Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2715

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-12-2013
Datum publicatie
08-01-2014
Zaaknummer
201301397/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 18 juli 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201301397/1/V2.

Datum uitspraak: 31 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 17 januari 2013 in zaken nrs. 12/25145 en 12/25147 in het geding tussen:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2] (hierna tezamen: de vreemdelingen)

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 18 juli 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 17 januari 2013 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdelingen hebben een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de besluiten van 18 juli 2012 (hierna: de bestreden besluiten) en de daarin ingelaste voornemens niet blijkt dat hij de geloofwaardigheid van de asielrelazen van de vreemdelingen aan de hand van een ander toetsingskader heeft beoordeeld dan de vernietigde besluiten van 21 juni 2011. Voorts heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris ten onrechte overwogen dat hij niet kenbaar heeft beoordeeld of de asielrelazen van de vreemdelingen op hoofdlijnen consistent zijn en passen in hetgeen uit objectieve bronnen bekend is over de situatie in het land van herkomst. De rechtbank heeft niet onderkend dat hij zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de asielrelazen van de vreemdelingen ongeloofwaardig zijn, aldus de staatssecretaris.

2.1. De besluiten van 21 juni 2011 zijn door de rechtbank vernietigd, omdat het standpunt van de staatssecretaris dat de vreemdelingen toerekenbaar geen documenten hebben overgelegd en dat van hun asielrelazen daarom positieve overtuigingskracht heeft moeten uitgaan, ondeugdelijk was gemotiveerd.

In de bestreden besluiten en de daarin ingelaste voornemens heeft de staatssecretaris vervolgens uitdrukkelijk kenbaar gemaakt dat het vereiste van de positieve overtuigingskracht niet geldt, hetgeen door de rechtbank is onderkend. Gelet hierop berust het oordeel van de rechtbank in zoverre op een onjuiste lezing van de bestreden besluiten. In dit verband is van belang dat de omstandigheid dat in de bestreden besluiten aan de vreemdelingen is tegengeworpen dat zij op essentiële onderdelen van hun relazen summiere en ongerijmde verklaringen hebben afgelegd niet betekent dat bij die besluiten is beoordeeld of de relazen positieve overtuigingskracht hebben en aldus een verkeerd toetsingskader is toegepast. De grief slaagt in zoverre.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de staatssecretaris zich in de bestreden besluiten, gelezen in samenhang met de daarin ingelaste voornemens, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de asielrelazen van de vreemdelingen ongeloofwaardig zijn. Daarbij heeft hij terecht betrokken dat de vreemdelingen summiere, inconsistente en onderling tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over essentiële zaken, zoals het gestelde huwelijk in Griekenland, de wijze waarop de echtscheiding van het eerste huwelijk van vreemdeling 2 is uitgesproken en de wijze waarop vreemdeling 1 voor het eerst hoorde van het eerste huwelijk van vreemdeling 2 in Iran. De staatssecretaris heeft zich, onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht inzake Afghanistan van de minister van Buitenlandse Zaken van augustus 2011, voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gestelde wijze van echtscheiding niet past in het beeld dat wordt geschetst in voormeld ambtsbericht. Hij heeft zich in dit verband bovendien terecht op het standpunt gesteld dat deze tegenwerpingen betrekking hebben op essentiële onderdelen van de asielrelazen en daarmee ook de andere delen van de asielrelazen aantasten. Ook in zoverre slaagt de grief.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zullen de besluiten van 18 juli 2012 worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover deze na hetgeen hiervoor is overwogen nog bespreking behoeven.

4. De vreemdelingen hebben in beroep aangevoerd dat zij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd omdat zij behoren tot een kwetsbare minderheidsgroep en omdat in Afghanistan sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vreemdelingenwet 2000.

4.1. Nu de staatssecretaris in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op hetgeen de vreemdelingen in dit verband hebben aangevoerd en de vreemdelingen in beroep hebben nagelaten toe te lichten waarom zij het daarmee niet eens zijn, falen de beroepsgronden.

5. De beroepen van de vreemdelingen zijn ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 17 januari 2013 in zaken nrs. 12/25145 en 12/25147;

III. verklaart de in die zaak ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Yildiz

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2013

594.