Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2700

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
30-12-2013
Zaaknummer
201308826/3/R4 en 201308826/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" gewijzigd vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Algemene wet bestuursrecht 8:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/748

Uitspraak

201308826/3/R4 en 201308826/2/R4.

Datum uitspraak: 24 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Giessenlanden,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Bij afzonderlijke brief heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 december 2013, waar [appellant], bijgestaan door F.J.A.M. van Roermund, en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.A. Schep, werkzaam bij de gemeente zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [belanghebbende] gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

De voorzitter heeft de behandeling van het verzoek en het beroep van [appellant] afgesplitst van zaak nr. 201308826/1/R4. De behandeling van de andere tegen het besluit van 27 juni 2013 ingestelde beroepen zal onder laatstgenoemd nummer worden voortgezet.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. De raad heeft naar aanleiding van de zienswijze van de eigenaar van het perceel [locatie] te [plaats] het bouwvlak voor dit perceel in die zin gewijzigd vastgesteld door, zoals op de verbeelding bezien, het bouwvlak aan de achterzijde van het perceel in te korten en in de linkerhoek de in het ontwerpplan opgenomen trapsgewijze vorm recht te trekken.

3. Het beroep van [appellant] steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Ter zitting is komen vast te staan dat het beroep en verzoek om voorlopige voorziening van [appellant] strekt tot het voorkomen van het realiseren van een nieuwe stal direct achter zijn perceel. Evenwel is voorts ter zitting komen vast te staan dat reeds een omgevingsvergunning ten behoeve van voornoemde stal is verleend en voorts dat het vigerende bestemmingsplan en het ontwerpplan al voorzagen in de daarin vergunde situering van deze stal. Het plan is op dit punt niet gewijzigd vastgesteld.

Ingevolge artikel 8.1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2, van bijlage 2, bij de Awb, alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij tegen het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door [appellant] gestelde omstandigheid dat hij geen inzage heeft gehad in het ontwerpplan, nu is voldaan aan de wettelijke vereisten ter zake van de kennisgeving van de terinzagelegging hiervan.

Gelet op het voorgaande is het beroep slechts ontvankelijk voor zover gericht tegen de wijziging die ten opzichte van het ontwerpplan wat betreft het bouwvlak voor het perceel [locatie] is aangebracht.

4. [appellant] betoogt dat de verbreding van voornoemd bouwvlak in strijd is met het aan het plan ten grondslag gelegde "Beleidsdocument bestemmingsplan Buitengebied" zoals vastgesteld door de raad op 24 juni 2010 (hierna: het Beleidsdocument). Hij noemt daarbij in het bijzonder het behouden en versterken van het karakteristieke landschap en de doorzichten hiernaar, het uitgangspunt om het vergroten van een bouwvlak aan de achterzijde van het perceel te laten plaatsvinden en het rekening houden met de geldende afstandsnormen bij uitbreiding van agrarische bedrijven.

4.1. De raad stelt dat slechts sprake is van een uitruil van gronden, waardoor het bouwvlak ten opzichte van het ontwerpplan niet in oppervlakte toeneemt. Volgens de raad bied het thans vigerende bestemmingsplan meer bebouwingsmogelijkheden en is het bouwvlak in het voorliggende plan juist smaller geworden. Het bouwvlak is in overleg met de agrariër bepaald waarbij de belangen van de omwonenden zijn meegewogen, aldus de raad.

4.2. Het perceel [locatie] heeft de bestemming "Agrarisch".

Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder d, van de planregels zijn gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan.

4.3. Ten aanzien van de wijziging van het bouwvlak ten opzichte van het ontwerpplan, overweegt de voorzitter dat het gaat om een vormverandering van het bouwvlak en niet van een vergroting van het bouwvlak, zodat geen sprake is van een uitbreiding van een agrarisch bedrijf en het plan daarmee in zoverre niet in strijd met het Beleidsdocument is vastgesteld. Bovendien is ter zitting gebleken dat het in het plan opgenomen bouwvlak een beperking vormt van de bouwmogelijkheden die het thans geldende bestemmingsplan biedt voor het perceel [locatie].

Gezien het vorenoverwogene en de afstand van ongeveer 80 m tussen het desbetreffende gewijzigde gedeelte van het bouwvlak en het perceel van [appellant], ziet de voorzitter in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd voorts geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad in dit geval niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang ruimte te bieden aan agrarische bedrijvigheid door vormverandering van het bouwvlak op het perceel [locatie] dan aan het belang dat [appellant] heeft bij het opnemen van het bouwvlak zoals opgenomen in het ontwerpplan.

5. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

6. Gelet hierop bestaat aanleiding om het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep voor zover gericht tegen het agrarisch bouwvlak voor het perceel [locatie] te [plaats] voor zover deze bij de vaststelling van het plan niet is gewijzigd niet-ontvankelijk ;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

III. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2013

375-690.