Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:322

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2013
Datum publicatie
17-07-2013
Zaaknummer
201207317/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 2011 heeft het college het verzoek van [appellante] om een wijzigingsplan vast te stellen ter vergroting van het bouwblok op het perceel [locatie] te Rijkevoort afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2013/5813
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201207317/1/R3.

Datum uitspraak: 17 juli 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Rijkevoort, gemeente Boxmeer,

en

het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2011 heeft het college het verzoek van [appellante] om een wijzigingsplan vast te stellen ter vergroting van het bouwblok op het perceel [locatie] te Rijkevoort afgewezen.

Bij besluit van 29 mei 2012, kenmerk R-VER/2012/3950, heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 maart 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.P.L.M. van de Velden en M.M.L. van Lankvelt, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellante] voert aan dat het college haar verzoek niet wegens strijd met de artikelen 9.2 en 9.8 van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: Verordening 2011), had mogen weigeren, nu deze algemene regels in strijd zijn met de Reconstructiewet concentratiegebieden (hierna: Rwc) en het reconstructieplan Peel en Maas (hierna: het reconstructieplan). [appellante] stelt dat het college in het bestreden besluit uit had dienen te gaan van de begripsomschrijvingen uit het reconstructieplan en dat de bedrijfsvoering van haar geitenhouderij voldoet aan de bij het reconstructieplan gegeven definitie van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Verder voert zij aan dat het college al in 2008 de verwachting heeft gewekt dat een vergroting van het bouwvlak tot 2,5 ha mogelijk is, maar dat daarna in strijd met het beginsel van fair play de besluitvorming jarenlang is uitgesteld, waarna de aanvraag is afgewezen. Ten slotte heeft het college geen rekening gehouden met het gegeven dat te weinig ruimte aanwezig is op de locatie om het op grond van de milieuvergunning toegestane aantal dieren te huisvesten en dat het gebied waarin de locatie ligt op korte termijn niet meer zal zijn aangewezen als een beschermingszone van een kwetsbare grondwaterwinning, aldus [appellante].

2. Het college stelt zich op het standpunt dat, nu de dieren op deze geitenhouderij in gebouwen worden gehouden, sprake is van een intensieve veehouderij als bedoeld in de Verordening 2011 en het verzoek op grond hiervan diende te worden afgewezen.

3. Intensieve veehouderij wordt in bijlage 1 van deel A van het reconstructieplan gedefinieerd als een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf waarin het houden van vee of pluimvee de hoofdzaak is.

Een grondgebonden agrarisch bedrijf wordt in het reconstructieplan gedefinieerd als een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Grondgebonden bedrijven zijn in ieder geval: akkerbouw, fruitteelt- en vollegrondstuinbouwbedrijven en boomteeltbedrijven, waarvan de bomen rechtstreeks in de grond zijn geplant. Melkveebedrijven zijn doorgaans ook grondgebonden.

4. Uit de bij de Verordening 2011 behorende overzichtskaart blijkt dat het perceel [locatie] in een extensiveringsgebied ligt.

Op grond van artikel 1, onder 40, van de Verordening 2011 wordt onder intensieve veehouderij verstaan: een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden melkrundveehouderij.

Ingevolge artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder a, wordt, tenzij de strekking van de bepaling zich daartegen verzet dan wel in deze verordening uitdrukkelijk anders is aangegeven, bij toepassing van deze verordening onder bestemmingsplan tevens begrepen een wijzigings- of uitwerkingsplan, als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wro.

Ingevolge artikel 9.2, eerste lid, aanhef en onder a, bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een extensiveringsgebied dat nieuwvestiging, uitbreiding, hervestiging en omschakeling naar intensieve veehouderij niet zijn toegestaan.

Ingevolge artikel 9.8, geldt in afwijking van het bepaalde in dit hoofdstuk tot 1 juni 2012 de regel dat:

a. uitbreiding, hervestiging en omschakeling naar een intensieve geiten- of schapenhouderij niet zijn toegestaan;

b. vergroting van de bebouwing ten behoeve van een intensieve geiten- of schapenhouderij welke op de peildatum 12 december 2009 aanwezig of in uitvoering was dan wel gebouwd mag worden krachtens een onherroepelijk verleende vergunning niet is toegestaan.

4.1. Aan algemeen verbindende voorschriften, zoals neergelegd in artikel 9.2, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 9.8, aanhef en onder a van de Verordening 2011, kan slechts verbindende kracht worden ontzegd, indien deze in strijd zijn met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien deze in strijd zijn met een algemeen rechtsbeginsel.

4.2. In de definitie van intensieve veehouderij in de Verordening 2011 staat centraal de vraag of dieren al dan niet in gebouwen worden gehouden. De bedrijfsvoering van [appellante] is in overwegende mate gericht op het houden van melkgeiten. Vast staat dat de bedrijfsvoering in zoverre geheel in gebouwen plaatsvindt en weidegang ontbreekt. De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat sprake is van intensieve veehouderij als bedoeld in de Verordening ruimte 2011. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat uit de toelichting bij de begripsbepaling van intensieve veehouderij in de Verordening ruimte 2011 blijkt dat de geiten- en schapenhouderij hieraan is toegevoegd, waarbij is opgemerkt dat indien geiten of schapen niet in overwegende mate op stal worden gehouden, deze niet onder de definitie vallen. In de praktijk zullen daarom van de schapenhouderijen alleen de melkschapenbedrijven tot de intensieve veehouderij gerekend worden, aldus de toelichting. Gelet op deze toelichting is kennelijk ook bedoeld dat van de geitenhouderijen de melkgeitenbedrijven, nu de dieren hier evenzeer geheel of in overwegende mate in stallen worden gehouden, onder de definitie vallen.

In de definitie van een grondgebonden agrarisch bedrijf in het reconstructieplan worden enkele voorbeelden genoemd van grondgebonden agrarische bedrijven. Het gaat hier voornamelijk om bedrijven die hun omzet geheel of in overwegende mate halen uit plantaardige teelten op de omliggende gronden. Uit de definitieomschrijving volgt dat melkveebedrijven ook grondgebonden zijn, mits deze afhankelijk zijn van het voortbrengend vermogen van de omliggende gronden. In de huidige situatie worden binnen de geitenhouderij 3334 melkgeiten gehouden. [appellante] wenst dit uit te breiden tot een aantal van 5000 geiten. Binnen het bedrijf worden op grote schaal geiten gehouden, waarbij een weidegang ontbreekt en de bedrijfsvoering geheel is afgestemd op het in gebouwen houden van de dieren. De bedrijfsvoering is in die zin niet afhankelijk van de omliggende gronden en heeft gelet op de hoge concentratie van geiten in stallen een intensief karakter. Verder ziet de Afdeling in het feit dat het voer voor de geiten grotendeels wordt geteeld op de omliggende gronden en de mest wordt afgezet op deze gronden onvoldoende aanleiding voor de conclusie dat sprake is van een grondgebonden bedrijf. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat sprake is van een intensieve veehouderij als bedoeld in het reconstructieplan.

Het betoog dat het college bij het bestreden besluit ten onrechte is afgeweken van de begripsbepalingen uit het reconstructieplan en het bedrijf niet had mogen aanmerken als een intensieve veehouderij faalt zodat van de gestelde strijd met de Rwc dan wel met bindende onderdelen van het reconstructieplan geen sprake is.

4.3. Niet betwist wordt dat de uitbreiding van een intensieve geitenhouderij in het extensiveringsgebied in strijd is met artikel 9.2 en artikel 9.8 van de Verordening 2011.

Wat betreft het betoog dat het college in strijd met het beginsel van fair play de besluitvorming heeft uitgesteld en dat het verzoek had kunnen worden ingewilligd indien het college sneller een besluit had genomen over de uitbreiding van het bouwblok geldt dat de door [appellante] ingediende aanvraag waarop het college zijn besluit heeft gebaseerd door het gemeentebestuur is ontvangen op 7 september 2009. Provinciale staten hebben in het besluit van 11 december 2009 ter voorbereiding op de Verordening Ruimte fase 1 van de provincie Noord-Brabant een bouwstop afgekondigd voor geitenhouderijen. Gelet op de beperkte tijdspanne hiertussen bestaat geen grond voor de aanname dat [appellante] door een trage besluitvorming is benadeeld en de mogelijkheid is ontnomen om haar bouwblok uit te breiden. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college door het verzoek tot vergroting van het bouwblok af te wijzen heeft gehandeld in strijd met het beginsel van fair play.

Verder behoefde het college in de omstandigheden dat het gebied op termijn niet meer zal zijn aangewezen als beschermingszone van een kwetsbare grondwaterwinning en dat de eerder verleende milieuvergunning een uitbreiding van het aantal dieren toestaat geen aanleiding te zien om het verzoek tot vergroting van het bouwblok in te willigen.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Matulewicz

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2013

45-656.