Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2686

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
30-12-2013
Zaaknummer
201209247/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:17763, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 augustus 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen buiten behandeling gesteld.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/50
AB 2014/155

Uitspraak

201209247/1/V1.

Datum uitspraak: 24 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 augustus 2012 in zaak nr. 11/41620 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister).

Procesverloop

Bij besluit van 11 augustus 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 20 december 2011 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 22 augustus 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak behandeld ter zitting op 19 september 2013, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F. Kiliç, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. Ch.R. Vink, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. In grief I klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris haar terecht niet heeft ontheven van de verplichting tot legesbetaling omdat zij niet overeenkomstig paragraaf B1/9.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) heeft aangetoond betalingsonmachtig te zijn. De vreemdeling voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat dit beleid onredelijk is, omdat de staatssecretaris van een vreemdeling niet mag eisen dat hij zich tot familieleden en maatschappelijke organisaties wendt ter betaling van leges. De vreemdeling betoogt voorts dat de toepassing van voormeld beleid strijdig is met artikel 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), gelet op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 10 januari 2012, nr. 22251/07, G.R. tegen Nederland (www.echr.coe.int). Verder voert de vreemdeling aan dat de rechtbank ten onrechte geen grond heeft gevonden voor het oordeel dat zij haar betalingsonmacht heeft aangetoond met de door haar overgelegde stukken.

2.1. Ingevolge artikel 24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) is een vreemdeling in door de staatssecretaris te bepalen gevallen en volgens door de staatssecretaris te geven regels, leges verschuldigd voor de afdoening van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Als betaling van de leges achterwege blijft, neemt de staatssecretaris de aanvraag niet in behandeling.

Ingevolge artikel 3.34, tweede lid, aanhef en onder b, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, zoals luidend ten tijde van belang, is een vreemdeling leges verschuldigd voor de afdoening van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, voor een verblijfsdoel verband houdend met gezinshereniging of -vorming.

Ingevolge artikel 3.34f, eerste lid, is een vreemdeling, in afwijking van artikel 3.34, geen leges verschuldigd voor de afdoening van vorenbedoelde aanvraag, indien hij om vrijstelling van leges verzoekt, daarbij een gerechtvaardigd beroep doet op artikel 8 van het EVRM en aantoont niet te kunnen beschikken over middelen om aan de legesverplichting te kunnen voldoen.

Volgens paragraaf B1/9.6 van de Vc 2000, zoals luidend ten tijde van belang, moet een vreemdeling vorenbedoelde betalingsonmacht bij de indiening van zijn aanvraag aantonen met bewijstukken. Daartoe dient hij een inkomensverklaring van de Raad voor Rechtsbijstand over te leggen ten behoeve van de hoofdpersoon bij wie hij verblijf beoogt. Tevens dient die vreemdeling aannemelijk te maken dat hij noch die hoofdpersoon op korte termijn zal kunnen beschikken over de financiële middelen om de leges te voldoen, en daartoe evenmin een beroep kan doen op familieleden of in aanmerking komende derden.

2.2. Ter zitting van de Afdeling heeft de staatssecretaris toegelicht dat hij in het kader van vorenstaand beleid van een vreemdeling en de desbetreffende hoofdpersoon verwacht dat zij zich ter betaling van de leges wenden tot familieleden, in Nederland of in het buitenland, en derden met wie zij frequent contact hebben en die een rol spelen in hun dagelijks leven. Daaronder vallen ook maatschappelijke organisaties, voor zover die de desbetreffende vreemdeling of hoofdpersoon hulp hebben geboden. Van een vreemdeling die al enige tijd onrechtmatig in Nederland verblijft, verwacht de staatssecretaris dat hij inzicht geeft in de wijze waarop hij zich hier te lande staande heeft weten te houden. De staatssecretaris verlangt dat de desbetreffende vreemdeling en hoofdpersoon verklaringen overleggen waaruit blijkt dat en waarom vorenbedoelde personen en instellingen geen financiële bijdrage kunnen of willen leveren ter betaling van de leges. Indien een hoofdpersoon zeer jong is, verwacht de staatssecretaris dat de desbetreffende vreemdeling voor hem vorenbedoelde inspanningen verricht.

2.3. Dit beleid, bezien in het licht van de in 2.2. weergegeven toelichting, is niet onredelijk. Nu het uitgangspunt is dat voor de behandeling van een aanvraag als hiervoor vermeld leges moeten worden betaald, mag de staatssecretaris van een vreemdeling die stelt onmachtig te zijn die leges te betalen, verlangen dat hij die stelling staaft. Daartoe mag hij verlangen dat die vreemdeling inzicht geeft in zijn financiële situatie en die van de desbetreffende hoofdpersoon. Evenzeer mag de staatssecretaris verlangen dat die vreemdeling aantoont dat hij zich heeft gewend tot de in 2.2. bedoelde in aanmerking komende derden en dat hij inzichtelijk maakt dat en waarom zij niet kunnen of willen bijdragen aan betaling van de leges. In het bijzonder ingeval een vreemdeling reeds meer jaren onrechtmatig in Nederland verblijft, mag de staatssecretaris verlangen dat hij inzichtelijk maakt hoe hij zich hier te lande staande heeft weten te houden en waarom hij thans niet in staat is de leges te betalen. Voorts is van belang dat de staatssecretaris weliswaar verlangt dat een vreemdeling zich inspant om met behulp van in aanmerking komende derden de leges te betalen, maar dat de staatssecretaris geen nader bewijs verlangt van de financiële situatie van derden die stellen geen bijdrage te kunnen of willen leveren aan de legesbetaling. Tot slot is van belang dat uit de omstandigheid dat een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf geen arbeid mag verrichten, niet reeds volgt dat hij betalingsonmachtig is, nu die omstandigheid niet uitsluit dat hij of de desbetreffende hoofdpersoon op andere wijze kan beschikken over financiële middelen om de leges te betalen.

2.4. De vreemdeling, die een verblijfsvergunning heeft aangevraagd verband houdend met verblijf bij haar minderjarige kind van Nederlandse nationaliteit, verblijft reeds sinds 2002 in Nederland. Zij heeft ter staving van haar gestelde betalingsonmacht een aanvraag voor een inkomensverklaring van de Raad voor Rechtsbijstand en een inkomensverklaring van het Centraal orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa) overgelegd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling haar betalingsonmacht met deze stukken niet heeft aangetoond. De aanvraag voor afgifte van een inkomensverklaring van de Raad voor Rechtsbijstand geeft geen inzicht in de vermogenspositie van de vreemdeling of die van haar kind. In de inkomensverklaring van het COa staat weliswaar dat de vreemdeling een wekelijkse toelage van € 43,68 ontvangt, maar met de overlegging van die verklaring heeft de vreemdeling niet inzichtelijk gemaakt hoe zij zich sinds 2002 hier te lande staande heeft weten te houden en evenmin dat in aanmerking komende derden niet bereid of in staat zijn een financiële bijdrage te leveren ter betaling van de leges.

2.5. Anders dan de vreemdeling betoogt, heeft de staatssecretaris haar met de toepassing van het beleid niet de toegang tot een effectief nationaal rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM ontnomen. Voormeld arrest van het EHRM van 10 januari 2012 geeft ook geen aanleiding om de vreemdeling in dat betoog te volgen. In de zaak die heeft geleid tot dat arrest had de desbetreffende vreemdeling ter staving van zijn betalingsonmacht een stuk overgelegd waaruit bleek dat zijn echtgenote, bij wie hij verblijf beoogde, een bijstandsuitkering ontving. Het EHRM overwoog dat de staatssecretaris in dat geval, mede gezien de verhouding tussen de hoogte van de in die zaak geheven leges en de hoogte van de uitkering van de echtgenote, geen aanvullende stukken van die vreemdeling had mogen verlangen. Daarvoor achtte het EHRM redengevend dat een bijstandsuitkering slechts wordt verstrekt aan degene die niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan te voorzien, terwijl de bijstandverstrekkende instantie ter vaststelling van de bijstandsgerechtigheid een uitgebreid inkomensonderzoek verricht. Zodanige omstandigheden doen zich in deze zaak echter niet voor, nu de vreemdeling noch haar kind ten tijde van het besluit van 20 december 2011 een bijstandsuitkering ontving en derhalve bij hen niet zodanig inkomensonderzoek was verricht. Anders dan een bijstandverstrekkende instantie heeft het COa geen bevoegdheid om een inkomensonderzoek te verrichten, maar is het ingevolge artikel 20 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 bij de vaststelling van de hoogte van de financiële toelage afhankelijk van de mededelingen die de desbetreffende vreemdeling daarover doet. Uit het arrest is voorts niet af te leiden dat het EHRM het een met artikel 13 van het EVRM strijdige belemmering acht dat een vreemdeling bij wie geen inkomensonderzoek is verricht in het kader van een verzoek om bijstand, zich ter betaling van leges wendt tot derden.

2.6. De grief faalt.

3. In grief II klaagt de vreemdeling dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij bij haar aanvraag mede een beroep heeft gedaan op artikel 20 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU), bezien in het licht van het arrest van het Hof van Justitie (hierna: het HvJ) van 8 maart 2011, C-34/09, Ruiz Zambrano (www.curia.europa.eu). Nu zij aldus aanspraak maakt op een verblijfsrecht dat rechtstreeks voortvloeit uit het Unierecht, heeft de staatssecretaris van haar ten onrechte niet de leges geheven behorend bij een aanvraag om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de

Vw 2000, aldus de vreemdeling.

3.1. De vreemdeling heeft bij haar aanvraag toegelicht dat haar verblijf in Nederland moet worden toegestaan op grond van het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het gezinsleven. De staatssecretaris heeft in zoverre terecht het legestarief gehanteerd dat hoort bij een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor een verblijfsdoel verband houdend met gezinshereniging of -vorming. De vreemdeling heeft echter tevens toegelicht dat zij zich bevindt in de situatie bedoeld in voormeld arrest van het HvJ en dat zij primair een beroep doet op artikel 20 van het VWEU. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 9 augustus 2013 in zaak nr. 201207385/1/V4 is afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 aangewezen, indien een onderdaan van een derde land zich bevindt in de situatie bedoeld in voormeld arrest. Gelet daarop heeft de staatssecretaris de vreemdeling ten onrechte niet eerst in de gelegenheid gesteld de leges te voldoen die horen bij een aanvraag om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris het besluit van 20 december 2011 in zoverre onzorgvuldig heeft voorbereid.

3.2. De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en het besluit van 20 december 2011 vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 augustus 2012 in zaak nr. 11/41620;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 20 december 2011, kenmerk 0109-06-6040;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.888,00 (zegge: achttienhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 384,00 (zegge: driehonderdvierentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Oudeboon-van Rooij, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Oudeboon-van Rooij

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2013

32-747.