sub 1A] van het waterschap te verwerven en deze te ruilen tegen de gronden van [appellant sub 1A] die nodig zijn voor realisatie van het inpassingsplan. [appellant sub 1A] zou op deze gronden een tuin kunnen realiseren. Verder hebben provinciale staten aangegeven bereid te zijn de getaxeerde planschade aan [appellant sub 1A] te vergoeden.

Ten aanzien van het gestelde omtrent de verkeersveiligheid hebben provinciale staten zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit aspect evenmin noopt tot verplaatsing van de woning, nu in overleg met de provincie als wegbeheerder een extra brede bermverharding op de parallelweg kan worden gerealiseerd indien parkeren door leveranciers op het terrein van [appellant sub 1A] niet mogelijk is. Verder hebben provinciale staten erop gewezen dat kan worden geparkeerd op het begin van de Engelandweg, voor de te realiseren fietssluis. [appellant sub 1A] heeft niet aannemelijk gemaakt dat na realisatie van deze maatregelen nog sprake is van een verkeersonveilige situatie.

Voor zover [appellant sub 1A] betoogt dat geen bescherming wordt geboden tegen geluidhinder in de tuin, wordt overwogen dat het akoestisch klimaat in tuinen op grond van de Wgh slechts indirect wordt gewaarborgd door de ter plaatse van de woning geldende grenswaarden. Provinciale staten hebben de geluidbelasting in de tuin, in aanmerking genomen de geringe toename daarvan, naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid aanvaardbaar kunnen achten.

Het betoog dat niet is onderkend dat de woning van [appellant sub 1A] niet over een geluidsluwe gevel beschikt, kan evenmin slagen. In het gebruikte rekenmodel is een extra rekenpunt ter plaatse van de achtergevel van de woning van [appellant sub 1A] opgenomen. Bovendien is de tuinbouwkas als reflecterend object aan het model toegevoegd. Uit de berekening is gebleken dat de geluidsbelasting ter plaatse van de achtergevel beneden de 48 dB blijft, zodat sprake is van een geluidsluwe zijde bij de woning. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag.

Gezien het vorenstaande wordt in hetgeen [appellant sub 1A] heeft aangevoerd geen grond gezien voor het oordeel dat voor [appellant sub 1A] een goed woon- en leefklimaat na realisatie van het inpassingsplan niet langer kan worden gerealiseerd. De medische situatie van [appellant sub 1A] geeft, gelet op de geringe toename van de geluidbelasting, geen grond voor een ander oordeel.

27. Voor zover [appellant sub 1A] vreest voor het optreden van trillinghinder, wordt overwogen dat niet aannemelijk is dat ontoelaatbare trillinghinder zal ontstaan als gevolg van het inpassingsplan. Hierbij betrekt de Afdeling dat uit het deskundigenbericht volgt dat de afstand tussen de woning van [appellant sub 1A] en de rijlijnen in de toekomstige situatie nog altijd zodanig is dat niet voor ontoelaatbare trillinghinder behoeft te worden gevreesd. Hierbij is toegelicht dat in deze conclusie is meegenomen dat blijkens het verkeersmodel bijna uitsluitend lichte voertuigen gebruik zullen maken van de parallelweg en dat sprake zal zijn van een vlak uitgevoerd, goed onderhouden wegdek.

28. Voorts vreest [appellant sub 1A] voor een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van haar woning. Zij betwijfelt of wordt voldaan aan de geldende normen, omdat de N340 wordt uitgebreid met twee banen, een nieuwe uitvoerweg wordt aangelegd, de weg veel dichter bij de woning komt te liggen en de verkeersintensiteit zal toenemen.

28.1. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer maken bestuursorganen bij de uitoefening van een in het tweede lid bedoelde bevoegdheid of toepassing van een daar bedoeld wettelijk voorschrift, welke uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de volgende gronden en maken daarbij aannemelijk dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde.

28.2. Ingevolge voorschrift 2.1 van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer gelden voor stikstofdioxide (NO2) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 200 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden, en

b. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie.

Ingevolge voorschrift 4.1 van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer gelden voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

29. Ten behoeve van het inpassingsplan is onderzoek verricht naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Planstudie BesluitMER N340/N48" van september 2010 (hierna: het luchtkwaliteitsonderzoek). De berekeningen zijn uitgevoerd voor de huidige situatie met de autonome ontwikkeling, de zogenoemde referentiesituatie, en voor enkele varianten, waaronder het voorkeursalternatief. Daarbij is uiteengezet hoe de berekeningen zijn uitgevoerd, met welke verkeersintensiteiten rekening is gehouden, welke peiljaren zijn gebruikt, met welke emissiecijfers en achtergrondconcentraties is gerekend en van welke emissiefactoren gebruik is gemaakt.

Uit de toetsing voor het peiljaar 2015 met de verkeersgegevens die geprognosticeerd zijn voor 2021 is gebleken dat in geen van de onderzochte situaties de grenswaarde van 40 microgram per m3 voor de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) en de grenswaarde van 40 microgram per m3 voor de jaargemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) wordt overschreden. Verder is berekend dat de een uurgemiddelde concentratie NO2 van 200 microgram per m3 nergens meer dan 18 keer per jaar wordt overschreden en dat een etmaalgemiddelde concentratie van PM10 van 50 microgram per m3 nergens meer dan 35 keer per jaar wordt overschreden. In het luchtkwaliteitsonderzoek is gerekend met de peiljaren 2011 en 2021. In de plantoelichting is vermeld dat daarnaast is berekend of het feit dat het inpassingsplan in 2012 is vastgesteld, als gevolg waarvan andere peiljaren gelden, tot andere conclusies leidt ten aanzien van luchtkwaliteit. De conclusie is dat de conclusies uit het BesluitMER N340/N48 ongewijzigd blijven. Omdat binnen het gedefinieerde onderzoeksgebied geen overschrijdingen van grenswaarden geconstateerd zijn, wordt voldaan aan artikel 5.16, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het luchtkwaliteitsonderzoek op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

In hetgeen [appellant sub 1A] heeft aangevoerd ten aanzien van de vraag of wordt voldaan aan de geldende normen, wordt voorts geen grond gevonden voor het oordeel dat het inpassingsplan zal leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van zijn woning. Uit het deskundigenrapport volgt dat met alle door [appellant sub 1A] genoemde aspecten bij het luchtkwaliteitsonderzoek rekening is gehouden.

De beroepen van [appellant sub 12] en [appellant sub 6] voor een deel

30. [appellant sub 12] en [appellant sub 6] voeren aan dat het inpassingsplan ten onrechte leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van de basisscholen Christelijke Basisschool Sjaloom in Ankum en de Cazemierschool in Oudleusen. Volgens [appellant sub 12] hebben provinciale staten onvoldoende onderzoek gedaan naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit en veiligheid ter plaatse.

30.1. De Christelijke Basisschool Sjaloom staat ten noorden van de N340 aan de Hoevenweg 1 in Ankum. Het schoolgebouw staat op een afstand van 45 m van de rand van de hoofdrijbaan en het speelterrein ligt op een afstand van ongeveer 26 m van de hoofdrijbaan. Het schoolcomplex grenst direct aan de parallelweg langs de N340.

De Cazemierschool staat aan de noordzijde van de N340 aan de G.W. Spiegelstraat 4 in Oudleusen. Het schoolgebouw staat op een afstand van 53 m van de rand van de hoofdrijbaan en het sport- en speelveld ligt op een afstand van ongeveer 21 m van de hoofdrijbaan. Het schoolcomplex grenst direct aan de parallelweg langs de N340.

30.2. Na realisering van het inpassingsplan zal de afstand van de Christelijke Basisschool Sjaloom tot de rand van de hoofdrijbaan worden vergroot van 45 tot 48 m. De afstand van de Cazemierschool tot de rand van de hoofdrijbaan zal worden vergroot van 53 tot 55 m.

30.3. In de enkele stelling van [appellant sub 12] wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de veiligheid ter hoogte van de twee scholen. In dit kader is van belang dat uit het MER blijkt dat bij de beoordeling van de externe veiligheid de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (hierna: de Circulaire risiconormering) tot uitgangspunt is genomen. Op grond van de Circulaire risiconormering dient, kort gezegd, bij een nieuwe situatie - zoals in dit geval - het plaatsgebonden risico bij kwetsbare objecten kleiner te zijn dan 10-6 per jaar en moet het bestuursorgaan verantwoording afleggen bij het nemen van het besluit wanneer het groepsrisico boven de in de Circulaire risiconormering gegeven oriëntatiewaarden ligt of wanneer het groepsrisico toeneemt. In het MER staat dat zich ter hoogte van deeltraject 2 - waarbinnen de Christelijke Basisschool Sjaloom staat - geen plaatsgebonden risico 10-6-contour bevindt. Voorts neemt het groepsrisico af. Het effect van het inpassingsplan is daarom voor deeltraject 2 positief, aldus het MER. In het MER staat voorts dat zich ter hoogte van deeltraject 3 - waarbinnen de Cazemierschool staat - geen plaatsgebonden risico 10-6-contour bevindt en dat het groepsrisico niet verandert. Het effect van het inpassingsplan is daarom voor deeltraject 3 neutraal, aldus het MER.

30.4. In de plantoelichting staat dat ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden die op grond van de Wet milieubeheer gelden voor de concentraties stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10). In de zienswijzenota is toegelicht dat de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) ter hoogte van beide scholen minder dan 20 microgram per m2 bedragen en dat de concentraties zwevende deeltjes (PM10) ter hoogte van beide scholen 20 tot 25 microgram per m2 bedragen. Gelet hierop bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat provinciale staten onvoldoende onderzoek hebben gedaan naar de luchtkwaliteit ter hoogte van de twee scholen. In dit kader is van belang dat - zoals provinciale staten terecht stellen - de wettelijke normen met betrekking tot luchtkwaliteitseisen zoals neergelegd in titel 5.2 van de Wet milieubeheer het toetsingskader vormen bij het nemen van het aan de orde zijnde besluit en dat de gezondheidseffecten van luchtvervuiling daarin zijn verdisconteerd. In de verwijzing van [appellant sub 12] naar de petitie van het Astmafonds van februari 2011 en de reactie daarop van toenmalig staatssecretaris J. Atsma van 28 maart 2011 wordt voorts geen grond gevonden voor een ander oordeel.

Het beroep van [appellant sub 6] voor het overige

31. [appellant sub 6] voert aan dat hij als gevolg van de opwaardering van de N340 een aanzienlijk deel van zijn landbouwgronden moet afstaan en dat dat financiële gevolgen heeft. In dit verband wijst hij er op dat de resterende landbouwgrond te klein wordt voor grote landbouwmachines en ook de oogst te gering wordt. Dit leidt ertoe dat de landbouwgrond moeilijker verhuurd kan worden en hij minder huuropbrengsten zal hebben, welke opbrengsten een deel van zijn pensioen vormen. Daarnaast voert [appellant sub 6] aan dat zijn vakantiewoning aan de [locatie sub 6] in Dalfsen in waarde zal dalen en dat hij vreest voor gezondheidsrisico’s, als gevolg van verkeers-, geluid- en fijnstofhinder. De N340 wordt ter hoogte van zijn vakantiewoning zeer breed terwijl dit op andere delen van het tracé niet het geval is, zodat in zoverre sprake is van rechtsongelijkheid. Voorts wijst [appellant sub 6] erop dat hij onlangs een dassenburcht in zijn bos heeft aangetroffen en dat deze beschermde diersoort zal lijden onder de opwaardering van de N340.

31.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat de gevolgen van het inpassingsplan voor het woon- en leefklimaat in de vakantiewoning aanvaardbaar zijn. Voorts is slechts een klein deel van het perceel nodig voor de opwaardering van de N340 en is de daarmee gepaard gaande waardevermindering volgens provinciale staten aanvaardbaar.

31.2. In het deskundigenbericht staat dat de N340 ter plaatse thans bestaat uit één rijbaan met twee rijstroken en dat ter plaatse een maximum snelheid van 80 km/uur geldt. Voorts kent de N340 ter plaatse parallelwegen.

31.3. Uit de verbeelding blijkt dat voor de N340 ter hoogte van de gronden van [appellant sub 6] dwarsprofiel nummer 2 is voorgeschreven. Dit dwarsprofiel betreft twee gescheiden rijbanen met elk één rijstrook en brede zijbermen. In het MER is dit wegprofiel aangeduid als D-D. Ter plaatse zal een maximumsnelheid van 100 km/uur gaan gelden. De maximum snelheid op de parallelwegen zal 60 km/uur zijn.

Uit de verbeelding blijkt dat voor de N340 ter hoogte van de EHS dwarsprofiel 4 is voorgeschreven. Dit dwarsprofiel kent in plaats van brede zijbermen geleiderails. In het MER is dit wegprofiel aangeduid als E-E.

31.4. [appellant sub 6] is eigenaar van een voormalige boerderij en omliggende gronden aan de [locatie sub 6] in Dalfsen. Deze gronden grenzen aan de N340. [appellant sub 6] verhuurt zijn landbouwgronden voor agrarisch gebruik en de boerderij gebruikt hij als weekend- en vakantiewoning.

31.5. In het deskundigenbericht staat dat de afstand van de vakantiewoning tot de parallelweg thans 72 m bedraagt en na realisering van het inpassingsplan 47,9 m zal bedragen. De afstand tot de N340 is thans 77 m en zal na realisering van het plan 64,65 m zijn.

31.6. In de zienswijzenota staat dat het wegontwerp is gebaseerd op landelijk gehanteerde normen en ontwerprichtlijnen voor regionale stroomwegen. Bij wegen met twee keer twee rijstroken dient er in ieder geval een middenberm te zijn zodat sprake is van gescheiden rijbanen. Bij 100 km/uur wegen met twee rijstroken heeft dat vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid ook de voorkeur. Het provinciebestuur heeft voor de N340/N48 gekozen voor een duurzaam veilig ontwerp met over het gehele tracé een middenberm met barriër. Op twee gedeelten van de N340/N48 is sprake van twee keer twee rijstroken, waarbij een middenberm met barriër noodzakelijk is. De barriër wordt ook toegepast op de overige weggedeelten met twee keer één rijstrook, nu een consistent herkenbaar wegbeeld voor de verkeersveiligheid van groot belang is. Bij deze keuze is tevens meegewogen de te verwachten relatief hoge verkeersintensiteiten op de N340/N48. Verder staat in de zienswijzenota dat een rijbaan idealiter wordt voorzien van obstakelvrije zijbermen in plaats van geleiderails. Dit heeft zowel een verkeersveiligheids- als een onderhoudsreden. Ook vanuit landschappelijk oogpunt heeft een wegprofiel zonder geleiderails in principe de voorkeur. In het rapport "N340/N48 Zwolle - Ommen - Arriërveld, Landschappelijke visie + ontwerp" van september 2010 (hierna: de Landschappelijke visie), staat hieromtrent dat een breed profiel op maaiveld een maximale verweving met het landschap tot gevolg heeft. Bij het ontwerpen van de nieuwe N340 is het brede dwarsprofiel dan ook het uitgangspunt geweest, waarvan slechts met gegronde redenen is afgeweken. Tussen de Maneweg en Varsen gaat de N340 door de EHS, wat een kwetsbaar gebied is. Een breed dwarsprofiel zou op dit gedeelte te veel schade veroorzaken. Daarom is de N340 op dit gedeelte van smalle bermen voorzien. Om toch verkeersveiligheid te bieden zijn de smalle bermen voorzien van een voertuigkering in de vorm van een geleiderail. Langere trajecten die volledig (zowel midden- als zijberm) zijn voorzien van een geleiderail zijn echter niet wenselijk vanwege het monotone wegbeeld en uit een oogpunt van ruimtelijke kwaliteit, aldus de zienswijzenota.

31.7. In de plantoelichting staat dat na ingebruikname van de N340/N48 ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden die op grond van de Wet milieubeheer gelden voor de concentraties stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10).

31.8. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de verkeersintensiteit ter hoogte van de woning van [appellant sub 6] in 2028 in de autonome situatie 18.279 en in de situatie na realisering van het inpassingsplan 25.905 mvt/etmaal bedraagt. Volgens dit onderzoek zal in 2014 de geluidsbelasting op de vakantiewoning 54,91 dB bedragen. Na realisering van N340 zal de geluidsbelasting op de vakantiewoning 55,99 dB bedragen.

31.9. De Afdeling overweegt dat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat een afname van de omvang van de landbouwgronden van [appellant sub 6] als gevolg van de opwaardering van de N340 aanvaardbaar is. Hierbij betrekt de Afdeling dat in het deskundigenbericht staat dat ten behoeve van deze opwaardering ongeveer 0,6 ha van het agrarisch perceel van 3,4 ha groot benodigd is en dat het gezien de oppervlakte en vorm van het resterende agrarisch perceel nog altijd mogelijk is om de gronden met landbouwmachines te bewerken. Gelet hierop heeft [appellant sub 6] niet aannemelijk gemaakt dat de resterende grond moeilijker verhuurbaar zal zijn en hij daarvoor minder huuropbrengsten zal ontvangen. Voorts is van belang dat deze 0,6 ha zal worden verworven via minnelijke verwerving dan wel onteigening, waarbij geldt dat de inkomens- en vermogenspositie voor en na de verwerving dan wel onteigening gelijk moeten zijn.

31.10. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen van het inpassingsplan voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de vakantiewoning aanvaardbaar zijn. Hierbij betrekt de Afdeling dat in de plantoelichting staat dat ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer en dat [appellant sub 6] dit niet heeft bestreden. Voorts is van belang dat de geluidsbelasting minder dan 2 dB toeneemt. Verder bestaat geen grond voor het oordeel dat provinciale staten de toename van de verkeersintensiteiten ter plaatse van de vakantiewoning niet in redelijkheid aanvaardbaar hebben kunnen acht. Bij dit oordeel betrekt de Afdeling verder dat met het inpassingsplan een oplossing wordt geboden voor het geconstateerde probleem dat de huidige inrichting en vormgeving van de N340/N48 niet duurzaam veilig is en een verdere verkeersgroei zonder aanpassingen niet verantwoord kan opvangen.

31.11. Wat betreft het standpunt van [appellant sub 6] dat sprake is van rechtsongelijkheid nu ter hoogte van zijn gronden een breed wegprofiel wordt toegepast terwijl ter hoogte van de EHS een smal wegprofiel wordt toegepast, overweegt de Afdeling als volgt. Voor de EHS geldt op grond van het provinciaal beleid zoals verwoord in de Omgevingsvisie Overijssel en de Omgevingsverordening Overijssel een beschermingsregime. Nu voor deze gronden een beschermingsregime geldt terwijl de gronden van [appellant sub 6] niet als EHS zijn aangewezen, hebben provinciale staten zich terecht op het standpunt gesteld dat de situatie ter hoogte van de gronden van [appellant sub 6] niet overeenkomt met de situatie ter hoogte van de EHS. In zoverre is derhalve geen sprake van rechtsongelijkheid. In hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd wordt voorts geen grond gevonden voor het oordeel dat provinciale staten ter hoogte van zijn vakantiewoning niet in redelijkheid voor een breed wegprofiel hebben kunnen kiezen. In dit verband is van belang dat uit de zienswijzenota en de Landschappelijke visie volgt dat een breed wegprofiel niet alleen uit het oogpunt van verkeersveiligheid de voorkeur verdient maar ook uit het oogpunt van landschappelijke inpassing. Voorts is bij dit oordeel van belang hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de afname van de omvang van de landbouwgronden van [appellant sub 6] en de aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn vakantiewoning.

32. In het enkele standpunt van [appellant sub 6] dat hij in zijn bos een dassenburcht heeft aangetroffen en dat de das zal lijden onder de opwaardering van de N340 wordt voorts geen grond gevonden voor het oordeel dat provinciale staten het inpassingsplan niet in redelijkheid hebben kunnen vaststellen. Hierbij betrekt de Afdeling dat de dassenburcht in het bos van [appellant sub 6] op een afstand van ongeveer 250 m van de N340 ligt en dat ter zitting is gebleken dat deze ter plaatse kan blijven bestaan. Voorts is van belang dat in de zienswijzenota staat dat met het oog op de vele dassenburchten in de gebieden aan beide zijden van de weg, in het wegontwerp faunavoorzieningen zijn opgenomen: pijpen dan wel tunnels onder de weg door en rasters, hetgeen een verbetering oplevert ten opzichte van de huidige situatie. Daarnaast betrekt de Afdeling hierbij dat blijkens de zienswijzenota het Dassenplatform het hele gebied drie keer per jaar op burchtlocaties onderzoekt en dat op grond van de huidige informatie ontheffingverlening van de Flora- en Faunawet volgens de zienswijzenota voorzienbaar is. [appellant sub 6] heeft dit niet weersproken.

Het beroep van [appellant sub 15]

33. [appellant sub 15] acht het onaanvaardbaar dat hij als gevolg van het inpassingsplan 0,48 ha van zijn gronden moet afstaan. De parallelweg komt op zeer korte afstand van zijn woning te liggen, waardoor de leefbaarheid aanzienlijk zal verslechteren.

Voorts vreest [appellant sub 15] voor een toename van de geluidsbelasting door het gebruik van de parallelweg, met name door het relatief hoge percentage zwaar landbouwverkeer dat gebruik maakt van deze weg. Het verbaast [appellant sub 15] dat voor zijn woning geen hogere waarde is vastgesteld.

33.1. Op het gedeelte van het tracé ter hoogte van het perceel van [appellant sub 15], [locatie sub 15] te Dalfsen, wordt in het inpassingsplan voorzien in een opwaardering van het weggedeelte van 1x2 rijstroken naar 2x1 (gescheiden) rijstroken met parallelwegen. De maximumsnelheid op de N340 wordt 100 km/uur. Op de parallelwegen is de maximaal toegestane snelheid 60 km/uur. De ligging van de N340 en de parallelwegen wordt in zuidelijke richting verschoven naar de woning van [appellant sub 15] toe. De afstand van de rand van de parallelweg tot de voorzijde van de woning varieert van ongeveer 9 tot 12 m. De afstand tot de rand van de hoofdrijbaan bedraagt ongeveer 23 tot 26 m. De zuidelijke parallelweg komt deels over het perceel van [appellant sub 15] te liggen. Het betreft een oppervlak van ongeveer 0,48 ha.

33.2. Ingevolge artikel 100, eerste lid, van de Wgh is, behoudens het tweede en derde lid, de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege een te reconstrueren weg, van de gevel van woningen binnen de zone 48 dB.

Ingeval eerder bij of krachtens de Wgh […] een hogere waarde […] is vastgesteld dan 48 dB, en de heersende waarde hoger is dan 48 dB, geldt ingevolge artikel 100, tweede lid, van de Wgh, de laagste van de volgende twee waarden als de ten hoogste toelaatbare:

a. de heersende waarde;

b. de eerder vastgestelde.

Ingeval de weg op 1 januari 2007 aanwezig […] was en niet eerder een hogere waarde […] is vastgesteld dan 48 dB, en de heersende waarde hoger is dan 48 dB, geldt ingevolge artikel 100, derde lid, van de Wgh, als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege de te reconstrueren weg, van de gevel van woningen binnen de zone die op 1 januari 2007 aanwezig, in aanbouw of geprojecteerd was de heersende waarde.

33.3. Voor zover [appellant sub 15] aanvoert dat de leefbaarheid ter plaatse van zijn perceel als gevolg van de zeer geringe afstand van de woning tot de parallelweg zal verslechteren, wordt overwogen dat in het aangevoerde geen grond wordt gevonden voor het oordeel dat provinciale staten de aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 15] als gevolg van het inpassingsplan in redelijkheid niet aanvaardbaar hebben kunnen achten. Hierbij is van belang dat niet aannemelijk is dat de belangen van [appellant sub 15] door provinciale staten onvoldoende zijn onderkend. De Afdeling betrekt hierbij dat de sloot ter plaatse van het perceel van [appellant sub 15] in het wegontwerp wordt onderbroken. Provinciale staten hebben toegelicht voornemens te zijn met een ondergrondse verbinding, een onderduikering, de sloten te koppelen, waarmee wordt beoogd zoveel mogelijk vrije ruimte te houden tussen de woning van [appellant sub 15] en de (parallel)weg. Het wegontwerp wordt zodanig vormgegeven dat minder van de grond die thans in gebruik is als tuin is benodigd dan wanneer de sloot zou worden doorgetrokken. Voor zover het volgens [appellant sub 15] niet duidelijk is op welke manier hij een perceelsafscheiding in de vorm van een groenstrook kan realiseren indien zich in de ondergrond een duiker bevindt, wordt overwogen dat provinciale staten hebben aangegeven dat in het kader van de grondverwerving nader overleg mogelijk is over de exacte inrichting.

33.4. Ten aanzien van de vrees voor geluidhinder als gevolg van het inpassingsplan stelt de Afdeling voorop dat [appellant sub 15] zich niet op het standpunt heeft gesteld dat voor de woning aan [locatie sub 15] te Dalfsen niet van de conclusies in het akoestisch onderzoek kan worden uitgegaan.

Voorts wordt overwogen dat ter plaatse van deze woning in het akoestisch rekenmodel een berekende actuele geluidsbelasting vanwege de N340 is opgenomen van 60,43 dB. Deze waarde dient als grenswaarde. Voor de toekomstige situatie is een geluidsbelasting van 62,03 dB berekend, maar deze zal vanwege de keuze van provinciale staten om op het gehele traject van de N340 tweelaags ZOAB toe te passen, worden gereduceerd tot beneden de grenswaarde, te weten 60,23 dB. Er zal derhalve door de reconstructie van de N340 geen sprake zijn van een verslechtering van het akoestisch klimaat ter plaatse van de woning van [appellant sub 15]. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat wordt voldaan aan de geldende grenswaarden en dat het inpassingsplan derhalve uitvoerbaar is.

33.5. Voor zover [appellant sub 15] vreest voor een toename van de geluidsbelasting door het gebruik van de parallelweg, wordt overwogen dat uit het akoestisch onderzoek volgt dat, indien de geluidsbelasting lager is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, de desbetreffende weg akoestisch niet relevant is.

Uit het deskundigenbericht blijkt dat de door de parallelweg-zuid op de gevel van de woning van [appellant sub 15] veroorzaakte geluidsbelasting afgerond 38 dB bedraagt. Uit de gegevens ten aanzien van de verkeersintensiteit blijkt dat bij de gemiddelde intensiteit uitsluitend is uitgegaan van lichte motorvoertuigen. Hieromtrent is in het deskundigenbericht opgemerkt dat niet ondenkbaar is dat landbouwverkeer over de parallelweg zal gaan rijden om de agrarische percelen langs de N340 te kunnen bereiken. Voorts is opgemerkt dat het perceel van [appellant sub 15] is gelegen in de nabijheid van een tankstation en een restaurant die beide via de zuidelijke parallelweg worden ontsloten, zodat (vracht)verkeer ook gebruik zal maken van de parallelweg langs het perceel van [appellant sub 15]. Met deze gegevens is in het akoestisch onderzoek geen rekening gehouden. In het deskundigenbericht is te dien aanzien echter geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat het aandeel landbouwvoertuigen en (vracht)verkeer vanwege het tankstation en het restaurant zodanig groot is, dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB zal worden overschreden.

Van de zijde van provinciale staten zijn voorts bij brief van 29 maart 2013 onderzoeksgegevens overgelegd met aanvullende berekeningen omtrent de effecten van het aandeel vrachtverkeer op de geluidsbelasting op de woning van [appellant sub 15]. Onderzocht is bij welke aantallen vrachtverkeer sprake is van een reconstructie in de zin van de Wgh. Provinciale staten hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat uit de desbetreffende berekeningen volgt dat een hoger aandeel vrachtverkeer op de parallelweg langs de woning van [appellant sub 15] niet zal leiden tot overschrijdingen van grenswaarden. De conclusie van het deskundigenbericht wordt hiermee bevestigd. [appellant sub 15] heeft geen objectieve gegevens aangevoerd die aannemelijk maken dat deze conclusie onjuist is.

Gezien het vorenstaande heeft [appellant sub 15] niet aannemelijk gemaakt dat sprake zal zijn van een onevenredige geluidsbelasting op de gevel van zijn woning als gevolg van het gebruik van de zuidelijke parallelweg door landbouwverkeer en (vracht)verkeer.

34. Voor zover [appellant sub 15] het onaanvaardbaar acht dat zijn beide buren, anders dan hij, zijn wegbestemd in het inpassingsplan, wordt als volgt overwogen. Anders dan [appellant sub 15] betoogt, is geen sprake van een met de buren vergelijkbare situatie, aangezien uit het wegontwerp blijkt dat de weg over de woningen van de buren aan de [locaties buren] is geprojecteerd, maar niet over de woning van [appellant sub 15]. Provinciale staten hebben in redelijkheid de keuze kunnen maken de gronden van [appellant sub 15] uitsluitend te verwerven voor zover noodzakelijk voor de realisatie van het inpassingsplan.

Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van het onroerend goed van [appellant sub 15] betreft, overweegt de Afdeling dat geen grond bestaat voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. Hierbij is van belang dat niet aannemelijk is dat de belangen van [appellant sub 15] onvoldoende zijn onderkend.

35. [appellant sub 15] voert voorts onder verwijzing naar de gevolgen van het inpassingsplan voor de inrit aan dat hij vreest voor de bereikbaarheid van zijn gronden.

35.1. Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder b en f, van de planregels, voor zover thans van belang, zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor parallelwegen, opstelstroken, in- en uitvoegstroken en de daarbij behorende bermen en taluds en met deze wegen verband houdende voorzieningen daaronder begrepen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals aansluitingen.

35.2. In het deskundigenbericht is vermeld dat in het wegontwerp rekening is gehouden met een nieuwe in- en uitrit op de zuidelijke parallelweg ter plaatse van de bestaande in- en uitrit van [appellant sub 15]. Deze nieuwe in- en uitrit sluit in het wegontwerp aan op de bestaande in- en uitrit. Voorts staat in het deskundigenbericht dat aan de gronden de bestemming "Verkeer" is toegekend, waarbinnen het realiseren van in- en uitritten ten behoeve van (woon)percelen mogelijk is. Ter zitting is door provinciale staten in dit verband gewezen op artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder b, in onderlinge samenhang bezien met lid 7.1, aanhef en onder f, van de planregels. Gelet hierop maakt het inpassingsplan een rechtstreekse ontsluiting van het perceel van [appellant sub 15] op de zuidelijke parallelweg mogelijk.

36. Ingevolge artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd. Eerst bij brief van 1 maart 2013, derhalve na afloop van de termijn voor het instellen van het beroep, heeft [appellant sub 15] naar voren gebracht dat hij vreest voor lichthinder en trillingsschade veroorzaakt door verkeer op de parallelweg. Voorts heeft hij aangevoerd dat een goede afwatering van de parallelweg niet is gewaarborgd nu de inham en de onderduikering buiten het plangebied liggen. Deze beroepsgronden dienen gelet op artikel 1.6a van de Chw buiten beschouwing te worden gelaten.

Het beroep van [appellant sub 2]

37. [appellant sub 2] betoogt dat het inpassingsplan negatieve gevolgen heeft voor de ontsluiting van zijn perceel aan de Hessenweg 60 te Dalfsen. Om het perceel te bereiken dienen automobilisten uit de richting Ommen de afrit Maneweg te nemen en vervolgens de zuidelijke parallelweg te volgen. Volgens [appellant sub 2] is het op zijn perceel gevestigde restaurant dan echter nog niet in zicht en is de afstand voor een goede bewegwijzering te groot. De mogelijkheid waarbij automobilisten de N340 volgen tot ongeveer 600 m voorbij het tankstation/restaurant, aldaar de afslag Oudleusen nemen en via de parallelweg terugrijden, leidt er volgens [appellant sub 2] toe dat automobilisten ervoor zullen kiezen door te rijden. Het perceel wordt ook minder goed bereikbaar voor bewoners van Oudleusen omdat het niet langer mogelijk is de N340 rechtstreeks over te steken.

Als gevolg van het plan neemt de verhuurbaarheid van het perceel af waardoor het onmogelijk wordt het perceel rendabel te exploiteren. [appellant sub 2] wijst erop dat de bereikbaarheid uit de richting Ommen kan worden verbeterd door het aanleggen van een parkeerplaats aan de noordzijde van de N340. Klanten kunnen dan via de fietstunnel het restaurant bereiken.

37.1. Uit het deskundigenbericht volgt dat het perceel Hessenweg 60 in oostelijke richting, Zwolle-Ommen, wordt ontsloten door een af- en oprit vanaf de nieuwe N340. Het verkeer kan via een aftakking van de rijbaan in- en uitvoegen op de N340 om het perceel te bereiken.

In westelijke richting, Ommen-Zwolle, is geen directe af- en oprit naar het perceel voorzien. Het perceel is bereikbaar via de zuidelijke parallelweg. Ter hoogte van het perceel van [appellant sub 2] is geen in- of uitrit voorzien vanaf de zuidelijke parallelweg. De parallelweg is geprojecteerd aan de zuidzijde van het perceel en sluit aan op de N340 via de ongelijkvloerse kruising ter hoogte van de Maneweg, die op een afstand van ongeveer 1,2 km ten oosten van het perceel ligt. Weggebruikers uit de richting Ommen dienen de afslag Maneweg te nemen. Na het bezoek aan het perceel kunnen zij hun weg via de zuidelijke parallelweg in westelijke richting vervolgen en dan via de afslag Oudleusen weer de N340 oprijden. De parallelweg is ook te bereiken door vanaf de N340 de afslag Oudleusen te nemen, die op een afstand van ongeveer 0,6 km ten westen van het perceel ligt, en dan terug te rijden naar het restaurant. Ter hoogte van het perceel wordt voorzien in een fiets- en voetgangerstunnel onder de N340, zodat het langzame verkeer in noord-zuidrichting kan oversteken.

In het deskundigenbericht staat voorts dat het met het vervallen van de afslag in oost-westelijke richting voor potentiële klanten meer moeite zal kosten om het restaurant te bereiken. De afslag Maneweg ligt op grote afstand waarvandaan het restaurant nog niet is waar te nemen voor weggebruikers. Hoewel bewegwijzering weggebruikers erop attent kan maken dat het restaurant via de parallelweg bereikbaar is, vergt dit een extra inspanning die met name (incidentele) passanten over het algemeen niet bereid zullen zijn te leveren. De aanleg van de weg heeft bovendien tot gevolg dat de huidige doorsteek van de kern Oudleusen naar het perceel komt te vervallen. Volgens het deskundigenbericht is te verwachten dat het autoverkeer naar het restaurant vanuit de richting Ommen en Oudleusen zal afnemen, waarmee de aantrekkelijkheid van het perceel voor potentiële huurders zal afnemen.

Het is niet te verwachten dat het langzame verkeer ter plaatse zal afnemen omdat ter hoogte van het perceel een fietstunnel zal worden geplaatst. In het deskundigenbericht is voorts vermeld dat de wegaanpassing van de N340 geen gevolgen heeft voor de bereikbaarheid van het perceel voor zover het de rijrichting Zwolle-Ommen betreft.

37.2. Provinciale staten hebben bij het besluit de belangen van [appellant sub 2] bij een optimale ontsluiting van zijn perceel met het daarop gelegen restaurant betrokken. Daarbij hebben zij zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het desbetreffende perceel na realisatie van het inpassingsplan bereikbaar blijft. Voor automobilisten uit oostelijke richting zal de bereikbaarheid van het perceel als gevolg van het plan weliswaar verslechteren, waardoor met name incidentele passanten het perceel wellicht minder vaak zullen aandoen, echter provinciale staten hebben zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een goede bewegwijzering ter plaatse ertoe kan leiden dat ook deze passanten het restaurant zullen bereiken. Overigens is ter zitting van de zijde van provinciale staten toegezegd dat de kosten voor bewegwijzering kunnen worden verdisconteerd in de procedure met betrekking tot de grondaankoop ten behoeve van de realisatie van het inpassingsplan.

Voorts blijkt uit het deskundigenbericht dat het perceel van [appellant sub 2] vanuit Oudleusen voor fietsers en wandelaars rechtstreeks bereikbaar is, zodat het langzame verkeer richting het perceel niet zal afnemen als gevolg van het inpassingsplan. Verder heeft het plan geen gevolgen voor de bereikbaarheid van het perceel voor zover het de rijrichting Zwolle-Ommen betreft. De Afdeling acht gezien het vorenstaande van belang dat [appellant sub 2] niet heeft onderbouwd uit welke richting de bezoekers van het restaurant veelal afkomstig zijn, zodat niet inzichtelijk is gemaakt of een groot deel van de bezoekers afkomstig is uit oostelijk richting dan wel uit richtingen ten aanzien waarvan het plan geen gevolgen heeft voor de bereikbaarheid van het perceel. Gelet hierop is niet duidelijk in hoeverre het aantal klanten van het op het perceel gevestigde restaurant feitelijk zal afnemen als gevolg van het inpassingsplan. Bovendien is door [appellant sub 2] onweersproken gebleven dat de N340 na realisatie van het plan drukker wordt, waardoor de kans bestaat op meer klandizie.

Voor zover [appellant sub 2] zich op het standpunt stelt dat een parkeerplaats aan de overzijde van de N340 kan worden aangelegd om de bereikbaarheid van het perceel te verbeteren, hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het aanleggen van een nieuwe parkeerplaats niet noodzakelijk is, omdat het in voldoende mate reeds mogelijk is te parkeren langs bestaande wegen in de kern van Oudleusen. Voorts is ter zitting van de zijde van provinciale staten uiteengezet dat het realiseren van een viaduct of tunnel ter hoogte van het perceel van [appellant sub 2] om aldus de bereikbaarheid van het perceel te verbeteren, te kostbaar is. Voor zover is aangevoerd dat ten behoeve van de bereikbaarheid ter plaatse een ongelijkvloerse kruising zou kunnen worden gerealiseerd, hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit geen reële mogelijkheid is, reeds omdat het op het perceel gelegen restaurant vanwege het grote ruimtebeslag van een dergelijke kruising zou moeten verdwijnen. Provinciale staten hebben voorts bovendien toegelicht dat zij een veilige 100 km/uur weg willen aanleggen, waarmee een directe mogelijkheid om op de nieuwe hoofdrijbaan in de richting

Ommen-Zwolle af te slaan richting het perceel niet verenigbaar is.

Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten bij het besluit de belangen die met het realiseren van een veilige N340 zijn gemoeid in redelijkheid kunnen laten prevaleren boven de belangen van [appellant sub 2].

Het beroep van Salland Oil

38. Salland Oil voert aan dat de bereikbaarheid van haar tankstation Firezone op het perceel Om de Landskroon 16 te Dalfsen, gelegen aan de N340 tussen Zwolle en Ommen, als gevolg van het inpassingsplan aanzienlijk slechter bereikbaar zal zijn, waardoor zij schade zal lijden in de vorm van omzet- en winstderving met wellicht de sluiting van het tankstation tot gevolg. Als gevolg van het plan kan het tankstation vanuit de richting Ommen uitsluitend via de Maneweg en de zuidelijke parallelweg worden bereikt. Hierdoor moet het verkeer afkomstig uit die richting omrijden. Vanwege de kosten die daarmee zijn gemoeid, zijn de transportsector en consumenten, waaronder impulstankers, volgens Salland Oil waarschijnlijk niet bereid die omweg te nemen.

Salland Oil betoogt voorts dat het besluit is vastgesteld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, aangezien onvoldoende rekening is gehouden met haar belangen. Ten slotte voert Salland Oil aan dat zij door de provincie onvoldoende op de hoogte is gehouden van de ontwikkelingen rondom de aanpassingen van de N340.

38.1. Het perceel waarop het tankstation is gevestigd ligt direct ten zuiden van de N340, ter hoogte van de kern Oudleusen. Salland Oil huurt een gedeelte van het perceel ten behoeve van de exploitatie van het tankstation.

Uit het deskundigenbericht blijkt dat het perceel in de richting Zwolle-Ommen wordt ontsloten door een af- en oprit vanaf de nieuwe N340. Het verkeer kan via een aftakking van de rijbaan in- en uitvoegen op de N340 om het perceel te bereiken.

In de richting Ommen-Zwolle is geen directe af- en oprit naar het perceel voorzien. Het perceel is bereikbaar via de zuidelijke parallelweg. Deze weg is dwars over het perceel geprojecteerd en sluit aan op de N340 via de ongelijkvloerse kruising ter hoogte van de Maneweg, die op een afstand van ongeveer 1,2 km ten oosten van het perceel ligt. De parallelweg is ook te bereiken vanaf de afslag Oudleusen, die op een afstand van ongeveer 0,6 km ten westen van het perceel ligt. Om het tankstation te bereiken dienen weggebruikers uit de richting Ommen de afslag Maneweg te nemen. Na het bezoek aan het tankstation kunnen zij hun weg via de zuidelijke parallelweg in westelijke richting vervolgen en via de afslag Oudleusen de N340 oprijden. De parallelweg is ook te bereiken door vanaf de N340 de afslag Oudleusen te nemen, die op een afstand van ongeveer 0,6 km ten westen van het perceel ligt, en dan terug te rijden naar het tankstation.

Ten aanzien van het vrachtverkeer is in het deskundigenbericht vermeld dat dit verkeer vanuit de richting Ommen ruim 1,2 km over de parallelweg moet rijden om het tankstation te bereiken en daarna nog 0,6 km om weer terug te komen op de N340. Het wegontwerp kent ter hoogte van de afslag Maneweg een vrij slingerend/bochtig patroon, heeft een wegbreedte van maximaal 4,5 m met aan weerszijden 0,4 m bermverharding en kent een maximumsnelheid van 60 km/uur. Deze inrichting past bij een erftoegangsweg. Het is voor vrachtverkeer lastig om te manoeuvreren en passeren, waardoor volgens het deskundigenbericht te verwachten is dat het vrachtverkeer uit de richting Ommen reeds om die reden van tanken bij het tankstation zal afzien.

In het deskundigenbericht staat voorts dat het met het vervallen van de afslag in oostelijke richting voor potentiële klanten meer moeite zal kosten het tankstation te bereiken. De afslag Maneweg ligt op grote afstand waarvandaan het perceel nog niet is waar te nemen voor weggebruikers. Hoewel bewegwijzering weggebruikers erop attent kan maken dat het tankstation via de parallelweg bereikbaar is, vergt dit een extra inspanning die met name (incidentele) passanten over het algemeen niet bereid zijn te leveren. De aanleg van de weg heeft bovendien tot gevolg dat de huidige doorsteek van de kern Oudleusen naar het perceel komt te vervallen. Autoverkeer kan het perceel dan bereiken door de N340 over te steken bij de afslag Oudleusen en 0,6 km terug te rijden via de zuidelijke parallelweg naar het perceel. Volgens het deskundigenbericht is te verwachten dat het autoverkeer naar het tankstation vanuit de richting Ommen en Oudleusen zal afnemen.

De wegaanpassing van de N340 heeft volgens het deskundigenbericht geen gevolgen voor de bereikbaarheid van het perceel voor zover het de rijrichting Zwolle-Ommen betreft.

38.2. Provinciale staten hebben de belangen van Salland Oil bij een optimale ontsluiting van haar tankstation bij het besluit betrokken. Daarbij hebben zij zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het tankstation na realisatie van het inpassingsplan bereikbaar blijft. Voor automobilisten uit oostelijke richting zal de bereikbaarheid van het perceel als gevolg van het inpassingsplan weliswaar verslechteren, waardoor met name incidentele passanten en vrachtverkeer het tankstation wellicht minder vaak zullen aandoen, echter provinciale staten hebben zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een goede bewegwijzering ter plaatse ertoe kan leiden dat ook deze passanten het tankstation zullen bereiken. Verder heeft het plan geen gevolgen voor de bereikbaarheid van het perceel voor zover het de rijrichting Zwolle-Ommen betreft. De Afdeling acht gezien het vorenstaande voorts van belang dat uit een verkeerstelling op dinsdag 23 maart 2010 is gebleken dat tweederde van de bezoekers afkomstig is uit de richting Zwolle. Deze onderzoeksresultaten zijn door Salland Oil niet met objectieve gegevens betwist. Voor zover Salland Oil betoogt dat de verkeerstelling niet op een dinsdag had moeten worden uitgevoerd, omdat dit geen representatieve dag is, wordt overwogen dat provinciale staten in redelijkheid voor een onderzoek op deze dag hebben kunnen kiezen vanwege het feit dat telgegevens op dinsdagen een zo goed mogelijke afspiegeling geven van een gemiddelde werkdag. Bovendien is door Salland Oil onweersproken gebleven dat uit prognoses blijkt dat de verkeersintensiteit op de N340 na realisatie van het plan toeneemt, waardoor de kans bestaat op meer klandizie.

Voorts is ter zitting van de zijde van provinciale staten uiteengezet dat het realiseren van een viaduct of tunnel ter hoogte van het perceel om aldus de bereikbaarheid van het tankstation te verbeteren, te kostbaar is. Voor zover is aangevoerd dat ten behoeve van de bereikbaarheid ter plaatse een ongelijkvloerse kruising zou kunnen worden gerealiseerd, hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit geen reële mogelijkheid is, reeds omdat het op het perceel gelegen tankstation vanwege het grote ruimtebeslag van een dergelijke kruising zou moeten verdwijnen.

Provinciale staten hebben voorts toegelicht dat zij een veilige 100 km/uur weg willen aanleggen, waarmee een directe mogelijkheid om op de nieuwe hoofdrijbaan in de richting Ommen-Zwolle af te slaan richting het perceel niet verenigbaar is.

Anders dan Salland Oil betoogt, bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat provinciale staten bij de vaststelling van het inpassingsplan geen rekening hebben gehouden met haar belangen. Hierbij betrekt de Afdeling dat tussen partijen niet in geschil is dat op 23 november 2009, 27 mei 2010 en 4 september 2012 gesprekken hebben plaatsgevonden tussen Salland Oil en provinciale staten. Voorts is door Salland Oil onweersproken gebleven dat zij daarnaast door middel van nieuwsbrieven op de hoogte is gehouden van de planprocedure. Salland Oil heeft verder van de inspraakmogelijkheden gebruik gemaakt waar provinciale staten vervolgens inhoudelijk op hebben gereageerd.

Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten bij het besluit de belangen die met het realiseren van een veilige N340 zijn gemoeid in redelijkheid kunnen laten prevaleren boven de belangen van Salland Oil.

39. Salland Oil voert voorts aan dat minimaal twee extra opstelplaatsen voor de consument en minimaal twee extra opstelplaatsen voor de transportsector moeten worden gerealiseerd om de ingevolge het inpassingsplan vereiste fysieke scheiding tussen de verschillende verkeersstromen op het terrein van het tankstation te kunnen verwezenlijken. Hiervoor biedt het terrein volgens Salland Oil echter geen ruimte.

Salland Oil betoogt voorts dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende is gewaarborgd. Salland Oil vreest dat er geen budget bestaat voor het vergoeden van de door haar en anderen te lijden schade als gevolg van het inpassingsplan.

39.1. In de plantoelichting is vermeld dat ter plaatse van het tankstation een fysieke scheiding moet worden aangebracht tussen het verkeer vanaf de zuidelijke parallelweg en het verkeer op de N340 vanuit de richting Zwolle-Ommen. Hiermee wordt voorkomen dat uitwisseling van verkeer plaatsvindt tussen de N340 en de parallelweg. In overleg met de exploitant/eigenaar wordt het tankstation hiertoe opgedeeld in twee verkeerskundig gescheiden delen, een deel voor verkeer vanaf de parallelweg en een deel voor verkeer op de N340 in de richting Zwolle-Ommen, aldus de plantoelichting.

Ter zitting is van de zijde van provinciale staten nader toegelicht dat door de fysieke scheiding wordt voorkomen dat sluipverkeer ontstaat.

39.2. In het deskundigenbericht staat dat desgevraagd door provinciale staten is aangegeven op welke manier een fysieke scheiding op het terrein van het tankstation kan worden aangebracht. Uit het voorstel blijkt volgens het deskundigenbericht dat met de huidige indeling van het tankstation de opstelplaatsen voor consumenten dan alleen nog toegankelijk zijn vanuit de richting Zwolle. De opstelplaatsen voor de transportsector zijn alleen nog toegankelijk vanuit de richting Ommen. Het aanpassen van de huidige inrichting van de opstelplaatsen zodanig dat consumenten en transportsector vanuit beide richtingen gebruik kunnen maken van het tankstation is niet mogelijk. Het aanbrengen van een fysieke barrière ter voorkoming van sluipverkeer en het in stand houden van de huidige gebruiksmogelijkheden van het tankstation is vanwege de beperkte ruimte op het perceel niet mogelijk, aldus het deskundigenbericht.

In de reactie op het deskundigenbericht hebben provinciale staten toegelicht dat bij het maken van het voorstel abusievelijk van een verkeerde pompindeling is uitgegaan, waarbij zij de scheiding tussen de opstelplaatsen voor consumenten en de transportsector niet goed voor ogen hebben gehad. Anders dan waar het deskundigenrapport van is uitgegaan, blijft aan de noordkant van de zuidelijke parallelweg na realisatie van het inpassingsplan volgens provinciale staten nog ruimte bestaan voor het plaatsen van pompen. Indien Salland Oil daar pompen plaatst, kan het verkeer afkomstig uit de richting Ommen op die plekken vanaf de parallelweg tanken zonder dat behoeft te worden gekeerd. Direct aansluitend aan de noordzijde van en aansluitend aan deze nieuwe pompen kan dan voor zover nog nodig een fysieke scheiding worden aangebracht.

39.3. De Afdeling stelt vast dat partijen verdeeld zijn over de vraag of het na het aanbrengen van een fysieke scheiding op het terrein van het tankstation mogelijk is om extra pompen te plaatsen, zodat het verkeer uit beide richtingen bij het tankstation kan tanken. Indien ervan moet worden uitgegaan dat het als gevolg van de fysieke scheiding voor consumenten en vrachtverkeer afkomstig uit beide richtingen niet langer mogelijk is te tanken, wordt overwogen dat provinciale staten hebben aangegeven dat er voldoende middelen zijn om een eventuele planschadeclaim van Salland Oil in verband met geleden schade als gevolg van het inpassingsplan te kunnen voldoen. Salland Oil heeft niet aannemelijk gemaakt dat provinciale staten een eventuele planschadeclaim van Salland Oil in verband met geleden schade als gevolg van het inpassingsplan, niet kunnen voldoen. Voor zover Salland Oil zich op het standpunt stelt dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende is gewaarborgd, wordt overwogen dat in de plantoelichting is vermeld dat de financiering van de N340/N48 wordt gedekt uit middelen van de provincie Overijssel en een bijdrage van de gemeente Zwolle. Provinciale staten hebben voorts toegelicht dat in eventuele planschadeclaims als gevolg van het plan is voorzien in het budget voor het Combinatiealternatief en dat de provincie ook indien daarin niet zou zijn voorzien voldoende draagkrachtig is om aan een mogelijke planschadeclaim te voldoen.

Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding voor het oordeel dat een eventuele planschadeclaim aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan, voor zover bestreden, in de weg staat.

40. Voorts voert Salland Oil aan dat het tankstation als gevolg van het inpassingsplan niet kan worden uitgebreid. Een deel van de zuidelijke parallelweg is geprojecteerd over de gronden van het tankstation waardoor geen ruimte voor uitbreiding van het tankstation overblijft. Volgens Salland Oil bestaat echter geen noodzaak om de zuidelijke parallelweg over de gronden van het tankstation aan te leggen aangezien de parallelweg bijvoorbeeld in zuidoostelijke richting zou kunnen worden verlegd.

40.1. In het deskundigenbericht staat dat dwars over het perceel de bestemming "Verkeer" is opgenomen ten behoeve van de aanleg van de parallelweg. De gronden ten noorden van de bestemming "Verkeer" liggen buiten het plangebied van het inpassingsplan en daarop blijft de bestemming "Verkooppunt voor motorbrandstoffen" rusten. De omvang van dit gedeelte van het perceel is iets groter dan de feitelijke omvang van het thans aanwezige tankstation. Aan de gronden gelegen ten zuiden van de bestemming "Verkeer" is de bestemming "Agrarisch" toegekend. Die gronden kunnen gelet hierop volgens het deskundigenbericht niet langer worden gebruikt en bebouwd ten behoeve van het tankstation.

40.2. De Afdeling is van oordeel dat provinciale staten in redelijkheid hebben kunnen besluiten tot het in het plan voorziene tracé van de zuidelijke parallelweg ter hoogte van het perceel waarop het tankstation is gelegen. Hierbij wordt betrokken dat provinciale staten hebben toegelicht dat vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid moet worden voorkomen dat verkeer op de parallelweg moet kruisen met afslaand verkeer van de N340, zodat de parallelweg niet ten noorden van het perceel kan worden gesitueerd. Voorts hebben provinciale staten bij het vaststellen van het tracé ter hoogte van het tankstation van belang kunnen achten dat het verleggen van de parallelweg in zuidelijke richting tot gevolg zou hebben dat de naastgelegen woning aan de Hessenweg 62 niet gehandhaafd kan blijven. Voor zover Salland Oil betoogt dat als gevolg van het gekozen tracé geen mogelijkheid meer bestaat voor uitbreiding van het tankstation, overweegt de Afdeling dat Salland Oil een verzoek om planschade kan indienen. Eventuele schade kan in die procedure aan de orde worden gesteld. Voorts hebben provinciale staten toegelicht dat met het oog op de beperking van eventuele schade van Salland Oil nog steeds wordt nagegaan of er mogelijkheden zijn voor een extra locatie van het tankstation ten noorden van de N340.

Het beroep van [appellant sub 4] voor het overige

41. [appellant sub 4] vreest voor verkeersonveilige situaties op de parallelweg nu deze zwaarder wordt belast als gevolg van het geringere aantal afritten van de N340. Voorts vreest [appellant sub 4] voor geluidhinder en een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van haar woning en voor waardevermindering van haar woning. Daarnaast voert zij aan dat de leefbaarheid in haar omgeving zal worden aangetast nu het inpassingsplan gevolgen heeft voor de EHS.

41.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat de berekende verkeersintensiteiten op de parallelwegen aanzienlijk lager liggen dan de CROW-normen, zodat niet aannemelijk is dat de verkeersveiligheid op de parallelwegen in het gedrang komt. Voorts stellen provinciale staten zich op het standpunt dat de geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 4] als gevolg van het inpassingsplan zal afnemen en dat de grenswaarden uit de Wet milieubeheer niet worden overschreden. Gelet hierop is volgens provinciale staten niet aannemelijk dat de woning van [appellant sub 4] in waarde zal dalen.

41.2. [appellant sub 4] woont aan [locatie sub 4] in Oudleusen. In het deskundigenbericht staat dat haar woning ten noorden van de N340 ligt op een afstand van ongeveer 270 m en dat deze afstand na realisering van het inpassingsplan ongeveer gelijk blijft.

41.3. In het deskundigenbericht staat dat ter hoogte van de woning van [appellant sub 4] de N340 thans bestaat uit één rijbaan met twee rijstroken. De rijstroken zijn van elkaar gescheiden door wegdeksignalering. Aan beide zijden van de N340 ligt een parallelweg. De toegestane snelheid op de N340 bedraagt 80 km/uur en op de parallelwegen 60 km/uur.

Uit de verbeelding blijkt dat voor de N340 ter plaatse dwarsprofiel 4 is voorgeschreven. Dit dwarsprofiel kent twee rijbanen met elk één rijstrook, met in het midden en aan beide zijden een geleiderails. Voorts zullen de noordelijke en zuidelijke parallelweg gehandhaafd blijven maar deze zullen in noordelijke respectievelijk zuidelijke richting worden verlegd. De toegestane snelheid zal op de N340 100 km/uur bedragen en op de parallelwegen zal de toegestane snelheid ongewijzigd blijven.

Het Op ’t Holt en de Stouweweg behouden hun aansluiting op de noordelijke parallelweg. Het aantal aansluitingen van de parallelwegen op de N340 wordt echter aanzienlijk beperkt, aldus het deskundigenbericht.

41.4. In het MER wordt onder meer de noordelijke parallelweg aangemerkt als erftoegangsweg, waarvoor het CROW een maximum verkeersintensiteit van 6.000 mvt/etmaal hanteert.

In het MER staat dat de intensiteit van de parallelwegen op deeltraject 4 - Oudleusen, vanaf de Maneweg, tot aan de aansluiting met de N48 ter hoogte van Arriërveld - in 2020 in de autonome situatie 200 tot 400 en na realisering van het inpassingsplan 210 tot 680 mvt/etmaal bedraagt. Dit aantal blijft ver onder het aanvaardbare maximum van 6.000 mvt/etmaal, zodat sprake zal zijn van een goede verkeersafwikkeling, aldus het MER.

41.5. In bijlage I bij de zienswijzenota zijn de 48 dB-contouren van de N340 voor de situatie in 2028 bij een autonome ontwikkeling en voor de situatie waarbij het inpassingsplan is gerealiseerd, weergegeven. Hieruit blijkt dat in beide situaties de woning van [appellant sub 4] buiten deze contour ligt en derhalve een geluidsbelasting ondervindt die lager is dan 48 dB. In het deskundigenbericht staat voorts dat hieruit blijkt dat de geluidsbelasting ter hoogte van de woning van [appellant sub 4] in de situatie waarbij het inpassingsplan is gerealiseerd zelfs lager is dan in de autonome situatie.

41.6. In de plantoelichting staat dat de grenswaarden uit de Wet milieubeheer na ingebruikname van de N340/N48 niet worden overschreden. Er wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden die gelden voor de concentraties stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10). Hiermee wordt voldaan aan artikel 5.16, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer, aldus de plantoelichting.

41.7. [appellant sub 4] heeft de in het MER genoemde verkeersintensiteiten voor de noordelijke parallelweg niet bestreden. Nu de verkeersintensiteit ruim onder het door het CROW gehanteerde maximum van 6.000 mvt/etmaal blijft, heeft [appellant sub 4] niet aannemelijk gemaakt dat op deze parallelweg verkeersonveilige situaties zullen ontstaan.

41.8. Met betrekking tot het standpunt van [appellant sub 4] dat zij de juistheid van het MER niet kan beoordelen en dat zij niet kan beoordelen of terecht met emissiecijfers uit 2010 is gerekend, overweegt de Afdeling als volgt. In het deskundigenbericht staat dat de gebruikte emissiefactoren van onder meer de concentraties stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) - die zijn geleverd door het RIVM - zijn gebaseerd op het zogenoemde BGE-scenario van maart 2010 en dat dit ten tijde van het bestreden besluit de meest actuele gegevens waren. Gelet hierop en nu [appellant sub 4] voor het overige haar standpunt niet heeft onderbouwd, wordt in hetgeen zij heeft aangevoerd geen grond gevonden voor het oordeel dat provinciale staten het MER in zoverre niet aan het bestreden besluit ten grondslag mochten leggen.

41.9. De Afdeling overweegt verder dat uit het vorenstaande volgt dat de geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 4] zal afnemen en bovendien lager is dan 48 dB en dat de grenswaarden die gelden voor de concentraties stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) niet worden overschreden. Gelet hierop wordt in het niet nader onderbouwde standpunt van [appellant sub 4] geen grond gevonden voor het oordeel dat het inpassingsplan zal leiden tot onaanvaardbare geluidshinder en een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van haar woning. Voorts overweegt de Afdeling dat in het niet nader onderbouwde standpunt dat het inpassingsplan gevolgen heeft voor de EHS geen grond wordt gevonden voor het oordeel dat daardoor sprake is van een meer dan beperkte aantasting van de leefbaarheid in de omgeving van de woning van [appellant sub 4]. Hierbij betrekt de Afdeling dat de gronden die vanwege het inpassingsplan niet langer zijn aangewezen als EHS op een afstand van meer dan 200 m van de woning van [appellant sub 4] liggen en dat de aanwijzing van de tussenliggende gronden als EHS niet is gewijzigd. Reeds hierom doet het feit dat de compensatie mogelijk niet in de directe omgeving van de woning van [appellant sub 4] wordt gerealiseerd, niet af aan voornoemd oordeel. Gelet hierop wordt in het aangevoerde evenmin grond gevonden voor het oordeel dat het inpassingsplan zal leiden tot een waardevermindering van de woning van [appellant sub 4].

Het beroep van Resort De Arendshorst voor het overige

42. Resort De Arendshorst voert aan dat als gevolg van het inpassingsplan het resort veel minder goed bereikbaar is. Gasten zullen naar schatting ongeveer 7 km moeten omrijden, hetgeen volgens Resort De Arendshorst zal leiden tot een belemmering in de bedrijfsvoering alsmede een waardedaling van het bedrijf. Daarnaast voert zij aan dat de leefbaarheid in haar omgeving zal worden aangetast nu het inpassingsplan gevolgen heeft voor de EHS.

42.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat gasten van Resort De Arendshorst meer van de parallelweg gebruik zullen maken, maar dat zij niet hoeven om te rijden.

42.2. In het deskundigenbericht staat dat Resort De Arendshorst een familiecamping in de gemeente Ommen, aan de Vecht betreft. De camping beschikt over 170 kampeerplaatsen en 90 plaatsen voor recreatiebungalows. Als gevolg van het inpassingsplan komen de rechtstreekse aansluiting van de Arendhorsterweg op de N340 en de wat oostelijker en westelijker gelegen aansluitingen van de zuidelijke parallelweg op de N340 te vervallen. De aansluiting van Resort De Arendshorsterweg op de zuidelijke parallelweg blijft gehandhaafd. Dit heeft tot gevolg dat bezoekers van Resort De Arendshorst in de toekomst altijd gebruik zullen moeten maken van de zuidelijke parallelweg. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat, indien de desbetreffende routes bij de bezoekers bekend zijn of door middel van bewegwijzering staan aangegeven, er niet of nauwelijks sprake zal zijn van omrijden. Gelet hierop wordt in hetgeen Resort De Arendshorst heeft aangevoerd geen grond gevonden voor het oordeel dat het inpassingsplan zal leiden tot een meer dan beperkte aantasting van de bedrijfsvoering en een waardedaling van het bedrijf. Hierbij betrekt de Afdeling dat provinciale staten het feit dat potentiële bezoekers die de afslag richting de zuidelijke parallelweg missen en als gevolg daarvan 3,6 dan wel 4,5 km moeten omrijden, in redelijkheid aanvaardbaar hebben kunnen achten nu niet aannemelijk is gemaakt dat dit zal leiden tot een meer dan beperkte afname van het totale aantal bezoekers.

42.3. Voorts overweegt de Afdeling dat in het niet nader onderbouwde standpunt dat het inpassingsplan gevolgen heeft voor de EHS - mede gelet op het feit dat compensatie zal plaatsvinden voor de gronden die vanwege het inpassingsplan niet langer als EHS zijn aangewezen - geen grond wordt gevonden voor het oordeel dat daardoor sprake is van een meer dan beperkte aantasting van de leefbaarheid in de omgeving van de woning bij Resort De Arendshorst.

Het beroep van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B]

43. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] voeren aan dat hun woon- en leefklimaat zal worden aangetast als gevolg van de voorziene afrit ter hoogte van hun woning (hierna: de tweede afrit). Zij vrezen voor geluidhinder en voeren aan dat onduidelijk is in hoeverre de hoogte van de tweede afrit van invloed is op de geluidsbelasting. Voorts had volgens hen bij de beoordeling van het externe veiligheidsrisico rekening gehouden moeten worden met de hoogte van de aan te leggen tweede afrit.

43.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat de geluidsbelasting op de woning van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] als gevolg van het inpassingsplan zal afnemen. Voorts is de hoogte van de tweede afrit niet relevant voor de berekening van het groepsrisico, aldus provinciale staten.

43.2. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] wonen aan de [locatie sub 5] in Ommen op een afstand van ongeveer 45 m ten westen van de tweede afrit. Zij hebben ter plaatse ongeveer 4,5 ha grond in eigendom. Uit de verbeelding blijkt dat een deel van de tweede afrit is voorzien over hun gronden.

43.3. Aan de westzijde van de N48 is een tweeledige afrit voorzien. De eerste afrit verbindt de N48 en de N340 met elkaar op ongeveer maailveldniveau. De tweede afrit takt op ongeveer maaiveldniveau af van de N48 en gaat vervolgens over de eerste afrit en sluit daarna aan op de Varsenerdijk.

43.4. Het betoog van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] dat onduidelijk is hoe hoog de afrit ter hoogte van hun woning zal worden, faalt. Hiertoe overweegt de Afdeling dat uit de verbeelding blijkt dat hun woning nabij het begin van de tweede afrit ligt. De N48 ligt ter plaatse op maaiveldniveau zodat de tweede afrit ter plaatse eveneens op ongeveer maaiveldniveau zal liggen. Daarnaast blijkt uit het lengteprofiel dat als bijlage bij het deskundigenbericht is gevoegd, dat het hoogste punt van de tweede afrit ongeveer 7 m boven het maaiveld ligt. Ter zitting hebben provinciale staten toegelicht dat dit punt het viaduct betreft over de eerste afrit. Dit viaduct ligt op een afstand van ongeveer 250 m van de woning van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B].

43.5. Uit bijlage IV bij het akoestisch onderzoek blijkt dat op de twee berekeningspunten ter plaatse van de woning van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] de heersende geluidsbelasting 57,72 en 59,12 dB bedraagt. Gelet op artikel 100, derde lid, van de Wgh gelden deze waarden als de hoogst toelaatbare geluidsbelasting vanwege de weg. Nu voor de toekomstige situatie op deze twee berekeningspunten geluidsbelastingen zijn berekend van 56,42 en 57,8 dB neemt de geluidsbelasting af. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] hebben deze uitkomsten niet bestreden. Wat betreft hun standpunt dat onduidelijk is in hoeverre de hoogte van de afrit de geluidsbelasting beïnvloedt, overweegt de Afdeling dat in het deskundigenbericht staat dat de gemiddelde hellingshoek ter plaatse kleiner is dan 3% en dat derhalve op grond van de Standaard Rekenmethode II uit het Reken en meetvoorschrift geluidhinder 2006 - geen hellingcorrectie behoeft te worden toegepast in de berekeningen. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de gemiddelde hellingshoek ter plaatse groter is dan 3%. Nu de geluidsbelasting zal afnemen, wordt in het aangevoerde geen grond gevonden voor het oordeel dat de realisering van het inpassingsplan zal leiden tot een onaanvaardbare geluidssituatie ter plaatse van de woning van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B].

43.6. Het betoog van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] dat provinciale staten onder verwijzing naar de geluidsreductie die in beide situaties optreedt een afweging hadden moeten maken tussen het toepassen van dubbellaags ZOAB en het plaatsen van een geluidsscherm, faalt. Voorop staat dat provinciale staten in dit verband beleidsvrijheid hebben. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten in redelijkheid een nadere afweging achterwege kunnen laten nu met dubbellaags ZOAB een afdoende geluidsreductie kan worden bereikt en het plaatsen van een geluidsscherm, anders dan het toepassen van dubbellaags ZOAB, een negatief effect heeft uit visueel oogpunt.

43.7. Uit het MER blijkt dat bij de beoordeling van de externe veiligheid de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (hierna: de Circulaire risiconormering) tot uitgangspunt is genomen. Op grond van de Circulaire risiconormering dient, kort gezegd, bij een nieuwe situatie - zoals in dit geval - het plaatsgebonden risico bij kwetsbare objecten kleiner te zijn dan 10-6 per jaar en moet het bestuursorgaan verantwoording afleggen bij het nemen van het besluit wanneer het groepsrisico boven de in de Circulaire gegeven oriëntatiewaarden ligt of wanneer het groepsrisico toeneemt. In het MER staat dat zich ter hoogte van deeltraject 4, Oudleusen, vanaf de Maneweg tot aan de aansluiting met de N48 ter hoogte van Arriërveld, geen plaatsgebonden risico 10-6-contour bevindt. Voorts blijft het groepsrisico onveranderd. Het effect van het inpassingsplan is daarom neutraal, aldus het MER. In de toelichting op de Circulaire risiconormering is ingegaan op de informatie die nodig is ten behoeve van de beoordeling van de risico’s. Bij deze informatie wordt de weghelling niet genoemd. Gelet hierop wordt in het niet nader onderbouwde standpunt van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] geen grond gevonden voor het oordeel dat bij de berekening van het externe veiligheidsrisico ten onrechte geen rekening is gehouden met de weghelling.

43.8. Gelet op het vorenstaande wordt in het aangevoerde geen grond gevonden voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] als gevolg van de voorziene afrit van de N48 aanvaardbaar is.

44. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] voeren verder aan dat de Bossteeg, die als gevolg van de aanleg van de afrit van de N48 moet worden verlegd, ten onrechte over hun gronden is geprojecteerd. In dit verband wijzen zij er op dat de Bossteeg slechts dient ter ontsluiting van het perceel van hun buurman Bartels en hij voldoende gronden in eigendom heeft om een ontsluiting op te realiseren. Nu volgens hen geen noodzaak bestaat tot de verlegging van de Bossteeg, zal aan provinciale staten geen onteigeningstitel worden verleend.

44.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat niet alleen ten behoeve van de verlegging van de Bossteeg, maar ook ten behoeve van het realiseren van het knooppunt Varssen, een deel van de gronden van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] is bestemd als "Verkeer". Voorts stellen zij zich op het standpunt dat met een ontsluiting van het perceel van Bartels via zijn eigen gronden een nieuwe geïsoleerde infrastructuur zou ontstaan, terwijl de verlegging van de Bossteeg thans is voorzien parallel aan de afrit van de N48.

44.2. In het deskundigenbericht staat dat de voorgestelde alternatieve ontsluiting van [locatie sub 1] over de bijbehorende gronden richting de Hessenweg West een groter ruimtebeslag zou betekenen. Voorts zou een dergelijke ontsluiting betekenen dat nieuwe geïsoleerde infrastructuur wordt aangelegd, nu een dergelijke ontsluiting niet met bestaande infrastructuur kan worden gebundeld, aldus het deskundigenbericht.

44.3. Ingevolge artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd. Eerst bij brief van 4 maart 2013, derhalve na afloop van de termijn voor het instellen van beroep, hebben [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] naar voren gebracht dat de verlegging van de Bossteeg voor hen nadelige geluids- en stofeffecten kan hebben. Deze beroepsgrond dient gelet op artikel 1.6a van de Chw buiten beschouwing te worden gelaten.

44.4. De Bossteeg is thans de enige ontsluitingsmogelijkheid van het perceel [locatie sub 1]. De Bossteeg loopt langs de gronden van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] naar dit perceel toe. Nu de afrit van de N48 is voorzien ter plaatse van de Bossteeg, zal dit deel van de Bossteeg verdwijnen. Er moet derhalve worden voorzien in een nieuwe ontsluiting van het perceel [locatie sub 1]. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten in redelijkheid de nieuwe Bossteeg langs de afrit van de N48 kunnen voorzien. Hierbij betrekt de Afdeling dat hierdoor sprake is van een bundeling van infrastructuur terwijl een nieuwe ontsluiting van het perceel over de gronden van Bartels zou betekenen dat een nieuwe geïsoleerde infrastructuur ontstaat, hetgeen uit landschappelijk oogpunt onwenselijk is. Dat het voorgestelde alternatief over de gronden van Bartels richting de Hessenweg West langs de perceelsgrens met de gronden van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] zou lopen en derhalve de kavelstructuur in het landschap zou volgen, doet hier niet aan af. Daarnaast heeft het voorgestelde alternatief een grotere lengte en dus een groter ruimtebeslag hetgeen uit kostenoogpunt onwenselijk is. Bovendien hebben provinciale staten ter zitting toegelicht dat de verlegde Bossteeg slechts ongeveer 4,5 m breed zal zijn. Voorts staat in het deskundigenbericht dat [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] de gronden ter plaatse onder meer hebben aangekocht als investering ten behoeve van hun oudedagsvoorziening. Ter zitting is in dit verband gebleken dat deze gronden thans in gebruik zijn als paardenweide. Hieruit volgt dat de verlegging van de Bossteeg over de gronden van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] hen in het bijzonder raakt omdat daardoor een deel van de gedane investering verdwijnt. In dit kader is van belang dat de schade die zij lijden als gevolg van het inpassingsplan bij de minnelijke verwerving dan wel onteigening zal worden vergoed. Daarbij wordt het uitgangspunt gehanteerd dat de vermogens- en inkomenspositie voor en na de verwerving gelijk zal zijn.

44.5. Uit het vorenstaande volgt dat in hetgeen is aangevoerd geen grond wordt gevonden voor het oordeel dat provinciale staten de verlegging van de Bossteeg niet in redelijkheid op de thans voorziene wijze mogelijk hebben kunnen maken. Op voorhand bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat geen onteigeningsbesluit zou kunnen worden verkregen.

Conclusie

45. Voor zover in deze uitspraak is geoordeeld dat de beroepsgronden falen, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of artikel 1.9 van de Chw van toepassing is.

46. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Proceskostenveroordeling

47. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1B] en anderen geheel en het beroep van [appellant sub 1A] tegen het besluit van provinciale staten van Overijssel van 12 juli 2012 tot vaststelling van het inpassingsplan "N340/N48 Zwolle-Ommen" gedeeltelijk niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1A] voor het overige en de overige beroepen tegen het besluit van provinciale staten van Overijssel van 12 juli 2012 tot vaststelling van het inpassingsplan "N340/N48 Zwolle-Ommen" geheel ongegrond;

III. verklaart het beroep van [appellant sub 1A] tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 29 mei 2012 tot vaststelling van hogere waarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder ten behoeve van het inpassingsplan "N340/N48" ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Melenhorst

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2013

490-559.