Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:34

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
201200321/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 november 2011 heeft het college aan [maatschap] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een veehouderij aan de [locatie] te Harskamp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201200321/1/A4.

Datum uitspraak: 26 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Ede,

en

het college van burgemeester en wethouders van Ede,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2011 heeft het college aan [maatschap] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een veehouderij aan de [locatie] te Harskamp.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2013, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door ing. F.T. Toemen en ing G.H. Landeweerd, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [maatschap], vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord.

Overwegingen

Procesbelang

1. Ter zitting is de vraag opgeworpen of gezien de inwerkingtreding per 1 januari 2013 van het Besluit van 14 september 2012 tot wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (agrarische activiteiten in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer; Stb. 2012, 441) nog belang bestaat bij de beoordeling van het beroep. Met deze wetswijziging zou de vergunningplicht voor de veehouderij zijn vervallen.

1.1. Voor de veehouderij was op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, en per 1 oktober 2010 op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), een vergunning voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting (hierna: een milieuvergunning) vereist. Met de genoemde wetswijziging is deze vergunningplicht voor de veehouderij vervallen. Vanaf 1 januari 2013 is voor de veehouderij ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo een vergunning vereist voor "het verrichten van een andere activiteit" (hierna: een i-vergunning).

1.2. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2013 in zaak nr. 201206406/1/T1/A4 overweegt de Afdeling dat op grond van het thans geldende overgangsrecht, de thans bestreden milieuvergunning bij het onherroepelijk worden ervan van rechtswege wordt omgezet in een i-vergunning, waarbij de aan die milieuvergunning verbonden voorschriften overeenkomstig artikel 6.1, eerste of vierde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gedurende drie jaar onderscheidenlijk zes maanden als maatwerkvoorschriften worden aangemerkt.

Gelet hierop bestaat nog belang bij de beoordeling van het beroep tegen de verlening van de milieuvergunning.

Toepasselijk recht

2. Op 1 oktober 2010 is de Wabo in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding.

Geur

3. [appellant] en anderen betogen dat het college de door de inrichting veroorzaakte geurbelasting onjuist heeft beoordeeld. Daartoe voeren zij aan dat er bij deze beoordeling ten onrechte aan is voorbijgegaan dat een op 19 oktober 1993 voor de inrichting verleende vergunning is vervallen voor zover deze betrekking heeft op het houden van varkens in stal 7. Tevens voeren zij aan dat in de geurberekeningen is uitgegaan van een natuurlijke ventilatie van deze stal 7, waardoor - zo vat de Afdeling het betoog op - een te hoge geuremissie is berekend. Voorts voeren zij aan dat ten onrechte zogenoemde V-Stacks berekeningen zijn gebruikt. Daarnaast is volgens [appellant] en anderen niet zeker dat de in de berekeningen gehanteerde uittreesnelheid van de ventilatielucht van stal C in de praktijk haalbaar is.

3.1. Het college heeft getoetst of de door het veebestand waarvoor vergunning is gevraagd veroorzaakte geurbelasting voldoet aan de ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij maximaal toegestane geurbelasting.

Met betrekking tot het betoog van [appellant] en anderen dat bij deze beoordeling ten onrechte is gerekend met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunningen, merkt de Afdeling op dat het gebruik van dit model ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling geurhinder en veehouderij verplicht is bij het uitvoeren van de geurberekeningen.

Het college heeft aan de hand van deze berekeningen geconcludeerd dat, indien stal C wordt uitgevoerd met een chemische wasser overeenkomstig de in hoofdstuk C van de vergunningvoorschriften gegeven specificaties, aan de in artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij gestelde geurnormen wordt voldaan. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is. Gelet daarop heeft het college terecht geconcludeerd dat de door de inrichting waarvoor thans vergunning wordt gevraagd veroorzaakte geurbelasting geen grond geeft voor weigering van de vergunning. Of, en in welke mate, de geurbelasting afneemt ten opzichte van de eerder vergunde situatie maakt voor deze conclusie geen verschil. Daarom kunnen de betogen van [appellant] en anderen over de volgens hen onjuiste berekening van de geuremissie van stal 7, voor welke stal bij het thans bestreden besluit niet opnieuw vergunning wordt verleend, onbesproken blijven.

De beroepsgrond faalt.

Milieueffectrapport

4. [appellant] en anderen betogen dat het college ten onrechte heeft besloten dat geen milieueffectrapport behoefde te worden gemaakt (hierna: het mer-beoordelingsbesluit). Daartoe voeren zij aan dat het college bij het nemen van dat besluit ten onrechte is uitgegaan van de inrichting waarvoor oorspronkelijk - op 23 maart 2009 - vergunning was gevraagd, en niet van de inrichting zoals beschreven in de nadien gewijzigde aanvraag van 15 april 2011. Bovendien is het college volgens hen ook in dit opzicht ten onrechte aan het vervallen van een op 19 oktober 1993 voor de inrichting verleende vergunning voor het houden van vleesvarkens in stal 7 zijn voorbijgegaan.

4.1. Het betoog dat bij het nemen van het mer-beoordelingsbesluit niet van de gewijzigde aanvraag is uitgegaan, mist feitelijke grondslag. Het mer-beoordelingsbesluit is genomen ruim nadat de gewijzigde aanvraag was ingediend. Ter zitting heeft het college bevestigd dat bij dat besluit is uitgegaan van de gegevens uit de gewijzigde aanvraag.

4.2. Het betoog van [appellant] en anderen dat het college bij het nemen van het mer-beoordelingsbesluit heeft miskend dat de in 1993 verleende vergunning is vervallen, voor zover zij betrekking heeft op het houden van 190 vleesvarkens in stal 7, mist eveneens feitelijke grondslag. De in 1993 verleende uitbreidingsvergunning had geen betrekking op het houden van deze varkens, en kan reeds om die reden in dit opzicht niet zijn vervallen. Overigens was het houden van die varkens reeds bij de in 1984 voor de veehouderij verleende oprichtingsvergunning vergund. Niet is gesteld dat die oprichtingsvergunning wat deze varkens betreft zou zijn vervallen.

4.3. Hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd, geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college in het mer-beoordelingsbesluit niet in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt.

Toekomstige ontwikkelingen

5. [appellant] en anderen betogen dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de realisering van een nieuw agrarisch bedrijf op 200 m afstand van de inrichting.

5.1. Artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer bepaalt dat het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval betrekt de met betrekking tot de inrichting en het gebied waar de inrichting zal zijn of is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu.

5.2. De door [appellant] en anderen genoemde realisering van een veehouderij op 200 m afstand van de inrichting is niet aan te merken als een redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling als bedoeld in artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer. Hoewel er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een procedure was gestart voor de wijziging van het bestemmingsplan om de realisering van deze veehouderij mogelijk te maken, was de uitkomst van deze procedure nog niet zeker. Pas in januari 2012 werd een voorontwerp ter inzage gelegd. Ook was nog geen bouwvergunning aangevraagd voor de vestiging van de veehouderij. Gelet daarop bestond onvoldoende zekerheid over de vestiging van de veehouderij om deze als redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling aan te merken.

Gelet op het voorgaande heeft het college bij de beslissing op de aanvraag terecht geen rekening gehouden met de voorgenomen realisering van de veehouderij.

De beroepsgrond faalt.

Terinzagelegging

6. [appellant] en anderen betogen dat het bestreden besluit niet ter inzage heeft gelegen.

6.1. Het gestelde gebrek bij de terinzagelegging van het bestreden besluit dateert van na het nemen van dat besluit, en kan reeds om die reden geen grond geven voor het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is.

De beroepsgrond faalt.

Bestemmingsplan

7. [appellant] en anderen betogen, zo begrijpt de Afdeling het betoog, dat de laadplek voor de kadaverplaats in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Daartoe voeren zij aan dat de laadplek buiten het bouwblok wordt gesitueerd, zodat het niet is toegestaan om de benodigde verharding van de grond en de overkapping te realiseren.

7.1. Ingevolge artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan de vergunning worden geweigerd ingeval door verlening ervan strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

7.2. Het krachtens artikel 8.10, derde lid, weigeren van de vergunning is een bevoegdheid en geen verplichting. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college, daargelaten de vraag of de laadplek voor de kadaverplaats inderdaad in strijd met het bestemmingsplan is, in dit geval niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het met toepassing van artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer weigeren van de vergunning.

De beroepsgrond faalt.

Geluid

8. [appellant] en anderen betogen dat het college er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat de uittreesnelheid van de ventilatielucht van stal C niet, zoals op basis van het aanvraagformulier werd aangenomen, 3,0 m/s zal bedragen maar 3,5 m/s, waardoor de geluidhinder afkomstig van de ventilatoren zal toenemen.

8.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de uitstroomsnelheid inderdaad niet 3,0 maar 3,5 m/s zal bedragen, maar dat dit in de praktijk niet tot een waarneembare toename van de geluidbelasting zal leiden. Ten eerste omdat de gebruikte ventilatoren inpandig zijn geplaatst, waardoor de door de ventilatoren veroorzaakte geluidemissie al sterk gereduceerd wordt. Bovendien wordt in combinatie met de verhoging van de uitstroomsnelheid de oppervlakte van de uitstroomopeningen van de ventilatoren verkleind, wat een geluidreducerend effect heeft. Al met al zal de geluidbelasting volgens het college eerder afnemen dan toenemen.

[appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt van het college onjuist is. In zoverre is er geen grond voor het oordeel dat het college bij de beoordeling van het door de inrichting veroorzaakte geluidniveau van onjuiste feiten is uitgegaan.

De beroepsgrond faalt.

Landschappelijke inpassing

9. [appellant] en anderen betogen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften over de landschappelijke inpassing onvoldoende zijn, nu eerdere plannen voor de inrichting in meer of betere inpassingsmaatregelen voorzagen.

9.1. Op grond van de vergunningvoorschriften 38 en 39 moeten aan de noordzijde van het perceel eiken worden aangeplant. Aan de oost- en zuidzijde van de inrichting moeten houtsingels, bestaande uit twee rijen struiken met in het midden daarvan een rij eikenbomen, worden aangeplant.

Het college heeft zich kort weergegeven op het standpunt gesteld dat ook zonder de door [appellant] en anderen gewenste extra aanplant, de landschappelijke inpassing gezien de in de voorschriften 38 en 39 voorgeschreven inpassingsmaatregelen ruim voldoende is. Er is geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt kon stellen.

De beroepsgrond faalt.

Hemelwater afvoer

10. [appellant] en anderen betogen dat het college aan de vergunning de voorwaarde had moeten verbinden dat ter voorkoming van wateroverlast het hemelwater van de inrichting te allen tijde in de bodem van het eigen perceel dient te worden geïnfiltreerd.

10.1. Het college acht het niet aannemelijk dat zich wateroverlast zal voordoen. Desalniettemin heeft het college voorschrift 44 aan de vergunning verbonden, waarin is bepaald dat wanneer ten gevolge van de lozing van hemelwater vanaf het perceel wateroverlast ontstaat op de omliggende percelen, er voorzieningen dienen te worden getroffen om het hemelwater zoveel mogelijk in de bodem te infiltreren.

Het college heeft dit voorschrift in redelijkheid toereikend kunnen achten ter voorkoming of beperking van gevolgen van wateroverlast.

De beroepsgrond faalt.

Kadastrale aanduiding

11. [appellant] en anderen wijzen er op dat in het ontwerpbesluit staat dat de vergunning wordt verleend voor het perceel met de kadastrale nummers […] en […], terwijl in het bestreden besluit staat dat de vergunning wordt verleend voor het perceel met het kadastrale nummer […].

Het college heeft in het verweerschrift verduidelijkt dat de inrichting in zijn geheel is gelegen op het perceel met het kadastrale nummer […] (voorheen: 4368). [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat in het bestreden besluit niet het juiste kadastrale perceelnummer is genoemd.

Zienswijzen

12. [appellant] en anderen betogen dat het college de over het ontwerpbesluit naar voren gebrachte zienswijzen onvoldoende bij het nemen van het bestreden besluit heeft betrokken.

Deze beroepsgrond faalt. Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt dat het college de zienswijzen uitgebreid heeft betrokken bij het nemen van zijn besluit.

Duurzaamheid locatie

13. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat de plaats waar de inrichting wordt gevestigd geen duurzame locatie is, overweegt de Afdeling dat dit geen aspect is dat bij de beslissing op de aanvraag moet worden betrokken. De beroepsgrond faalt.

Conclusie

14. Het beroep is ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2013

262-738.