Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2680

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-12-2013
Datum publicatie
31-12-2013
Zaaknummer
201108411/1/A4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juni 2011 heeft het college een door [appellant sub 4] gevraagde revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor een inrichting voor de productie van diervoeders op het perceel [locatie A] te Voorthuizen, gemeente Barneveld, deels verleend en deels geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201108411/1/A4.

Datum uitspraak: 31 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1] en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 1]), wonend te Voorthuizen, gemeente Barneveld,

2. [appellant sub 2], wonend te Voorthuizen, gemeente Barneveld,

3. [appellanten sub 3] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]), wonend te Voorthuizen, gemeente Barneveld,

4. [appellanten sub 4] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]), gevestigd te Voorthuizen, gemeente Barneveld,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Barneveld,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2011 heeft het college een door [appellant sub 4] gevraagde revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor een inrichting voor de productie van diervoeders op het perceel [locatie A] te Voorthuizen, gemeente Barneveld, deels verleend en deels geweigerd.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 3] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 december 2012, waar [appellante sub 1], [appellant sub 3], bijgestaan door mr. E. Wijnne-Oosterhoff, advocaat te Zwolle, [appellant sub 4], vertegenwoordigd door [gemachtigden] en mr. R. van Eck, advocaat te Enschede, en het college, vertegenwoordigd door ing. H.S. Schut, werkzaam bij de gemeente, en mr. L.J. Wildeboer, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 5 juni 2013 in zaak nr. 201108411/1/T1/A4 (aangehecht; hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen twaalf weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 29 juni 2011 te herstellen.

Bij besluit van 26 augustus 2013 heeft het college ter uitvoering van de tussenuitspraak het besluit van 29 juni 2011 vervangen.

Bij brieven van 28 augustus 2013 zijn partijen in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen over het besluit van 26 augustus 2013 naar voren te brengen.

[appellant sub 2] heeft zijn zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellante sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben geen gebruik gemaakt van de hen geboden gelegenheid een zienswijze naar voren te brengen.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het besluit van 29 juni 2011 in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) voor zover het college heeft nagelaten te onderzoeken of de achteruitrijdsignalering van vrachtwagens tonaal geluid veroorzaakt dat duidelijk hoorbaar is op de beoordelingspunten. Verder heeft de Afdeling overwogen dat het besluit van 29 juni 2011 op drie onderdelen in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. Het college heeft nagelaten deugdelijk te motiveren waarom voor de representatieve bedrijfssituatie op zon- en feestdagen een absoluut verbod op vervoersbewegingen van vrachtwagens nodig is in het kader van naleving en handhaving. Evenmin heeft het college deugdelijk gemotiveerd waarom een verbod op laad- en losactiviteiten buiten de gebouwen van de inrichting op zon- en feestdagen tijdens de representatieve bedrijfsvoering in het belang van de bescherming van het milieu noodzakelijk is en [appellant sub 4] niet onnodig in haar bedrijfsvoering beperkt. Voorts heeft het niet deugdelijk gemotiveerd waarom de in het akoestisch rapport ‘Akoestisch onderzoek veevoederfabriek [appellant sub 4] te Voorthuizen, Versie 9 november 2010’, van Adviesburo Van der Boom B.V. opgenomen marge van vier rijbewegingen van vrachtwagens in de laadstraat niet in vergunningvoorschrift 2.7 is verwerkt.

In de tussenuitspraak heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van rechtsoverweging 29 van de tussenuitspraak, de gebreken te herstellen.

2. Het college heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak op 26 augustus 2013 een nieuw besluit genomen. Ingevolge artikel 6:19 van de Awb wordt dit besluit geacht mede onderwerp te zijn van dit geding.

Blijkens het besluit van 26 augustus 2013 is nader onderzoek verricht naar het karakter van het geluid van de achteruitrijdsignalering van vrachtwagens. Geconcludeerd is dat de achteruitrijdsignalering tonaal geluid veroorzaakt dat duidelijk hoorbaar is op de beoordelingspunten. Naar aanleiding hiervan zijn nieuwe geluidberekeningen uitgevoerd waarbij de toeslag van 5 dB voor tonaal geluid uit de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 is toegepast. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het akoestisch rapport ‘Akoestisch onderzoek veevoederfabriek [appellant sub 4] te Voorthuizen, Versie 6 augustus 2013’, van Adviesburo Van der Boom B.V. Een aantal van de in vergunningvoorschrift 2.1 opgenomen grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau is naar aanleiding van dit onderzoek gewijzigd. Verder heeft het college bij het besluit van 26 augustus 2013, anders dan bij het besluit van 29 juni 2011, de gevraagde vergunning niet langer geweigerd voor de representatieve bedrijfsvoering voor wat betreft verkeersbewegingen met vrachtwagens op het terrein van de inrichting op zon- en feestdagen en laad- en losactiviteiten buiten de gebouwen van de inrichting op zon- en feestdagen. Voorts is bij het besluit van 26 augustus 2013 vergunningvoorschrift 2.7 aangepast in die zin dat de in het akoestisch rapport van 9 november 2010 opgenomen marge van vier rijbewegingen van vrachtwagens in de laadstraat in het voorschrift is verwerkt.

3. [appellant sub 2] betoogt dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar voorzieningen die kunnen worden getroffen teneinde de berekende overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid te voorkomen. Hij stelt dat het college ten onrechte slechts de mogelijkheid van het beperken van het aantal vervoersbewegingen heeft onderzocht.

3.1. Zoals in de tussenuitspraak is overwogen heeft het college, vanwege de overschrijding van de in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening voor de gebiedstypering ‘rustige woonwijk, weinig verkeer’ opgenomen richtwaarden van 45, 40 en 35 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode op een groot aantal beoordelingspunten, het referentieniveau van het omgevingsgeluid bepaald. Na het toepassen van een aantal geluidreducerende maatregelen wordt het referentieniveau met toepassing van de toeslag van 5 dB voor tonaal geluid op de beoordelingspunten Marijkelaan 5-7 en Marijkelaan 9-15 overschreden. De overschrijding van het referentieniveau bedraagt bij beoordelingspunt Marijkelaan 5-7 in de dagperiode 2 dB(A) en bij Marijkelaan 9-15 in de avondperiode 1 dB(A). Om deze overschrijding van het referentieniveau te voorkomen zou volgens het college het aantal voertuigbewegingen beperkt moeten worden of zouden aanvullende geluidreducerende maatregelen getroffen moeten worden. Het beperken van het aantal voertuigbewegingen acht het college niet wenselijk omdat de bedrijfsvoering hierdoor in grote mate onmogelijk zou worden gemaakt. Verder heeft het college de mogelijkheid van een gesloten stortput onderzocht, maar geoordeeld dat een dergelijke maatregel zeer kostbaar is en om die reden niet in verhouding staat tot de beperkte overschrijding van het referentieniveau. Hetgeen [appellant sub 2] aanvoert, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich op grond van deze motivering niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de overschrijding van het referentieniveau, bij afweging van de belangen, toelaatbaar is.

Het betoog faalt.

4. [appellant sub 2] betoogt voorts dat voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van zijn woning aan de Bakkersweg 19 ten onrechte grenswaarden van 38 en 39 dB(A) zijn gesteld in respectievelijk de dag- en avondperiode en voor het maximale geluidniveau ter plaatse van deze woning ten onrechte grenswaarden van 50 en 61 dB(A) in respectievelijk de dag- en avondperiode.

4.1. Met dit betoog heeft [appellant sub 2] zijn beroepsgronden uitgebreid met nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgronden. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Dit betekent dat hetgeen [appellant sub 2] in dit opzicht aanvoert, buiten inhoudelijke bespreking blijft.

5. Gezien de tussenuitspraak zijn de beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 4] tegen het besluit van 29 juni 2011 gegrond. Dit besluit dient wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb te worden vernietigd. De beroepen van [appellante sub 1] en [appellant sub 3] tegen dit besluit zijn ongegrond.

[appellante sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben naar aanleiding van het besluit van 26 augustus 2013 geen zienswijze naar voren gebracht. De Afdeling leidt hieruit af dat zij geen bezwaren hebben tegen dit besluit. Hun van rechtswege ontstane beroepen tegen dit besluit zijn ongegrond. Gelet op hetgeen onder 3.1 en 4.1 is overwogen, is het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 2] tegen dit besluit eveneens ongegrond.

6. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 2] en [appellant sub 4] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 2] en [appellanten sub 4] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Barneveld van 29 juni 2011, kenmerk 68/2010, gegrond;

II. vernietigt dat besluit;

III. verklaart de beroepen van [appellante sub 1] en anderen en [appellanten sub 3] tegen dat besluit ongegrond;

IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 2], [appellanten sub 4], [appellante sub 1] en anderen en [appellanten sub 3] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Barneveld van 26 augustus 2013, kenmerk 68/2010, ongegrond;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Barneveld tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 708,00 (zegge: zevenhonderdacht euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Barneveld tot vergoeding van bij [appellanten sub 4] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Barneveld aan [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt;

gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Barneveld aan [appellanten sub 4] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. P.A. Koppen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Grinsven

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2013

462-684.