Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2713

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-12-2013
Datum publicatie
08-01-2014
Zaaknummer
201210358/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 mei 2012 heeft het COa de verstrekkingen aan de vreemdeling krachtens de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005) beëindigd. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201210358/1/V1.

Datum uitspraak: 31 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 2 oktober 2012 in zaak nr. 12/15160 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

het COa.

Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2012 heeft het COa de verstrekkingen aan de vreemdeling krachtens de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005) beëindigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 2 oktober 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het COa hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de enige grief klaagt het COa dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu de vreemdeling ten tijde van het besluit van 3 mei 2012 een aanvraag om verblijf op medische gronden had ingediend en de vreemdeling rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) heeft, het op de weg van het COa ligt om bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) te informeren of de vreemdeling voorafgaand aan de aanvraag om verblijf op medische gronden zijn complete en actuele medische gegevens heeft overgelegd, teneinde te bezien of artikel 3, derde lid, aanhef en onder n, van de Rva 2005 op de vreemdeling van toepassing is.

Het COa voert daartoe aan dat eerst nadat de IND het COa hierover heeft geïnformeerd, de desbetreffende vreemdeling aanspraak kan maken op opvang.

2. Ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder n, van de Rva 2005, gelezen in samenhang met het eerste en het tweede lid van dat artikel, draagt het COa zorg voor de centrale opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000, die voorafgaand aan de aanvraag om verblijf op medische gronden hun complete en actuele medische gegevens hebben overgelegd.

3. Met het vereiste dat de uitgeprocedeerde asielzoeker voorafgaand aan de formele indiening van zijn aanvraag zijn complete en actuele relevante medische gegevens overlegt aan de IND, is beoogd misbruik door het indienen van een medische vervolgaanvraag uitsluitend om opvang te verkrijgen, tegen te gaan. Aan de hand van de overgelegde gegevens kan worden bepaald of de aanvraag kansloos of kansrijk is. Gelet op dat doel ligt de beoordeling van die gegevens door de IND waarna deze het resultaat van deze beoordeling aan het COa mededeelt, zoals geschetst in de toelichting op artikel 3, derde lid, aanhef en onder n, van de Rva 2005 (Stcrt. 2010, 2088), in de rede. Een informatieplicht voor het COa, als door de rechtbank aangenomen, is hiermee in strijd.

4. Nu het COa onweersproken heeft gesteld dat hem van een mededeling als bedoeld onder 3. niet is gebleken, heeft het zich, gelet op het voorgaande, terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling aan artikel 3, derde lid, aanhef en onder n, van de Rva 2005, gelezen in samenhang met het eerste en het tweede lid van dat artikel, geen aanspraak op opvang kan ontlenen.

De grief slaagt.

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit van 3 mei 2012 worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

6. De vreemdeling betoogt dat het COa ten onrechte niet de beslissing op zijn verzoek om analoge toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 heeft afgewacht en heeft miskend dat zijn gezondheidstoestand een zeer bijzondere omstandigheid is die met zich brengt dat hem opvang dient te worden verleend.

7. Het betoog faalt. Blijkens de toelichting bij artikel 3, derde lid, aanhef en onder f en g, van de Rva 2005 (Stcrt. 2005, 24, p. 17) ontstaat een aanspraak op opvang eerst nadat - thans - de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot het oordeel is gekomen dat een (analoge) situatie als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000 bestaat. Voorts staat de omstandigheid dat volgens een advies van het Bureau Medische Advisering van 27 juni 2011 een medische noodsituatie op korte termijn niet is uit te sluiten omdat de te hoge bloeddruk van de vreemdeling bij achterwege blijven van behandeling tot ernstige complicaties, zoals hersenbloedingen, kan leiden niet aan het onthouden van opvang in de weg, aangezien de vreemdeling ook bij het onthouden van opvang aanspraak heeft op verlening van medisch noodzakelijke zorg in de zin van artikel 10, tweede lid, van de Vw 2000. Ten slotte heeft de vreemdeling niet gestaafd dat bij gebrek aan opvang zijn medische situatie zeer ernstig zal verslechteren. Het COa heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn dat zij nopen tot feitelijke opvang.

8. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 2 oktober 2012 in zaak nr. 12/15160;

III. verklaart het beroep in die zaak ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. De Groot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2013

210.