Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2702

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
30-12-2013
Zaaknummer
201305109/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 september 2012 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/79

Uitspraak

201305109/1/V2.

Datum uitspraak: 24 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:

1. [de vreemdeling],

2. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 31 mei 2013 in zaken nrs. 13/13427 en 12/28634 in de gedingen tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.

Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2012 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 mei 2013 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdeling en de staatssecretaris hoger beroepen ingesteld. De hogerberoepschriften zijn aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Het hoger beroep van de vreemdeling

1. Hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond.

Het hoger beroep van de staatssecretaris

3. In zijn grief klaagt de staatssecretaris ten onrechte dat de beslissing van de aangevallen uitspraak ten onrechte niet de vernietiging van het besluit van 7 mei 2013 omvat.

3.1. In de beslissing heeft de voorzieningenrechter uitsluitend het besluit van 6 september 2012 vernietigd en niet mede het besluit van 7 mei 2013 over een andere aanvraag van de vreemdeling. Uit de overwegingen van de aangevallen uitspraak blijkt dat alleen met betrekking tot het besluit van 6 september 2012 toepassing is gegeven aan artikel 8:86, eerste lid, van de Awb; met betrekking tot het besluit van 7 mei 2013 heeft de voorzieningenrechter alleen een voorlopige voorziening getroffen en geen toepassing gegeven aan artikel 8:86, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht in zijn beslissing uitsluitend het besluit van 6 september 2012 vermeld. In zoverre faalt de grief.

4. De staatssecretaris klaagt voorts dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij niet kenbaar bij zijn besluitvorming heeft betrokken hetgeen de vreemdeling in het nader gehoor van 1 september 2012 naar voren heeft gebracht over de problemen die zij, nadat zij - naar gesteld - in 2011 naar Afghanistan was teruggekeerd voor haar huwelijk, daar zou hebben ondervonden vanwege haar verwestersing. Wat betreft de gestelde verwestersing in Nederland, klaagt de staatssecretaris dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij met de enkele verwijzing naar het beleid ter zake, niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling bij terugkeer geen reƫel risico loopt in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

4.1. De staatssecretaris heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat de tijdens het nader gehoor op 1 september 2012 afgelegde verklaringen van de vreemdeling over haar terugkeer naar Afghanistan, niet geloofwaardig zijn omdat zij haar terugkeer naar dat land met een in kopie overgelegde verklaring van een arts in Pakistan niet aannemelijk heeft gemaakt. Nu de terugkeer niet geloofwaardig is, zijn haar verklaringen over de problemen die zij daar als verwesterde vrouw zou hebben ondervonden, evenmin geloofwaardig, aldus de staatssecretaris. Anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen heeft de staatssecretaris met bovenstaande motivering de tijdens het nader gehoor afgelegde verklaringen kenbaar bij zijn besluitvorming betrokken.

Voorts heeft de voorzieningenrechter niet onderkend dat de staatssecretaris voor zijn standpunt voor zover het betreft de door de vreemdeling gestelde, in Nederland aangenomen westerse levensstijl, niet met een enkele verwijzing naar het beleid heeft volstaan. Immers, voor zijn standpunt dat het feit dat de vreemdeling in Nederland gebruik heeft gemaakt van mogelijkheden en rechten van de Nederlandse samenleving, niet betekent dat zij zich bij terugkeer niet wederom zal kunnen aanpassen aan de traditionele Afghaanse normen en opvattingen, heeft de staatssecretaris de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling in aanmerking genomen. Daarbij heeft hij van belang geacht dat de vreemdeling pas op achttienjarige leeftijd naar Nederland is gekomen, zij voordien altijd onder Afghaanse gewoonten en gebruiken heeft geleefd en zij op traditionele wijze is uitgehuwelijkt. De grief slaagt.

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen de staatssecretaris overigens heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de aangevallen uitspraak vernietigen en het beroep tegen het besluit van 6 september 2012 alsnog ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 31 mei 2013 in zaak nr. 13/13427;

IV. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Wolff

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2013

338.