Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2678

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
201310147/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 oktober 2013 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 1
Vreemdelingenwet 2000 62a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/68

Uitspraak

201310147/1/V3.

Datum uitspraak: 16 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 31 oktober 2013 in zaak nr. 13/26916 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2013 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 oktober 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, overwogen dat de op 26 juli 2011 aan de vreemdeling opgelegde ongewenstverklaring eveneens is aan te merken als een terugkeerbesluit. Nu uit de ongewenstverklaring blijkt dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf in Nederland kan hebben, is volgens de rechtbank sprake van de in de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348; hierna: de Terugkeerrichtlijn) vereiste administratieve vaststelling dat het verblijf van de derdelander onrechtmatig is of wordt. Uit de mededeling dat het besluit tevens wordt aangemerkt als terugkeerbesluit valt een terugkeerverplichting te herleiden. Derhalve ligt volgens de rechtbank aan de inbewaringstelling een terugkeerbesluit ten grondslag.

2. De vreemdeling klaagt onder meer dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat in de ongewenstverklaring enkel onder 6 (Rechtsmiddelen) staat vermeld staat dat het besluit tevens wordt aangemerkt als een terugkeerbesluit, maar dat uit het besluit zelf niet is gebleken dat het gaat om een terugkeerbesluit met bepaalde rechtsgevolgen, zoals het verlaten van Nederland binnen een bepaalde termijn. Nu geen terugkeerbesluit aan de maatregel van bewaring ten grondslag is gelegd, was de maatregel van aanvang af onrechtmatig, aldus de vreemdeling.

2.1. Het terugkeerbesluit wordt in artikel 3, punt vier, van de Terugkeerrichtlijn als volgt gedefinieerd: "de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld".

In artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn staat dat de lidstaten, onverminderd de in de leden twee tot en met vijf vermelde uitzonderingen, een terugkeerbesluit uitvaardigen tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder s, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder "terugkeerbesluit" verstaan: het terugkeerbesluit, bedoeld in artikel 3, punt vier, van de Terugkeerrichtlijn.

Ingevolge artikel 62a, eerste lid, stelt de minister, onverminderd de onder sub a tot en met c vermelde uitzonderingen, de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, geldt de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, als terugkeerbesluit.

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 maart 2011 in zaak nr. 201100307/1/V3) vloeit uit artikel 15 en de systematiek van de Terugkeerrichtlijn rechtstreeks voort dat een maatregel van bewaring, opgelegd aan een onderdaan van een derde land die illegaal in Nederland verblijft, behoudens de in artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn vermelde uitzonderingsgevallen, uitsluitend mag worden opgelegd indien voorafgaand aan dan wel gelijktijdig met die maatregel een terugkeerbesluit is genomen. De Terugkeerrichtlijn is inmiddels geïmplementeerd in de Vw 2000.

Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft geoordeeld (de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2012 in zaak nr. 201112073/1/V3) is een besluit tot ongewenstverklaring waarin de door de richtlijn vereiste administratieve vaststelling is vervat dat het verblijf van de derdelander onrechtmatig is of wordt en dat deze onmiddellijk dient terug te keren, aan te merken als terugkeerbesluit.

2.3. In het besluit van 26 juli 2011 is onder 5 (Rechtsgevolgen) de door de richtlijn vereiste administratieve vaststelling vervat dat het verblijf van de vreemdeling onrechtmatig is of wordt. Uit het besluit blijkt echter niet dat daarbij tevens uitdrukkelijk is vastgesteld dat de vreemdeling verplicht is Nederland te verlaten. Uit de enkele mededeling dat dit besluit tevens dient te worden aangemerkt als een terugkeerbesluit valt dit, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet af te leiden. Dit besluit kan derhalve niet als terugkeerbesluit in de zin van artikel 1, aanhef en onder s, van de Vw 2000 gelezen in samenhang met artikel 3, punt vier, van de Terugkeerrichtlijn, worden aangemerkt. Gesteld noch gebleken is dat jegens de vreemdeling op enig ander moment een terugkeerbesluit is genomen. Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat aan de aan de vreemdeling opgelegde maatregel van bewaring een terugkeerbesluit ten grondslag ligt. Tot slot is gesteld noch gebleken dat sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, van de Vw 2000. Gelet op het bovenstaande betoogt de vreemdeling terecht dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is opgelegd.

De grief slaagt reeds hierom.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling gericht tegen het besluit van de staatssecretaris van 18 oktober 2013 alsnog gegrond verklaren. Nu de vrijheidsontnemende maatregel reeds is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 18 oktober 2013 tot 31 oktober 2013, de dag waarop de inbewaringstelling van de vreemdeling is opgeheven.

4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 31 oktober 2013 in zaak nr. 13/26916;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 870,00 (zegge: achthonderdzeventig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de secretaris van de Raad van State;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.416,00 (zegge: veertienhonderdzestien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Van Dokkum

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2013

466-480-777.