Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2671

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
201309293/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Supermarkt, Rozenhofje te Montfort" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201309293/2/R1.

Datum uitspraak: 17 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker A] en [verzoeker B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]), wonend te Montfort, gemeente Roerdalen,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Roerdalen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Supermarkt, Rozenhofje te Montfort" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] beroep ingesteld. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 december 2013, waar [verzoeker] en de raad, vertegenwoordigd door mr. H. Aussems, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. [verzoeker] richt zich tegen het plandeel met onder meer de bestemming "Detailhandel" en de aanduidingen "bouwvlak", "maximale bouwhoogte 8,5 m" en "maximale goothoogte 5 m" voor het perceel [locatie 1]. [verzoeker] beoogt met zijn verzoek onomkeerbare ontwikkelingen ten gevolge van de inwerkingtreding van dit plandeel te voorkomen. [verzoeker] betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in bebouwing ten behoeve van detailhandel met een maximale bouwhoogte van 8,5 m direct naast zijn perceel aan de [locatie 2]. [verzoeker] voert hiertoe aan dat hij in zijn tuin hinder zal ondervinden vanwege schaduwwerking door de toegestane bebouwing. Voorts voert [verzoeker] aan dat het plan het mogelijk maakt dat op het plandeel een bakkerij zal worden gevestigd. Volgens [verzoeker] zal hij hiervan geluidhinder ondervinden.

2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de voorziene detailhandel noodzakelijk is om het voorzieningenniveau in stand te houden. De raad onderkent dat hierdoor de ruimtelijke omgeving verandert en dat enige aantasting van het woon- en leefklimaat van [verzoeker] kan ontstaan. Volgens de raad zijn de geluidhinder en schaduwhinder op het perceel van [verzoeker] evenwel niet zodanig dat niet langer van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gesproken.

2.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.22, van de planregels wordt onder detailhandel verstaan: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

Ingevolge lid 1.26 wordt onder productiegebonden detailhandel verstaan: detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan het productieproces.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Detailhandel" aangewezen gronden bestemd voor detailhandel.

2.3. De voorzitter betwijfelt of ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels op het plandeel met de bestemming "Detailhandel" eveneens productiegebonden detailhandel is toegestaan. Hij ziet niettemin aanleiding in deze procedure ervan uit te gaan dat dit mogelijk is.

2.4. De raad heeft onderzoek laten verrichten naar eventuele geluidsoverlast vanwege de voorziene detailhandel, waarvan de uitkomsten zijn vastgelegd in het rapport 'Akoestisch onderzoek nieuwe Supermarkt [locatie 1] Montfort' van 25 oktober 2012, opgesteld door Adviesburo Van der Boom (hierna: het akoestisch rapport). In het akoestisch rapport wordt geconcludeerd dat bij een supermarkt geen sprake is van eigen dominante geluidbronnen met een onnodig hoge geluidemissie. Volgens het akoestisch rapport zal het geluid van de supermarkt vermoedelijk worden gemaskeerd door gebiedseigen geluiden zoals verkeer.

2.5. [verzoeker] betoogt terecht dat het akoestisch rapport betrekking heeft op een supermarkt en niet op een bakkerij. [verzoeker] heeft evenwel niet aannemelijk gemaakt dat een bakkerij tot aanzienlijk meer geluidhinder ter plaatse van zijn woning zal leiden dan een supermarkt. Anders dan [verzoeker] betoogt, bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet van de conclusie van het akoestisch rapport heeft kunnen uitgaan. Gelet hierop en nu de woning van [verzoeker] in een drukke dorpsomgeving en op enige afstand van het plandeel met de bestemming "Detailhandel" is gelegen, heeft de raad zich naar het voorlopig oordeel van de voorzitter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van de woning van [verzoeker] geen sprake zal zijn van onevenredige geluidhinder.

2.6. [verzoeker] stelt voorts terecht dat hij vanwege de voorziene bebouwing op het plandeel met de bestemming "Detailhandel" enige schaduwhinder op zijn perceel zal ondervinden. De raad heeft een berekening van de schaduwwerking die zal ontstaan door de bebouwing overgelegd. Hieruit volgt dat met name achter in de tuin van [verzoeker] vanaf het einde van de middag schaduw zal ontstaan vanwege de voorziene bebouwing. De raad heeft zich evenwel in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de hinder die [verzoeker] hiervan zal ondervinden niet zodanig zal zijn dat niet langer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

3. In hetgeen [verzoeker] voor het overige heeft aangevoerd, ziet de voorzitter evenmin aanknopingspunten voor de verwachting dat het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand zal kunnen houden.

4. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Schaaf

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2013

523.