Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2693

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-12-2013
Datum publicatie
30-12-2013
Zaaknummer
201300783/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 april 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister) een aanvraag van de vreemdeling om wijziging van de beperking van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/71
AB 2014/131

Uitspraak

201300783/1/V1.

Datum uitspraak: 23 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 27 december 2012 in zaak nr. 12/33350 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister) een aanvraag van de vreemdeling om wijziging van de beperking van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.

Bij besluit van 15 oktober 2012 (hierna: het besluit) heeft de minister voor Immigratie en Asiel (lees: de minister) het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 27 december 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De staatssecretaris en de vreemdeling hebben nadere stukken ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Hetgeen in grief 1 is aangevoerd kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met dat oordeel volstaan.

3. In de grieven 2 tot en met 4 voert de vreemdeling aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het besluit niet in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en daarbij heeft mogen betrekken dat de vreemdeling geen frequent en regelmatig contact heeft met zijn dochters en bij terugkeer naar Marokko met hen contact kan onderhouden onder meer door gebruikmaking van moderne communicatiemiddelen.

Volgens de vreemdeling hebben zijn kinderen recht op en belang bij een goede hechting met hem en wordt met het besluit hun die mogelijkheid in strijd met artikel 8 van het EVRM ontzegd en is voorts de omstandigheid dat hij zijn kinderen niet meer dan vier uur in de week ziet ingegeven door overmacht, te weten zijn dakloosheid, en kan daaruit niet worden afgeleid dat hij het gezinsleven niet wil onderhouden en intensiveren.

3.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM, voor zover thans van belang, heeft een ieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven. Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

3.2. Niet in geschil is dat tussen de vreemdeling en zijn minderjarige kinderen, geboren in 2005 en 2007, gezinsleven als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM bestaat. Evenmin is in geschil dat het besluit een inmenging als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM betekent.

3.3. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), onder meer het arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99 (JV 2006/90) en de jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2009 in zaak nr. 200903237/1/V2), volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van gezinsleven een "fair balance" moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en de kinderen enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken.

3.4. In het besluit heeft de staatssecretaris het algemeen belang dat is gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid afgewogen tegen het persoonlijk belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het gezinsleven hier te lande met zijn kinderen en daarbij aan het algemeen belang doorslaggevend gewicht toegekend. Hieraan heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat de vreemdeling weliswaar sinds 3 oktober 2002 rechtmatig in Nederland verblijf heeft gehad, maar dat het enkele feit dat zijn kinderen tijdens dat rechtmatig verblijf zijn geboren, de Nederlandse nationaliteit hebben en hier naar school gaan onvoldoende is voor de conclusie dat inmenging ongerechtvaardigd is. Volgens de staatssecretaris bestaat voor de vreemdeling geen objectieve belemmering om het gezinsleven in Marokko of elders uit te oefenen omdat het niet onmogelijk is terug te keren naar Marokko en hij vanuit dat land invulling kan geven aan het gezinsleven door zijn kinderen regelmatig op te zoeken en door gebruikmaking van moderne communicatiemiddelen. De staatssecretaris heeft voorts ten nadele van de vreemdeling in de belangenafweging betrokken dat de kinderen bij de moeder, van wie hij is gescheiden, wonen, dat hij een omgangsregeling voor de kinderen heeft van vier uur in de week, waaraan hij volgens verklaringen van de moeder niet steeds invulling geeft, en dat die duur te kort is om op grond van het uitoefenen van gezinsleven met de kinderen in aanmerking te komen voor rechtmatig verblijf.

In zijn brief van 11 oktober 2013 heeft de staatssecretaris, naar aanleiding van vragen van de Afdeling, toegelicht dat de vreemdeling en zijn gezinsleden, onder wie zijn ex-partner, samen kunnen terugkeren naar Marokko en dat niet is gebleken van omstandigheden die dit vertrek onmogelijk maken.

3.5. De staatssecretaris is in het besluit noch in zijn brief van 11 oktober 2013 ingegaan op de vraag waarom van de kinderen kan worden gevergd dat zij de vreemdeling volgen naar Marokko en of daarin een belemmering is gelegen voor het uitoefenen van gezinsleven in dat land. Dat de vreemdeling vanuit Marokko met gebruikmaking van moderne communicatiemiddelen contact kan onderhouden met zijn kinderen en hen kan bezoeken, kan in het licht van het arrest Udeh tegen Zwitserland van 16 april 2013, nr. 12020/09 (www.echr.coe.int) evenmin worden aangemerkt als een deugdelijke motivering van het standpunt van de staatssecretaris dat zodanige belemmering ontbreekt.

De staatssecretaris heeft evenzeer ondeugdelijk gemotiveerd waarom de omstandigheid dat de duur van het contact tussen de vreemdeling en zijn kinderen is beperkt tot vier uur in de week, in het nadeel van de vreemdeling in de belangenafweging wordt betrokken, nu het EHRM in laatstgenoemd arrest een kortere contactduur niet als onvoldoende intensief heeft aangemerkt en de staatssecretaris voorts niet is ingegaan op de door de vreemdeling aangevoerde redenen voor dat in duur beperkte contact.

De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 27 december 2012 in zaak nr. 12/33350;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 15 oktober 2012, kenmerk 0203-11-4064;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.652,00 (zegge: zestienhonderdtweeënvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 932,00 (zegge: negenhonderdtweeëndertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Willems

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2013

412-688.