Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2690

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-12-2013
Datum publicatie
31-12-2013
Zaaknummer
201210221/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2011, kenmerk C2022112/2822589, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) geweigerd ontheffing te verlenen van het in artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: Verordening 2011) vervatte verbod op uitbreiding van een bouwblok tot meer dan 1,5 ha ten behoeve van een intensieve veehouderij op een duurzame locatie in een verwevingsgebied op het perceel aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201210221/1/R3.

Datum uitspraak: 31 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2011, kenmerk C2022112/2822589, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) geweigerd ontheffing te verlenen van het in artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: Verordening 2011) vervatte verbod op uitbreiding van een bouwblok tot meer dan 1,5 ha ten behoeve van een intensieve veehouderij op een duurzame locatie in een verwevingsgebied op het perceel aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 18 september 2012, kenmerk C2064098/3269024, heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

[appellante] en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 oktober 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.A.J.M. van Houtum, en het college, vertegenwoordigd door E.A.L.J.C. van Lieshout, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ten behoeve van een bestemmingsplan dat in een uitbreiding van het bestaande bouwblok tot 2,5 ha voor de intensieve veehouderij aan de [locatie] te [plaats] zou voorzien heeft het gemeentebestuur een aanvraag gedaan voor een ontheffing van voormeld verbod. Hiermee is beoogd een uitbreiding van het huidige bouwblok voor de intensieve veehouderij van [appellante], gelegen in verwevingsgebied, mogelijk te maken.

2. [appellante] betoogt dat het college ten onrechte het bezwaar ongegrond heeft verklaard en ten onrechte heeft geweigerd om een ontheffing te verlenen. Daartoe voert zij onder meer aan dat artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, en artikel 9.6 van de Verordening 2011 in strijd zijn met artikel 4.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), de Reconstructiewet concentratiegebieden (hierna: Rwc) en het reconstructieplan Peel en Maas (hierna: het reconstructieplan). Zij betoogt verder dat de ontheffingsvereisten in artikel 9.6, derde lid, van de Verordening 2011 dat voor 20 maart 2010 een schriftelijke aanvraag moet zijn ingediend tot uitbreiding van het bouwblok en dat er een schriftelijk stuk van voor deze datum moet zijn waaruit de planologische medewerking van het gemeentebestuur blijkt in strijd zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het beginsel van de rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel.

2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, en artikel 9.6 van de Verordening 2011 niet in strijd zijn met artikel 4.1, eerste lid, van de Wro, de Rwc en het reconstructieplan. Verder stelt het college dat gewijzigde planologische inzichten bij provinciale staten hebben geleid tot strengere algemene regels voor het verlenen van een ontheffing van het voormelde verbod. Volgens het college is de ontheffingsregeling van artikel 9.6 van de Verordening 2011 niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

2.2. Op de kaartbijlage bij de Verordening 2011 is het perceel aan de Broekkant 12 gelegen in een verwevingsgebied.

Ingevolge artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2011 bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied dat bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 ha tot een omvang van ten hoogste 1,5 ha mogen uitbreiden op een duurzame locatie.

Ingevolge artikel 9.6, eerste lid, aanhef en onder a, kan het college van gedeputeerde staten, mits de daartoe strekkende aanvraag voor een ontheffing voor 1 april 2011 is ingediend, in het geval van een uitbreiding van een intensieve veehouderij ontheffing verlenen van artikel 9.3, eerste lid, onder d, voor een bestemmingsplan dat voorziet in uitbreiding van een bouwblok tot ten hoogste 2,5 ha in een verwevingsgebied.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, bevatten de in artikel 13.3, tweede lid, bedoelde stukken behorende bij de aanvraag om ontheffing tevens, indien het bestemmingsplan ertoe strekt een uitbreiding van een intensieve veehouderij mogelijk te maken, een beschrijving van het feit dat reeds voor 20 maart 2010 voldoende concrete initiatieven waren ontplooid met het oog op de uitbreiding van de intensieve veehouderij.

Ingevolge het derde lid is van een van voor 20 maart 2010 daterend concreet initiatief tot uitbreiding van een intensieve veehouderij als bedoeld in het tweede lid, onder a, sprake indien voor 20 maart 2010 het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat planologische medewerking aan deze uitbreiding zal worden verleend. Gerechtvaardigd vertrouwen kan slechts worden aangenomen voor zover sprake is van een voor 20 maart 2010 ingediende schriftelijke aanvraag tot uitbreiding van een intensieve veehouderij en waarvan het college van burgemeester en wethouders c.q. de raad dan wel een daartoe krachtens een voor 20 maart 2010 genomen mandaatbesluit bevoegde ambtenaar schriftelijk te kennen heeft gegeven hieraan zijn medewerking te verlenen.

2.3. Over de betogen van [appellante] dat artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, en artikel 9.6 van de Verordening 2011 in strijd zijn met artikel 4.1, eerste lid, van de Wro, de Rwc, het reconstructieplan en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur verwijst de Afdeling naar hetgeen hierover is overwogen in onder meer haar uitspraken van 17 juli 2013, in zaak nr. 201204343/1/R3 en 13 maart 2013, in zaak nr. 201204206/1/R3. De Afdeling ziet in hetgeen [appellante] in deze procedure heeft aangevoerd geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. Deze betogen falen.

3. [appellante] betoogt voorts dat voor 20 maart 2010 voldoende concrete initiatieven voor de uitbreiding van haar agrarische bouwblok waren ontplooid en dat is voldaan aan de ontheffingsvereisten van artikel 9.6, derde lid, van de Verordening 2011.

3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat [appellante] weliswaar tijdig een aanvraag tot uitbreiding heeft gedaan als bedoeld in artikel 9.6, derde lid, van de Verordening 2011, maar dat niet is gebleken van een schriftelijk stuk van voor 20 maart 2010 waaruit de onvoorwaardelijke planologische medewerking van het gemeentebestuur blijkt.

3.2. De Afdeling stelt vast dat de Verordening 2011, anders dan de Verordening ruimte 2012, die ten tijde van het besluit op bezwaar van kracht was, voorzag in voormelde ontheffingsregeling en zal, nu het hier gaat om een tijdelijke overgangsregeling voor zogenoemde lopende zaken, beoordelen of aan de vereisten van artikel 9.6 van de Verordening 2011 is voldaan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer haar uitspraak van 13 maart 2013, in zaak nr. 201203440/1/R3, is in dit kader van belang of uit de stukken het gerechtvaardigd vertrouwen kan worden afgeleid op planologische medewerking van het gemeentebestuur van vóór 20 maart 2010. Bij de stukken bij de ontheffingsaanvraag is een zogenoemde principe-uitspraak van het college van burgemeester en wethouders van 15 december 2009 gevoegd. Hierin staat dat in principe medewerking kan worden verleend aan het verzoek tot uitbreiding van het bouwblok, dat was gedaan naar aanleiding van de publicatie van het voorontwerp van het bestemmingsplan voor het buitengebied. Daarbij is echter te kennen gegeven dat alvorens het verzoek mee zal worden genomen in het ontwerpplan diverse aanvullende gegevens moeten worden overgelegd, dat aan de hand van die gegevens zal worden beoordeeld of het opnemen in het ontwerpplan realistisch is en dat het daarbij met name gaat over een goede onderbouwing en motivering van het verzoek. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan artikel 9.6, derde lid, van de Verordening 2011, nu voor 20 maart 2010 nog niet vast stond dat het gemeentebestuur daadwerkelijk planologisch medewerking wilde verlenen aan de uitbreiding. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat voor de planologische medewerking van het gemeentebestuur nog aan een aantal belangrijke voorwaarden moest worden voldaan. Zo moest nog een ruimtelijke onderbouwing bij het gemeentebestuur worden ingediend en diende deze nog te worden beoordeeld. Niet is gebleken dat deze onderbouwing voor 20 maart 2010 is overgelegd en akkoord is bevonden.

Het betoog dat zich in deze zaak een vergelijkbare situatie voordoet als in de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2013, in zaaknr. 201210097/1/R3, treft geen doel. In die zaak had het gemeentebestuur van Baarle-Nassau bij brief van 10 maart 2009 te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen een uitbreiding van het bouwblok, mits, na aanpassing van het ingediende beplantingsplan voor het betrokken perceel, de agrarische adviescommissie positief zou adviseren hetgeen deze adviescommissie voor 20 maart 2010 had gedaan. Daarmee stond in dat geval, anders dan het college meende, de planologische medewerking van het gemeentebestuur voor 20 maart 2010 vast. Dat doet zich hier niet voor, nu aan een aantal door het gemeentebestuur gestelde voorwaarden voor de planologische medewerking voor 20 maart 2010 niet is voldaan. De betogen falen.

4. Tot slot betoogt [appellante], onder verwijzing naar het advies van de hoor- en adviescommissie, subsidiair dat indien de weigering terecht is zij door de weigering van de ontheffing onevenredige schade heeft geleden die had moeten worden vergoed.

4.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 17 juli 2013, in zaaknr. 201204343/1/R3, is de bestuursrechter slechts bevoegd over dit aspect te oordelen indien hij ook bevoegd is ten aanzien van de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid. In dit geval is de mogelijk schadeveroorzakende uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid echter niet de weigering van de ontheffing door het college, maar de vaststelling van artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, en artikel 9.6, derde lid, van de Verordening 2011 door provinciale staten op grond van artikel 4.1, eerste lid, van de Wro. Bij de vaststelling van deze algemene regels hebben provinciale staten een afweging van de betrokken belangen en vervolgens de keuze voor de limitatieve ontheffingsregeling gemaakt, waaraan het college gebonden is. Dit houdt in dat er voor het college geen ruimte bestond voor een belangenafweging op grond van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Deze algemene regels zijn algemeen verbindende voorschriften, waartegen ingevolge artikel 8:2, aanhef en onder a, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, geen beroep openstond, zodat niet de Afdeling, maar de civiele rechter bevoegd is om over de eventuele vergoeding van schade als gevolg van de vaststelling van deze algemene regels te oordelen, indien de toepassing hiervan onevenredige nadelige gevolgen heeft in een concreet geval. Het betoog kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2013

459-605.