Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2718

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-12-2013
Datum publicatie
08-01-2014
Zaaknummer
201308323/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2013, nr. 12, heeft de raad het bestemmingsplan "Kernen Buren" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201308323/2/R2.

Datum uitspraak: 31 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verzoeker,

en

de raad van de gemeente Buren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2013, nr. 12, heeft de raad het bestemmingsplan "Kernen Buren" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer het college beroep ingesteld.

Voorts heeft het college de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 december 2013, waar het college, vertegenwoordigd door mr. P.G.A.L. Evers en ing. W.R.A. Wijchers, beiden werkzaam bij de provincie, en de raad, vertegenwoordigd door W. Drost en G.J. van Rhijn, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], bijgestaan door mr. J.R. Dobbelsteijn Bisschops, vergezeld door [persoon A], gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Met het plan is, voor zover thans van belang, beoogd de vestiging van een bloemenwinkel van 60 m² in het bestaande bedrijfsverzamelgebouw op het perceel Graafschapsstraat 4a mogelijk te maken.

3. Het college richt zich tegen het plan, voor zover dat op deze locatie detailhandel mogelijk maakt. Het college betoogt dat het plan in strijd is met artikel 23 van de Ruimtelijke Verordening Gelderland (hierna: de Verordening) en het beleid zoals neergelegd in het Streekplan Gelderland 2005, thans de structuurvisie (hierna: de structuurvisie). Volgens het college schept het plan een ongewenst precedent, te meer daar het plan een grotere oppervlakte en andersoortige detailhandel dan in bloemen mogelijk maakt.

4. In de verbeelding is weergegeven dat aan het plandeel betreffende het perceel Graafschapsstraat 4a de bestemming "Bedrijventerrein" met de aanduidingen, voor zover hier van belang, "bouwvlak" en "detailhandel" is toegekend.

Ingevolge artikel 9, lid 9.1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "detailhandel" bestemd voor detailhandel.

Ingevolge lid 9.2.1, aanhef en onder a, mogen op gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" worden gebouwd bedrijfsgebouwen, overkappingen daaronder mede begrepen, en bedrijfsinstallaties ten dienste van de in de bestemmingsomschrijving van dit artikel genoemde functies.

Ingevolge lid 9.2.3, voor zover hier van belang, mag voor het bouwen van de in lid 9.2.1 onder a t/m d genoemde gebouwen het bebouwingspercentage niet meer bedragen dan 80%.

Ingevolge lid 9.4.2, aanhef en onder a, wordt onder gebruik in strijd met de bestemming "Bedrijventerrein" in ieder geval verstaan gebruik rechtstreeks ten behoeve van detailhandel, met dien verstande dat detailhandel wel is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "detailhandel".

5. Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Verordening gaan in een bestemmingsplan nieuwe locaties voor detailhandel niet ten koste van de bestaande detailhandelsstructuur.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, wordt in de toelichting bij het bestemmingsplan aangegeven hoe een nieuwe detailhandelsontwikkeling zich verhoudt tot het bepaalde in het eerste lid.

6. In de structuurvisie is vermeld dat de provincie ruimte wil bieden om veranderingen in vraag en aanbod mogelijk te maken. Dit onder de voorwaarde dat de bestaande voorzieningenstructuur niet duurzaam wordt aangetast. De positie van de bestaande winkelgebieden heeft prioriteit. Vernieuwing en uitbreiding van detailhandel moeten plaatsvinden binnen of onmiddellijk grenzend aan bestaande winkelgebieden en in overeenstemming zijn met de aard, schaal en (verzorgingsfunctie) van het aangrenzende winkelgebied.

7. Uit het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad het plan wat betreft het perceel Graafschapsstraat 4a gewijzigd heeft vastgesteld teneinde daar een ondergeschikte detailhandelsfunctie, een bloemenwinkel van 60 m², mogelijk te maken. Het plan biedt echter ruimere mogelijkheden voor detailhandel, gelet op de omvang van het bouwvlak, het maximale bebouwingspercentage van 80 en de omstandigheid dat ingevolge de verbeelding in samenhang bezien met de planregels het gebruik van het gehele perceel Graafschapsstraat 4a voor detailhandel is toegestaan. Verder is in de toelichting niet aangegeven hoe de nieuwe detailhandelsontwikkeling zich verhoudt tot de bestaande detailhandelstructuur en evenmin is gebleken of de nieuwe locatie voor detailhandel ten koste gaat van de bestaande detailhandelstructuur. Voorts overweegt de voorzitter dat de raad bij de vaststelling van het plan niet aan het provinciale beleid zoals neergelegd in de structuurvisie is gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. In het voorliggende geval is niet gebleken dat de raad rekening heeft gehouden met het provinciale beleid zoals opgenomen in de structuurvisie. De voorzitter is er gelet op het vorenstaande niet op voorhand van overtuigd dat in de hoofdzaak zal worden geoordeeld dat het plan in zoverre in stand kan blijven. Gelet hierop, alsmede nu is gebleken dat investeringen zijn gedaan om de bloemenwinkel operationeel te maken, het college ter zitting heeft aangegeven continuering van het gebruik voor een bloemenwinkel van 60 m² hangende beroep niet onoverkomelijk te vinden en uitsluitend dit gebruik niet tot onomkeerbare gevolgen leidt, ziet de voorzitter aanleiding het verzoek toe te wijzen en de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Buren van 25 juni 2013, nr. 12, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kernen Buren", voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "detailhandel" voor het perceel Graafschapsstraat 4a, met uitzondering van het gedeelte waar thans de bloemenwinkel is gevestigd, zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1;

II. gelast dat de raad van de gemeente Buren aan het college van gedeputeerde staten van Gelderland het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het verzoek vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Vreugdenhil

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2013

571.