Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:326

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2013
Datum publicatie
17-07-2013
Zaaknummer
201208709/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Sint Nicolaasga - Uitbreiding bedrijventerrein Slotmolen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208709/1/R4.

Datum uitspraak: 17 juli 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], handelend onder de naam "De Hooidammen", wonend te [woonplaats], gemeente Skarsterlân,

en

de raad van de gemeente Skarsterlân,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Sint Nicolaasga - Uitbreiding bedrijventerrein Slotmolen" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 maart 2013, waar [appellant], bijgestaan door C. Zeldenrust, en de raad, vertegenwoordigd door G.C.J. Zaal, S.M. Dijkstra en C.D. de Jong, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende] gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan voorziet in de uitbreiding van het bedrijventerrein "Slotmolen" in Sint Nicolaasga. Het bedrijventerrein wordt in zuidelijke en oostelijke richting met ongeveer 7 hectare uitgebreid. Daartoe wordt in het plan aan gronden die in het voorheen geldende bestemmingsplan een agrarische bestemming hadden, de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend. Daarnaast biedt het plan mogelijkheden voor de transformatie van het agrarisch bedrijf met biogasinstallatie gelegen aan [locatie] tot een zogenoemde woon-werklocatie met biogasinstallatie. Aan de desbetreffende gronden wordt daartoe in het plan de bestemming "Wonen - Werken" toegekend, gedeeltelijk met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - biogasinstallatie". Het plan voorziet verder in de vestiging van een nieuw tankstation aan de Tsjûkemarwei, en in de bouw van een nieuwe woning aan het Westend, tegenover de locatie van bovengenoemd agrarisch bedrijf.

3. [appellant] exploiteert op het perceel [locatie a], grenzend aan het plangebied, een op toeristisch-recreatieve activiteiten gerichte onderneming genaamd "De Hooidammen". Op het perceel bevinden zich sportvisvijvers en tevens worden paintball-, apenkooi- en survivalactiviteiten ontplooid. Verder is er een met deze activiteiten verbonden kantine met horecavoorziening en een kantoor. [appellant] kan zich niet verenigingen met het plan voor zover het de biogasinstallatie betreft. De biogasinstallatie ligt op een afstand van ongeveer 70 meter van het perceel van [appellant]. [appellant] kan zich voorts niet verenigen met het plan voor zover dat ziet op de uitbreiding van het bedrijventerrein, direct grenzend aan zijn perceel.

Biogasinstallatie

4. [appellant] stelt dat de raad de biogasinstallatie ten onrechte als zodanig heeft bestemd en er ten onrechte niet in heeft voorzien dat deze wordt verplaatst zoals dat voor de overige delen van het agrarisch bedrijf aan het [locatie] wel het geval is. [appellant] voert aan dat de biogasinstallatie vooral vanwege de daarvan te duchten geluid- en geurhinder negatief van invloed is op zijn bedrijfsvoering. [appellant] voert ook aan dat de raad is uitgegaan van onjuiste uitgangspunten wat betreft de tot zijn bedrijf aan te houden afstand. Volgens [appellant] - zo begrijpt de Afdeling zijn betoog - dient vanwege het bijzondere karakter van de omgeving een afstand van 200 meter tot zijn bedrijf te worden aangehouden. Door de biogasinstallatie als zodanig te bestemmen, heeft de raad onvoldoende rekening gehouden met zijn belangen, aldus [appellant].

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het gaat om een bestaande biogasinstallatie waarvoor onherroepelijke milieu- en bouwvergunningen gelden en dat er geen reden is om deze niet als zodanig te bestemmen. De raad heeft uiteengezet dat hij de afstand tussen de biogasinstallatie en "De Hooidammen" voldoende acht zodat zich geen onaanvaardbare gevolgen voor het verblijfsklimaat en de bedrijfsvoering zullen voordoen. Daarbij heeft de raad toegelicht dat hij weliswaar de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) en de daarin aanbevolen afstanden tot gevoelige objecten ten behoeve van de vaststelling van het plan als uitgangspunt heeft gebruikt, maar dat hij zich daar wat betreft "De Hooidammen" niet aan gebonden acht omdat het niet gaat om een gevoelige bestemming. De raad acht van belang dat bij "De Hooidammen" geen bedrijfswoning is toegestaan en er geen verblijfsrecreatie mogelijk is, en dat de activiteiten voornamelijk plaatsvinden in de periode van mei tot en met september. Overigens is wat betreft "De Hooidammen" wel voldaan aan de aanbevolen afstand van 50 meter tot gevoelige objecten die zijn gelegen in een omgeving die - zoals hier - moet worden aangemerkt als een gemengd gebied, aldus de raad.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat voor de biogasinstallatie onherroepelijke milieu- en bouwvergunningen gelden. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad overigens van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad de biogasinstallatie onder de gegeven omstandigheden niet in redelijkheid als zodanig heeft kunnen bestemmen. Het betoog faalt.

Uitbreiding bedrijventerrein

5. [appellant] betoogt dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van de uitbreiding van het bedrijventerrein voor zijn bedrijf "De Hooidammen", met name gelet op de omstandigheid dat de uitbreiding wordt toegestaan op gronden die grenzen aan het perceel van zijn bedrijf. [appellant] vreest dat zijn bedrijfsvoering in gevaar komt door onder meer geluid-, geur- en visuele hinder voor recreanten die de in het plan mogelijk gemaakte bedrijven volgens hem met zich zullen brengen. Hij vreest ook aantasting van de kwaliteit van het water in zijn visvijvers. [appellant] voert verder aan dat de afwijkingsbevoegdheid op grond waarvan bedrijven tot en met milieucategorie 4.1 mogelijk worden gemaakt, door onvoldoende objectieve normen wordt begrensd. Voorts is onvoldoende onderzocht welke gevolgen de aldus mogelijk gemaakte bedrijven kunnen hebben voor "De Hooidammen", aldus [appellant].

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de in het plan bij recht mogelijk gemaakte bedrijven tot en met milieucategorie 2 niet onverenigbaar zijn met de activiteiten van "De Hooidammen". Hiertoe heeft de raad onder meer naar voren gebracht dat, nog los van de omstandigheid dat hij zich - zoals in 4.1 is beschreven - wat betreft de "De Hooidammen" niet gebonden acht aan de VNG-brochure, is voldaan aan de in die brochure aanbevolen afstand van 10 meter tussen bedrijven tot en met milieucategorie 2 en gevoelige objecten. De raad heeft voorts uiteengezet dat eerst bij de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid zal worden nagegaan in hoeverre bedrijven uit hogere milieucategorieën een onevenredig zware belasting opleveren voor de omgeving, daaronder begrepen "De Hooidammen".

5.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden onder meer bestemd voor gebouwen en overkappingen ten behoeve van bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2, met uitzondering van geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en vuurwerkbedrijven; dienstverlenende bedrijven en/of dienstverlenende instellingen, perifere en productiegebonden detailhandel, alsmede voor een inpandige bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning".

Ingevolge lid 4.5, onder b, wordt tot een met de bestemming strijdig gebruik in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijven die niet zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2.

Ingevolge lid 4.6, onder a, kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.5, onder b, in die zin dat bedrijven worden gevestigd die niet in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2 zijn genoemd of in een hogere categorie zijn genoemd, maar die naar de aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die wel zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2, mits het geen geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en vuurwerkbedrijven betreft.

Ingevolge lid 4.6, onder b, c en d, kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.5, onder b, in die zin dat bedrijven worden gevestigd die zijn genoemd in bijlage 1 onder categorieën 3.1, 3.2 of 4.1, mits:

1. het geen geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en vuurwerkbedrijven betreft;

2. de betreffende bedrijvigheid naar de aard en invloed op de omgeving geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van aangrenzende woningen tot gevolg heeft, al dan niet onder nader te stellen voorwaarden voor wat betreft geur, stof, gevaar en geluid;

3. wordt voldaan aan een lokale behoefte.

5.3. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat met het plan, voor zover het betreft de op het bedrijventerrein bij recht mogelijk gemaakte bedrijven tot en met milieucategorie 2, onevenredige nadelige gevolgen zijn gemoeid voor het verblijfsklimaat en de bedrijfsvoering van "De Hooidammen".

5.4. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet ruimtelijke ordening kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels.

Met deze bepaling kan de bevoegdheid worden gecreëerd op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken. Een afwijkingsregeling kan slechts betrekking hebben op planregels. Niet kan worden afgeweken van de in de verbeelding opgenomen bestemmingen. Toepassing van een afwijkingsregeling mag evenmin het effect hebben dat feitelijk de bestemming van gronden wordt gewijzigd. Afwijkingsbevoegdheden dienen door voldoende objectieve normen te worden begrensd.

5.5. Met betrekking tot het betoog van [appellant] dat de voorwaarden uit de afwijkingsregels door de bewoordingen ‘onevenredige afbreuk’ en ‘onevenredige aantasting‘ vage beoordelingskaders vormen, overweegt de Afdeling dat dit gebruikelijke criteria betreft. Deze criteria brengen tot uitdrukking dat in voorkomend geval een afweging van de betrokken belangen dient plaats te vinden. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de in artikel 4, lid 4.6, van de planregels neergelegde toetsingscriteria onvoldoende objectief begrensd zijn.

5.6. Met het opnemen van de afwijkingsbevoegdheid worden bedrijven die niet in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2 zijn genoemd of die in een hogere categorie zijn genoemd, maar die naar de aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die wel zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2, alsmede bedrijven in de categorieën 3.1, 3.2 of 4.1 in beginsel planologisch aanvaardbaar geacht. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan de afwijkingsbevoegdheid verbonden voorwaarden in voldoende mate waarborgen dat sprake zal zijn van een goede ruimtelijke ordening. Dit laat echter onverlet dat de raad bij de vaststelling van het plan moet hebben afgewogen of de situaties die kunnen ontstaan door toepassing van die bevoegdheid, in beginsel planologisch aanvaardbaar zijn.

Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met het plan geen onevenredige nadelige gevolgen zijn gemoeid voor het verblijfsklimaat en de bedrijfsvoering van "De Hooidammen" voor zover het betreft de met de afwijkingsbevoegdheid mogelijk gemaakte vestiging van bedrijven die niet in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2 zijn genoemd of die in een hogere categorie zijn genoemd, maar die naar de aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die wel zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2. De raad heeft echter onvoldoende gemotiveerd dat ter plaatse van "De Hooidammen", rekening houdend met het karakter van dat bedrijf, sprake kan zijn van een aanvaardbaar verblijfsklimaat waarbij de bedrijfsvoering niet in onevenredige mate wordt belemmerd, indien zich de met de vestiging van bedrijven in categorieën 3.1, 3.2 of 4.1 mogelijk gemoeide geluid-, geur- en visuele hinder alsmede gevolgen voor de waterkwaliteit van de visvijvers manifesteren. Het bestreden besluit tot vaststelling van het plan berust in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering.

Het betoog slaagt.

Conclusies

6. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit tot vaststelling van het plan dient te worden vernietigd voor zover het betreft artikel 4, lid 4.6, onder b, c en d, van de planregels.

7. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Skarsterlân van 5 juli 2012, waarbij het bestemmingsplan "Sint Nicolaasga - Uitbreiding bedrijventerrein Slotmolen" is vastgesteld, voor zover het betreft artikel 4, lid 4.6, onder b, c en d, van de planregels;

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. draagt de raad van de gemeente Skarsterlân op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II. wordt verwerkt in het digitaal vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Skarsterlân tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1023,52 (zegge: duizenddrieëntwintig euro en tweeënvijftig cent), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Skarsterlân aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Timmerman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2013

431-783