Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:27

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
201205128/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:1124, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juli 2011 heeft het college geweigerd aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het veranderen van een rundveehouderij op het perceel [locatie] te De Moer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205128/1/A4.

Datum uitspraak: 26 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te De Moer, gemeente Loon op Zand,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 4 april 2012 in zaak nr. 11/4535 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Loon op Zand.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2011 heeft het college geweigerd aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het veranderen van een rundveehouderij op het perceel [locatie] te De Moer.

Bij uitspraak van 4 april 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juni 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.J.C. Mol, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Weel-van de Put en M.J. van Doorne, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het houden van in totaal 101 stuks melkrundvee en 72 stuks vrouwelijk jongvee.

2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het veranderen van een inrichting.

Ingevolge het derde lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.

3. Op 1 januari 2013 is het Besluit van 14 september 2012 tot wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (agrarische activiteiten in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer) in werking getreden. Daarbij is onder meer het Besluit omgevingsrecht gewijzigd.

Ingevolge artikel 2.1, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht worden als categorieën vergunningplichtige inrichtingen aangewezen de categorieën inrichtingen waartoe een IPPC-installatie behoort en de categorieën inrichtingen die als zodanig zijn aangewezen in bijlage I, onderdeel B, en onderdeel C.

In onderdeel C, categorie 8.3, aanhef en onder h, worden als categorieën vergunningplichtige inrichtingen aangewezen inrichtingen voor het houden van meer dan 200 stuks melkrundvee, behorend tot de diercategorie A.1 en A.2, genoemd in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij, waarbij het aantal stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar niet wordt meegeteld.

In onderdeel C, categorie 8.3, aanhef en onder i, worden als categorieën vergunningplichtige inrichtingen aangewezen inrichtingen voor het houden van meer dan 340 stuks vrouwelijk jongvee, behorend tot de diercategorie A.3, genoemd in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij, of indien het totaal aantal gehouden stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar en overig melkvee meer dan 340 stuks bedraagt.

4. Uit het voorgaande volgt dat voor de aangevraagde activiteit sinds 1 januari 2013 geen vergunningplicht als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht meer bestaat. Thans wordt deze activiteit geheel gereguleerd door het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Aangezien voor de aangevraagde activiteit geen vergunning meer is vereist en [appellant] niet heeft gesteld dat hij als gevolg van de weigering van de vergunning schade heeft geleden, heeft hij geen belang meer bij de beoordeling van het oordeel van de rechtbank dat het college de vergunning terecht heeft geweigerd. Derhalve is zijn belang bij een inhoudelijke uitspraak op zijn hoger beroep vervallen.

5. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Heusden

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2013

163-687